Pierrot le Fou (1965)

Toch maar een keer naar Pierrot le Fou

Het is me een raadsel waarom het sommige schrijvers is toegestaan het ene rotboek na het andere te schrijven. Nee, ik bedoel geen Van Royen of Kluun, die in hun soort misschien best goed zijn. Ik bedoel veeleer brabbelaars als Abdelkader Benali, die hooguit mild worden berispt voor de pseudoliteratuur die ze de hemel weet waarom ten beste mogen blijven geven. Ze  krijgen hoe dan ook aandacht, al is het in de vorm van kritiek. Andere, gedreven en vakbekwame auteurs worden daarentegen volledig over het hoofd gezien, ook die van wie het werk verre van ontoegankelijk is.

Neem nu de politicoloog Hein-Anton van der Heijden, die vorig jaar op 59-jarige leeftijd zijn eerste roman – De zomer van Godard – uitbracht. Een pracht van een roman is het geworden. Het doet een beetje denken aan  Thomas Verbogt, of aan Tim Krabbé: spelingen van het lot, een verloren liefde, de kracht van herinneringen, een zoektocht die vanwege die herinneringen wordt ondernomen. Voeg daarbij soms ietwat professoraal aandoende, maar interessante bespiegelingen over literatuur, cultuur, politiek en maatschappij – en je houdt een verhaal over dat net iets meer biedt dan dat enigszins opgelegde, typisch mannelijke gevoel van romantische verlatenheid waarmee Verbogt en vooral Krabbé nogal eens koketteren.

De Zomer van Godard gaat over een man van middelbare leeftijd die de jaren zestig-idealen uit zijn jeugd niet kan loslaten. Een samenloop van omstandigheden brengt hem op het idee op zoek te gaan naar een geliefde die lang geleden plotseling uit zijn leven verdween, maar met wie hij die idealen, althans in zijn herinnering, intens heeft beleefd. Ik verklap verder alleen dat hij uiteindelijk een keuze moet maken tussen die idealen en haar.

Het boek is misschien niet virtuoos maar wel zeer aangenaam geschreven en boeit van begin tot eind. De zoektocht van de held ‘Thomas’ naar zijn ‘Olga’ van vroeger voert hem door de Franse provincie, die prachtig tot leven wordt gewekt. Nergens zijn de beschrijvingen langdradig. Integendeel, het is of er een zachte glans wordt aangebracht over de dorpjes en landschappen die Thomas op zijn queeste doorkruist. Dat is des te opmerkelijker doordat Van der Heijden feitelijk niet veel meer doet dan zakelijk noteren wat er te zien is. Hij weet dus iets op te roepen dat er niet staat, hetgeen getuigt van grote beheersing en subtiel vakmanschap.

Ultiem bewijs van de vaardigheid van de schrijver: het werk van filmer Jean-Luc Godard, en dan met name Pierrot le Fou (zie foto hierboven, met Jean-Paul Belmondo en Anna Karina), speelt een belangrijke rol in de roman. Nu houd ik absoluut niet van Godard, maar heb inmiddels toch besloten dat als Pierrot le Fou nog eens ergens draait, ik ga kijken. De vrijheidsdrang in die film, de hang naar roekeloosheid: die zouden me toch eigenlijk moeten aanspreken?

Ik ben een man die als een verwend, eigenwijs kind vasthoudt aan zijn antipathieën en sympathieën , dus een auteur die mij daar vanaf weet te brengen, die moet er iets van kunnen.

Technisch is de Zomer van Godard vlekkeloos. De roman komt op gang door een meesterlijke verhaalvondst, wat de auteur aan het eind, ten behoeve van de ontknoping, dunnetjes overdoet. Alle overige verwikkelingen zitten noodzakelijkerwijs hiertussen gevangen, blijkt achteraf, waardoor het boek een uiterst coherente en toch niet geconstrueerde indruk maakt. Die verhaalvondsten hebben beide te maken met geld, waarmee de hoofdpersoon een ambivalente verhouding heeft. Thomas verwerft onverwacht een fortuin. Wat moet hij ermee? Dat is een cruciale vraag in het boek. Het antwoord erop is het einde van de vertelling, de clou.

De ware macht en betekenis van geld: er zijn beroerdere thema’s in de Nederlandse literatuur te vinden, zoals het sadistisch universum of een vervelende jeugd in een vervelende provincieplaats.

De zomer van Godard gaat ook over schoonheid: over wat het leven aan schoonheid te bieden heeft, en hoe dat te behouden. Hoe het verstandig te beheren. Daar zouden veel meer boeken over moeten gaan. Het raakt aan het wezen van de literatuur zelf.

Tot mijn verbazing heb ik slechts drie echte – gelukkig zeer lovende – recensies kunnen vinden (hier en hier). Dat is schandelijk weinig. Hoe komt dat?

Omdat de schrijver tot de babyboomers moet worden gerekend, tegenwoordig een verfoeide mensensoort, want naar het schijnt verantwoordelijk voor de wanhopige staat waarin ons straatarme en door corrupte linkse potentaten bestuurde land verkeert?

Komt het omdat de auteur blijk geeft van een zekere nostalgie naar de jaren zestig en enkele bezwaren tegen de huidige tijdgeest in durft te brengen?

Omdat er uit het boek enig romantisch idealisme spreekt dat ver af staat van, bijvoorbeeld, Arnon Grunbergs hautaine afwijzing van het mensdom en soortgelijke modieuze, kleinburgerlijk-nihilstische navelstaarderij die geen uitkomst biedt, zelfs geen beklijvend inzicht verschaft?

Komt het omdat de schrijver slechts een geringe uiterlijke gelijkenis vertoont met Susan Smit?

Of omdat iemand op zo’n vergevorderde leeftijd niet meer met een romandebuut mag komen aanzetten (terwijl er toch vanuit mag worden gegaan dat bij het schrijven van een roman niet alleen talent, maar ook levenservaring van pas komt)?

Allemaal nonsens. Er is simpelweg geen reden deze roman links te laten liggen. Ik lees er een pleidooi in voor bezieling en betrokkenheid en dat vind ik mooi, maar als dit voor u geen aansporing is – dan kan ik het nog aanbevelen als gewoon een goed, smeuïg, spannend en buitengewoon vakkundig geschreven verhaal met diepgang. U kunt het blind aanschaffen. Ik sta er voor in. Geloof me, ik heb er hartstikke veel kijk op. Zorg dat er een tweede druk komt!

Reacties

Vrijheid van meningsuiting is vaak strontvervelend en bestaat dus niet op deze website. Reacties zijn welkom, maar worden door mij gewogen. Ik zie veel door de vingers, maar niet alles. Scheldpartijen worden sowieso geweerd. Seksisme en racisme uiteraard ook.




* Verplicht, email adres wordt niet gepubliceerd