Niets1

‘Niets’, of: ‘Nous sommes les invincibles’

DOOR CARL STELLWEG

Ooit, toen de wereld nog was zoals we haar kenden, bevond ik mij in Het Middle of Nowhere. Het enige echte Middle of Nowhere. Aardedonker was het om mij heen, maar boven mij zag ik grillige reuzenstrengen van flonkerend gruis.

Dit was de nachtelijke hemel boven de Pacific waar ze zo hoog over opgaven. Terecht, bleek nu. Eindelijk was ik er dan onder beland.

Ik leek een nooit voorziene eindbestemming te hebben bereikt. Mijn receptoren gingen als klaproosjes open, mijn gedachtenstromen vloeiden groots samen. Alles kwam goed, wás goed. Alles hoorde bij alles en stond in de sterrenhemel gegrift. Dus toch. Misschien was het wel het handschrift van goden dat ik boven mij zag, je kon nooit weten.

Ik was daar niet alleen, maar met een collega, en vlak vóór ons stond iets dat niet onder die sterrenhemel leek te horen, maar dat we toch moeilijk konden negeren omdat het erg groot was en we er afhankelijk van waren: ons passagiersvliegtuig. Het had iets van een gestrande walvis, al lag het niet op zijn buik de verstikkingsdood te sterven, zoals walvissen gewend zijn te doen, nee, het stond stijfjes op zijn onderstel, waardoor het er juist zo dwaas en godverlaten uitzag. Het berustte niet in het noodlot dat het hierheen had gevoerd, zoals het een oud en wijs reuzenzoogdier past om te doen, maar leek verlamd, overrompeld door wat het was overkomen, alsof het in de val was gelopen, hier in Het Middle of Nowhere.

Ondertussen stond ik een sigaret te roken en te praten met mijn collega, die van de Los Angeles Times was. Ik had hem op Tahiti leren kennen, een half etmaal geleden waren we er op dit vliegtuig gestapt.

Je moet weten dat Tahiti tweeduizend kilometer ten oosten van Het Middle of Nowhere ligt, en zeshonderd kilometer ten noordwesten van Het Verboden Eiland, en dat Het Verboden Eiland ook van Frankrijk is. Ik had gehoord dat je er heel, heel soms naartoe kon. Op de krant in Rotterdam had ik voor de grap een fax gestuurd, en een week later kwam het bericht: over twee dagen op Tahiti melden. Vanaf daar per legertoestel naar het Verboden Eiland, een dag later weer terug naar Tahiti. Graag of niet.

Mijn collega van de Los Angeles Times had ook een faxje gestuurd, for the heck of it, en stond nu dus hier met mij.

De excursie naar Het Verboden Eiland hadden we net achter de rug. Tot vervelens toe hadden we er te horen gekregen dat de wereld zich zorgen maakte om niets, dat alles op Het Verboden eiland in orde was, wat we niet geloofden, omdat het ons vak was niets te geloven.

Wat hadden we gezien op Het Verboden Eiland, wat hadden we er opgestoken? Niets.

Terug op Tahiti vertelden we dit onze hoofdredacties, die ons woedend de opdracht gaven onmiddellijk door te reizen naar Australië, waar ze nog steeds erg verontwaardigd waren over die Fransen met hun Verboden Eiland en zich grote zorgen bleven maken over al die onduidelijke activiteit op dat Verboden Eiland.

En zo namen we afscheid van Tahiti.
Tahiti met zijn ontzaglijke onweerswolken.
Tahiti met zijn slinkse rukwinden.
Tahiti met zijn door nevelen omkranste vulkanische pieken.
Tahiti met zijn sinistere zwarte stranden.
En Tahiti met zijn sinistere relatie met het Verboden Eiland. Waarover we graag wat meer hadden willen weten.

Tahiti was misschien wel het echte Verboden Eiland. Het eiland van de slachtoffers van Het Verboden Eiland.

Niets2

Maar goed, we moesten naar Sydney. Tussenstop: Het Middle of Nowhere.

