kleine aaseters14

Parasitair leven – door Carl Stellweg

Hij stapt uit de metro en meteen is alles vertrouwd. Alsof hij niet jaren is weggeweest.Even gedachteloos als vroeger loopt hij door de poortjes en het tochtige halletje van het kleine treinstation waarin het metrostation uitmondt. Hij negeert de kiosk met de kinderlijke traktaties van blikjes hemels koude chocomel en moddervette gevulde koeken die hij ook als volwassene jarenlang niet kon weerstaan. Nu lukt hem dat wel, zoals hij zoveel impulsen heeft leren beteugelen – behalve de impuls van de liefde, precies de reden dat hij is teruggekeerd.

kleine aaseters15

Wat het nut is van de onderneming die hem te wachten staat? Moeilijk te zeggen. Als hij zich schuldig maakt aan nostalgie, dan gaat het om een nostalgie van een hogere orde. Hij is bereid er het nodige voor op het spel te zetten, dat in ieder geval, simpelweg omdat de tijd begint te dringen, hij is immers al bijna bejaard.

Bejaard: een woord dat nog maar weinig wordt gebruikt, juist omdat het zegt waar het op staat, de zaken niet mooier voorstelt dan ze zijn.

Hij loopt door zonder iets om zich heen met bijzondere aandacht op te merken, alsof hij evenveel reden heeft gepreoccupeerd te zijn als in de jaren dat hij hier dagelijks kwam en zich belangrijk en nuttig voelde, een maatschappelijke rol te vervullen had.

Even buiten het station ziet hij dezelfde fietsenstalling als altijd, het kleine busstation ernaast, en alles ademt verlatenheid, ondanks de drukte. Natuurlijk, iedereen maakt dat hij hier weg komt zodra de taken zijn vervuld, dit is een eiland van collectieve onverschilligheid, karakterloos, een levend bouwpakket – best mogelijk dat hij de enige ziel is die er nu het gevoel heeft dat hij thuis komt.

Over hooguit een uur zijn de straten leeg, dan is de kouwe drukte geweken voor de stilte van een kaal kantoorgebergte, en waar zal hij dan precies zijn? Is de beoogde schuilplaats werkelijk beschikbaar? Hij is op een verkenningstocht met een onzekere uitkomst. De hemel mag weten of het allemaal gaat lukken. Hij kent haar metier, ze heeft er trouwens meerdere: beklimster van pyloonbruggen, paaldanseres, om er een paar te noemen. Het metier waar het nu om gaat baart hem de meeste zorgen. Ze mag er goed in zijn, het kan altijd een keer fout lopen, het moet wel een keer fout lopen, en is het niet onvermijdelijk dat zij hem dan in haar val meesleurt? Zal hij er zich tegen verzetten? Zo ja, waarom gaat hij dan überhaupt met haar om?

kleine aaseters12

Hij passeert een viaduct waar het treinspoor overheen loopt, inspecteert vanuit een ooghoek de graffiti die er door een kunstenaar jaren geleden in opdracht van de gemeente is aangebracht, ziet dat het kunstwerk inmiddels lelijk is aangetast maar er daardoor eigenlijk niet lelijker op is geworden, werpt een blik op het talud met bosjes waar hij vroeger vaak zijn blaas heeft geleegd, hoewel een ordentelijk toilet niet meer dan vijf minuten lopen was. Misschien had hij toen al die oerdrang om uit de pas te lopen, of wilde hij een geheim met de bosjes delen door er iets achter te laten.

Hij loopt langs een blinde muur van grijs geverfde baksteen, gaat rechts de hoek om en jawel, daar staan alle kantoorgebouwen die hij van vroeger kent nog, zij aan zij, als logge schepen aangemeerd, het water geen water maar asfalt, en daartussen het gevaarte dat hem jarenlang een veilige haven bood, dat ooit stond voor een vast inkomen, collega’s, waardering, en het plezier zichzelf vrijwel dagelijks in druk te zien. De veilige haven is al jaren leeg, de veiligheid met het naderen van de oude dag verdampt. Amper genoeg geld om van te leven, geen collega’s meer, noch waardering, noch bewijzen in druk dat hij bestaat, en toch – toch is hij opgebloeid. Hij verkeert nu aan de zijde van Niemand Minder Dan Prinses Roekeloosheid. De vraag waaraan hij dit heeft verdiend, is kopje onder gegaan in de flonkerende maalstroom van bewondering, bekoring en ontroering die zijn leven uiteindelijk nog is geworden.

PhotoELF Edits: 2015:01:07 --- Updated User Comments

Hij versnelt zijn pas, en staat dan voor wat eens de burelen van zijn voormalige werkgever waren. Een dikke glazen wand met twee draaideuren, een leeg geruimde ontvangsthal daarachter. Groot, kaal, nutteloos en vagelijk onheilspellend.