De naam van mijn collega ben ik vergeten, maar niet zijn gewoonte een zin te eindigen met: ‘That’s interesting’, of :‘Isn’t that interesting?’ Alsof hij een nieuwsgierig jongetje was gebleven, deze vriendelijke, al wat oudere, dikke, kortademige man die al vele jaren zijn onhandige lichaam over de wereld sleepte, ter wille van de Los Angeles Times en van zijn kinderlijke nieuwsgierigheid.

Dus toen wij vlak voor ons gestrande vliegtuig een korte maar exclusieve in-the-middle-of nowhere-ervaring  ondergingen, zal hij iets tegen me hebben gezegd in de trant van: ‘Stel je voor. Dit is een internationaal vliegveld. Isn’t that interesting?’

En ik zal bevestigend hebben geknikt. Want dat was het. Interesting.

Behalve uit één landingsbaan bestond het internationale vliegveld uit een controletoren van twee verdiepingen en een schuur met een dak van plaggen die de passagiersterminal bleek te zijn. We waren er doorheen gelopen, hadden onze paspoorten afgegeven aan een kleine, donkere, kroesharige man in een eenvoudig uniform van wie we mochten doorlopen.

Doorlopen naar wat? Naar aardedonker, doodstil platteland. Een stukje weg, slordig geasfalteerd. De contouren van een palmboom. Geen geluid. Geen geschuifel of geritsel van nachtdiertjes. Geen diertjes. Niets.

Ik voelde me wonderlijk vredig, en in het onverschillige duister meende ik eenzelfde stemming te kunnen aflezen van het kogelronde gezicht naast me, bespeurde ik zelfs een gevoel dat van mij naar hem ging en weer terug naar mij of andersom. Een geluksgevoel dat ons omstrengelde, verlegen maakte, het onverschillige duister minder onverschillig maakte.

We maakten snel rechtsomkeert, vroegen onze paspoorten terug, rookten een laatste sigaret, en toen was het tijd om weer aan boord te gaan.

Brullend hervond het toestel zijn bestaansreden. We waren nu de enige passagiers. Eerder hadden we een oud echtpaar zien uitstappen: kleine, donkere, kroesharige mensen met grote, propvolle plastic tassen bij zich.

Ze waren nergens meer te bekennen. Opgelost in het aardedonkere, doodstille platteland waar ze hoorden. Ze waren de enige reden dat het vliegtuig op die internationale luchthaven in Het Middle of Nowhere was geland.

Een stewardess bood ons een glas champagne aan. Ze ging op de rand van een stoel zitten en schonk zichzelf ook in. Er kwam een tweede stewardess bij. Het waren Françaises.

We klonken. Kletsten. Lachten. Barrières werden geslecht, rollen vervaagden. We schonken nog eens bij, stelden vast dat dit très agréable was, speelden tric-trac en yahtzee, memory en mexicaantje, leerden elkaar volksdansjes uit onze kinderjaren, wisselden recepten uit, filosofeerden onbevangen over de pre-kosmologische eerste oorzaak, speculeerden ongeremd over het cyclische tijdsbegrip van de Navajo-Hopi-indianen, staken onbeschaamd de draak met de anticyclische begrotingstheorie van John Maynard Keynes, deden elkaars kleren binnenstebuiten aan, zongen Schotse zeemansliederen, speelden een handbaltoernooitje met een reddingsvest als bal, ontkurkten nog wat champagne, en dat alles in onze supersonische speelzolder hoog boven de Pacific, onder de sterren.

Natuurlijk, de stewardessen waren erin getraind om zich als ‘one of the boys’ te gedragen. Om naar behoefte te delen in de internationale gelegenheidskameraadschap van gewichtige mannen onderweg. Want zulke mannen zijn soms erg eenzaam. Stewardessen soms misschien ook, maar dat doet voor hun training niet ter zake.

Niets3

En voordat je nu van alles gaat denken: ik probeer het alleen te vertellen zoals het ooit was. Zoals het was voordat het C-woord ieders leven ging beheersen. Voordat de gerobotiseerde testbrigades, de verplichte biometrische armbanden, en de spuug- en likbendes ons bestaan binnendrongen. En voordat het ineens veel warmer en droger werd en de zee daardoor juist een heel stuk omhoog kwam. Voordat het duidelijk werd dat de wereld zoals wij die altijd gekend hadden bezig was voor onze ogen te verdwijnen, om plaats te maken voor een wereld waarvan we niets begrepen, die geen prijs leek te stellen op ons begrijpen, die scheen te willen zeggen: jullie hebben gegokt en verloren.

Op zeker moment vertelde mijn collega van de Los Angeles Times dat we zo dadelijk over de datumgrens zouden vliegen en het dan ineens 24 uur later was.

Dat deed er niets toe, en toch was het weer god almighty interesting.

En toen het zo ver was, en de kwajongensachtige gezagvoerder dit zelfs voor zíjn doen op een erg jolige toon liet weten omdat ook hij flink van de champagne had gesnoept, tuurden we met z’n allen joelend als schoolkinderen door hetzelfde vliegtuigraam, wijd-ogig, wang aan wang en met de armen achteloos over elkaar geslagen, en wees ieder van ons aan waar hij of zij die datumgrens daar ver beneden over de pikdonkere Pacific zag lopen.

Daarop bedacht ik me hoe vreemd het eigenlijk was dat ik een week ervoor nog geen idee had van de hele verre reis die ik ging maken en de mensen die ik zou ontmoeten. Maar ik was nog jong, mijn koffer was snel gepakt. Wie nu jong is heeft weinig aan een koffer. Je gaat niet zo snel weg als je weet dat je misschien niet terug kunt vanwege alweer een uitbraak, alweer een orkaan, alweer een vloedgolf, alweer een coup, of alweer iets dat je nooit te horen zult krijgen.

Plotseling begon het vliegtuig te schudden alsof het door hevige krampen in zijn onderlijf werd bevangen, en vloog de handbagage uit de compartimenten, vielen onze champagneglazen op de grond, vielen we zelf op de grond, maar gelukkig waren de glazen van plastic en wij dronken en slap, waardoor we zacht terecht kwamen.

Dit was een andere welbekende eigenschap van de luchten boven de Pacific, naast dat bevallige getwinkel van al die sterren: de bandeloze razernij waarin ze af en toe ontstaken.

Ik klampte me vast aan een van de stewardessen, zoals ik me ooit op de kermis aan mijn oudere zus had vastgeklampt, toen we opgesloten zaten in een donkere wildenwagen op wankele, golvende rails die de ‘rups’ heette en maar bleef voortrazen, wel vijf minuten lang.

Niets5

‘J’ai peur,’ fluisterde ik de stewardess toe. ‘Moi aussi,’ fluisterde ze terug, en dat was vast geen antwoord waarin ze was getraind. Net zo min als haar glimlach dat was, een glimlach die de indruk wekte dat ze ergere manieren om dood te gaan kon bedenken dan met een gewichtige man onderweg aan haar boezem en in haar armen, boven de Pacific.

We landden veilig in Sydney. De stewardess in wier armen ik dus even dacht te zullen sterven, gaf ik een kletsende high-five. De andere stewardess, met wie ik een ijzersterke tandem had gevormd in het handbaltoernooitje met een reddingsvest als bal, gaf míj er een. ‘Nous sommes les invincibles!’ riep ze erbij.

De gezagvoerder en ik stortten ons in een korte maar welgemeende hug. ‘Thanks mate,’ zei hij, en toen begreep ik dat hij een Australiër was, maar niet waarvoor hij mij bedankte.

We wisten dat we elkaar nooit meer zouden terugzien en nooit helemaal zouden vergeten. Hoe nam je dan afscheid? Dát wisten we niet.