Nonchalant kijkt hij om zich heen, alsof hij toevallig voor de ingang van een leeg kantoorgebouw is aangespoeld. Geen sterveling te bekennen, dus trekt hij aan de greep van een draaideur. Die geeft niet mee. Tot zijn grenzeloze opluchting laat de andere draaideur hem toe. Hij ziet dat het slot is geforceerd. Simpel. Zo doe je dat dus. Je moet die dingen gewoon weten. Hij zal dit soort dingen nooit weten.

Binnen voelt hij zich niet onmiddellijk op zijn gemak. Toch heeft hij niet het idee dat hij in overtreding is. Hij komt zijn herinneringen opeisen, heeft dus elk recht hier te zijn. Hangen er camera’s? Hoe heet zoiets, CCTV? Hoeft hij zich geen zorgen om te maken, zo is hem op het hart gedrukt. Hij gelooft er niets van en gelooft het blindelings.

Rechts op een tafel ligt een ordeloos stapeltje toetsenborden, zwerfkinderen die warmte en beschutting bij elkaar zoeken, links is de receptie met alleen nog de geesten van receptionistes, de slanke balie een perron waar geen vreemdeling meer zal stranden. Vóór hem, in de uitgestrekte ontvangsthal, het altijd al wezenloze zitje waar hij nooit iemand heeft zien zitten en dat nu zowaar een nieuwe, ondoorgrondelijke betekenis lijkt te hebben gekregen.

Hij kijkt op. Het atrium rijst boven hem uit. Een op zijn kop gezette afgrond, acht verdiepingen hoog. In het midden, als een torenend, rechthoekig geraamte, de glazen liftschacht met op elke verdieping een brug die de redactielokalen aan weerszijden van het atrium verbindt. Nu pas, na al die jaren, vindt hij dit alles architectonisch geslaagd, imposant en gerechtvaardigd.

kleine aaseters6

Een half leeg geschraapt karkas, daar bevindt hij zich in, en hij voelt zich er al met al snel thuis. Ook karkassen kunnen leven herbergen, ze krioelen er soms van. Parasitair leven, kleine aaseters, die evenveel rechten en even legitieme behoeften hebben als alle andere levensvormen, ook al worden die niet altijd erkend. Is hij, als nostalgicus, ook geen aaseter, iemand die probeert te leven van wat al lang dood en uiteengereten is?

Moeizaam en met gêne, alsof hij op zijn leeftijd nog de kwajongen moet uithangen, klimt hij over een van de poortjes die hem van de lift scheiden. Zijn knieën kraken, hij heeft zijn beste jaren nu toch echt achter zich liggen. En dan die lullige rugzak, vol lekkers en lectuur. Laptop verboden. Kaarsen en dekentjes verplicht. Is dat niet pathetisch? Never mind. Hij drukt op de liftknop. Wat dacht hij nou, natuurlijk gaan de deuren niet open. Hij is echt nog een naïeve jongen, is dat altijd gebleven, en die gedachte schenkt hem een breekbare hoop.

Er zit niets anders op dan het geraamte via zijn wervelkolom – de trap – te bestijgen. Gelukkig dat hij nog wel redelijk fit is: kwestie van die impulsen leren beteugelen. Je krijgt wat terug voor al die moeizaam aangeleerde zelfbeheersing, hoewel geen wijsheid – anders liep hij nu niet de trappen op van een gebouw waar hij niets te zoeken heeft. Heeft hij er niets te zoeken? Hij grinnikt. Wil eigenlijk schateren, voelt zich uitgelaten, vrij. Hij komt het weeskind dat zijn verleden is ophalen en een nieuw thuis geven, aan een nieuwe, jonge moeder voorstellen.

Op de vierde verdieping, waar hij altijd heeft gewerkt, staat hij stil. Niet alleen om op adem te komen, ook omdat er misschien al iets te horen valt van een medeparasiet – maar hij hoort niets. De stemmen uit het verleden, geven die dan wel thuis? Nee, dat panische circus van strebers, dat geblaf en gesnoef, die apenrotskreten: alles verstomd.

Dan klinkt er een oorverdovend, rinkelend alarm. Het stopt, en begint opnieuw. Hij klampt zich vast aan de reling, voelt een diepe rilling in zijn merg, een ijskoude klem om zijn hart, een warme raket in zijn darmen. Als het geluid definitief lijkt te zijn opgehouden, is er alleen de vernederende opluchting dat hij het niet in zijn broek heeft gedaan. Nog niet. Hij loopt snel de brug af, in westelijke richting, het gangetje in dat leidt naar de redactieruimtes, duikt daar de WC in. Hij doet de deur op slot, trekt in één beweging zijn broek en onderbroek omlaag en produceert onmiddellijk een lange, gladde, kurkdroge drol, een puntgave angstplastiek.

Hij blijft nog even zitten, met bonzend hart. De radeloosheid kruipt langs zijn broekspijpen omhoog, doet zijn geslacht krimpen. Het gerinkel klinkt nog na in zijn oren. Hij voelt zich verslagen, weerloos. Vocht hoopt zich op in zijn ogen. De naïeve oude jongen zal weldra in de kraag worden gevat. De rugzak. De dekentjes, de kaarsjes. Zijn medeparasiet. Niet gaan janken.