Met de collega van de Los Angeles Times reed ik in een taxi naar het centrum van Sydney. Voor de vorm bespraken we de kans dat Het Verboden Eiland zou ontploffen en over de wereld zou worden uitgestrooid door de schuld van die Fransen met hun fratsen, maar wat interesseerde Het Verboden Eiland ons eigenlijk? Niets. Wat er nu in ons hoofd zat en er nooit meer helemaal uit zou weggaan was Het Middle of Nowhere. Het Middle of Nowhere was alles wat Het Verboden Eiland niet was, maar wat konden we erover schrijven? Alweer: niets. Het was niet meer dan een heel klein eiland met een heel klein internationaal vliegveld, omgeven door het grote niets.

Ik kan me niet herinneren hoe ik mijn collega van de Los Angeles Times uit het oog verloor in Australië, maar Australië is groot. Ik sprak er mensen die zwoeren dat ze nooit meer kikkerbillen, slakken en stokbrood zouden eten, wat ik benepen vond voor zo’n groot land.

Weer thuis hoorde ik dat de Franse ambassade mijn reportage over het Verboden Eiland ‘amusant maar inaccuraat’ had gevonden. De hoofdredactie klaagde dat mijn reis twintigduizend gulden had gekost. Waarop ik zei dat de schoonheid van de sterrenhemel aldaar niet in geld was uit te drukken.

Wat de hoofdredactie daarop had terug te zeggen? Wat dacht je? Niets!

Maar wat ik zelf de hele tijd al zeggen wilde, waar het op neerkomt, wat me op de been houdt, is dit.

Ik heb het idee dat ‘wij’, de mondiale mensenfamilie bedoel ik, het verlies aan de stijgende zeespiegel van cruciale kustgebieden als Miami, New York, Sjanghai, driekwart van Nederland en de helft van Bangladesh nog wel te boven kunnen komen; en ook dat de hardnekkigste reeks pandemieën ons nog niet kan wegvagen; maar dat Het Middle of Nowhere tot elke prijs behouden moet blijven. Tot elke prijs.

Ik stel me zo voor dat wanneer het water mij aan de lippen is komen te staan, ik zal denken: genoeg zo. Ik ben er klaar mee. En dan hoop ik de moed te kunnen opbrengen om alle voorschriften te trotseren en op weg te gaan: per benenwagen, fiets, trein, trolley, truck, tuk-tuk, riksja, laadbak, kameel, veerboot, prauw, vlot, boomstronk, whatever.

Ik zal mijn biometrische armband afwerpen en mijn uiterste best doen om uit handen te blijven van de gerobotiseerde testbrigades die vanaf dat moment jacht op mij zullen maken met hun gekartelde grijparmen. En ook voor de spuug- en likbendes met hun manshoge speekselkanonnen en mechanische tongen zal ik oppassen, maar dat doe ik natuurlijk altijd al.

Niets6

Voortgedreven door een koorts, aangestoken door een verlangen dat ik zelf maar half zal begrijpen, zal ik me na al die jaren hopelijk weer kunnen voegen bij mijn kameraden van weleer, die het water waarschijnlijk ook aan de lippen was komen te staan en ook op weg waren gegaan naar die ene plek waarvan zeer weinigen op de hoogte zijn.

Ze zullen misschien moeite hebben me te herkennen. En dat zal misschien wederzijds zijn. Ze zullen er anders uitzien, de twee Franse stewardessen, de dikke verslaggever, en de kwajongensachtige gezagvoerder. En dat niet alleen vanwege alle tussenliggende jaren. Ze zullen al hun dierbaren en bezittingen kwijt zijn geraakt, net als ik.

Maar alles zal zijn zoals het zijn moet, zoals het nu eenmaal gelopen is en wel moest lopen. Wij zullen er nog zijn, levend en wel, en alles wat we zullen vragen, een tikje weemoedig maar eensgezind, is niets.

Reacties

Vrijheid van meningsuiting is vaak strontvervelend en bestaat dus niet op deze website. Reacties zijn welkom, maar worden door mij gewogen. Ik zie veel door de vingers, maar niet alles. Scheldpartijen worden sowieso geweerd. Seksisme en racisme uiteraard ook.




* Verplicht, email adres wordt niet gepubliceerd