Dan schiet hem een zin te binnen uit een nog onverwerkt verleden: We moeten de content uitnutten langs diverse mediale kanalen. We moeten de content uitnutten langs diverse mediale kanalen. Precies ja, en als hij dat niet kon begrijpen, dan had hij zijn langste tijd bij dit bedrijf misschien wel gehad. Hij en zijn generatiegenoten hadden lang genoeg lopen fucken, zitten slapen, met hun pik zitten spelen, de belangen van de nieuwsconsument met voeten getreden. Dat nam die nieuwsconsument niet langer. We moeten de content uitnutten langs diverse mediale kanalen.

De content, tut-tut.
Uitnutten, toe maar.
Langs diverse mediale kanalen, het mocht wat.

Waar was de grote uitnutter nu? Hoe was het hem sindsdien vergaan? Welkom bij de club van afgedankten. Wat hadden de diverse mediale kanalen zoal opgeleverd? Niks, niente, nada, nitsjewo.

Dan neemt hij een besluit. Waarom is hij hier? Dat is hem nog steeds niet helemaal duidelijk. In ieder geval niet om met zijn broek op zijn enkels uit de plee te worden getrokken. In ieder geval niet om hier nóg een keer in zijn hemd te worden gezet. Wat er ook gebeurt, hij zal deze keer waardig het pand verlaten. In boeien desnoods, maar met opgeheven hoofd. En hopelijk met Niemand Minder Dan Prinses Roekeloosheid aan zijn zijde, eveneens in boeien, en daardoor rebelser, heroïscher dan ooit. Men zal ervan opkijken, van zo’n flamboyant tweetal.

Hij wil doorspoelen, maar uiteraard is het water afgesloten. Die drol van hem zal verstenen, en degene die hem uiteindelijk vindt zal er een geheimzinnige, prehistorische boodschap in lezen. Hij sluipt de WC uit, spitst zijn oren. Stilte. Een stilte die hem zegt dat hij zijn afspraakje niet te lang meer moet laten wachten. Hij loopt langs de koffieautomaat waar in de uitsparing boven het roostertje plastic bekers zijn gepropt, door drab aangevreten, een tafereel dat hem wonderlijk vertrouwd voorkomt.

kleine aaseters11

 

Hij betreedt de grote zaal die hij zo goed kent. Alle bureaus staan er nog, hier en daar ziet hij zelfs een computer. Hij inspecteert de kasten, vindt een paar vergeten krantenleggers, slaat er eentje open, bladert door de vergeelde inhoud tot hij iets van zijn gading vindt: ‘Geen enkele herinnering kan Marguérite Hélie troosten.’ Een reportage uit een Normandisch dorpje, ter ere van 50 jaar D-Day, bijna een kwart eeuw geleden door hem geschreven. Samen op de foto met een van haar illustere bevrijders, de Amerikaanse generaal Omar Bradley, dat was Marguérite Hélie’s mooiste herinnering geweest, die niet opwoog tegen het leed dat de oorlog haar had bezorgd – de gestorven dierbaren, de afgebroken studie, het gedwongen huwelijk, doorstaan in een spelonkachtig woninkje op het lamlendige Normandische platteland. Marguérite Hélie is waarschijnlijk al een tijd dood.

Dan hoort hij iets. De lokroep waarop hij heeft gewacht en gehoopt. Die hij heeft gevreesd, dat ook. Parelende zang, kwajongensachtig, al is dat niet het goede woord. Iets over een feest dat kan beginnen, want zij zijn binnen. Een carnavalswijs. Welja, je kon alles verwachten. En nu komt hij er niet meer onderuit. Hij kijkt in de richting waarin hij niet eerder heeft durven kijken, kijkt zijn noodlot in de ogen, de welkome, wonderbaarlijke ontwrichting van zijn levensavond, zijn mooiste parasiet, zijn dierbaarste kleine aaseter, en zwaait terug.

 

kleine aaseters13

Reacties

Vrijheid van meningsuiting is vaak strontvervelend en bestaat dus niet op deze website. Reacties zijn welkom, maar worden door mij gewogen. Ik zie veel door de vingers, maar niet alles. Scheldpartijen worden sowieso geweerd. Seksisme en racisme uiteraard ook.

  1. hans van den tol

    fijn carl !!

  2. Rens Groenendijk

    Prachtig verhaal Carl! Fijne pen! Bizar dat zo'n moderne kantoorkolos al jaren leegstaat. Heb er ook veel herinneringen liggen. Het ga je goed!

    • carlstellweg

      Hallo Rens, dank voor je reactie! In het gebouw zit nu de Nationale Politie, ook al geen succes. Jij ook alle goeds!




* Verplicht, email adres wordt niet gepubliceerd