S

Laat hij zich kenbaar maken

DOOR CARL STELLWEG

Hoewel de kroeg al mijn hele volwassen leven lang mijn tweede thuis is, is het niet mijn gewoonte om me er op maandagen te vertonen. ‘Een stukje verslavingsmanagement’ noemde ik dat ooit met enige trots, al dan niet misplaatst. Wat dreef mij er dan toe die ene herfstige maandagavond, vele jaren geleden, wel een kroeg binnen te stappen?

Misschien was het de lucht, die er sprookjesachtig uitzag toen ik het kantoor verliet waar ik af en toe wat uitvoerde: gedrenkt in een fluorescerend, diephelder blauw. Opvallende natuurverschijnselen brengen me niet zelden in een feeststemming, en feeststemmingen hebben met rouwstemmingen gemeen dat je ze in de kroeg kunt botvieren.

Misschien had het ermee te maken dat ik die dag voor het eerst in tijden nuttig had gewerkt, waardoor ik geen last had van de zeurende neerslachtigheid die me op andere maandagen naar mijn troosteloze/troostrijke tweekamerflat joegen.

Hoe dan ook, het was maandagavond en mijn hoofd stond niet naar verslavingsmanagement, ik was niet neerslachtig, misschien niet eens verslaafd, misschien wel een nuttig lid van de samenleving, en in dat geval had ik recht op een biertje na gedane arbeid. Of twee biertjes. Of tig.

Zin in het café waar ik dit biertje kon krijgen, had ik eigenlijk niet, maar in het afgelegen kantoorreservaat waar mijn werkgever had verkozen zich te vestigen, waren aantrekkelijke drankgelegenheden niet ruim voorhanden.

Het café lag voor een monsterlijk groot, overdekt winkelcentrum, dat er als een vijandige tafelberg bovenuit rees. De zaak leek daardoor op een laatste pleisterplaats voor de reiziger die op het punt stond aan een riskante expeditie te beginnen, of op een welkomsthaven voor de geluksvogel die een dergelijke expeditie tot een goed einde had gebracht.

Bij binnenkomst was het weer even wennen aan de sanseveria’s die als rechtopstaande kromzwaarden de vensterbank bezetten, de schemerlampen met linnen kapjes en de muren van kneuterig metselwerk waaraan allerlei koperen, Oudhollandse gebruiksvoorwerpen ter decoratie en lering waren bevestigd, zoals de in dit verband onmisbare bedpan. Toch ben ik geen snob.

De barjuffrouw van dienst was bijzonder slank en wilde daarvoor uitkomen ook, gezien haar felgekleurde kruippakje met kolossaal ceintuur, dat ten gevolge van overcapaciteit tot om haar lendenen was afgezakt.

Laat hij zich kenbaar maken7

Haar geurig bespoten kapsel had een metaalachtige glans, als van koperdraad, en haar gezicht was ingesmeerd met een bruinig oranje pasta, waardoor het een indruk wekte van geboetseerde levenloosheid. Wonderlijk was ook haar lichtroze lippenstift, die de lippen niet accentueerde maar juist onzichtbaar maakte. Duidelijk zichtbaar waren daarentegen haar kaarsrechte, smetteloze tanden.

Ze schonk me haar smetteloze, liploze glimlach, waarop ik enigszins op mijn hoede vroeg om een biertje.

Gezeten aan de veel te onberispelijk glimmende, mahoniehouten bar, liet ik me door de zoete achtergrondmuziek – Richard Claydermann, Jan Vayne  – een stemming aansmeren van aangename, kleinburgerlijke weemoed.

Nu merkte ik pas de enige andere klant op: een man die enkele krukken verder van mij zat, met een a-modieus ponykapsel en een snor die te zwaar leek voor zijn wat kinderlijke gezicht.

Ik schatte hem van mijn leeftijd, begin dertig. Hij zou volkomen oninteressant zijn geweest, als hij geen biertjes zat te drinken met de zwijgzame verbetenheid van een beroepsdrinker. Weldra zou hij mij aanspreken, dat zei mijn kroeginstinct. Onverschillig wachtte ik af.

Precies zoals ik had voorzien bood hij mij, na zijn derde biertje in mijn aanwezigheid te hebben ingenomen – ik was nog met mijn eerste bezig – iets te drinken aan. Terwijl de barjuffrouw op delicate wijze twee pilsjes tapte, vroeg hij mij of ik hier v-vaker k-kwam.

Ach, een stotteraar. Heel af en toe, zei ik.

W-werkte ik hier in de buurt?

Ik hield het bij een bevestigende knik.

Hij zei dat hij in het kantoor schuin tegenover het mijne werkte, en stelde dat het prettig was na ge-gedane arbeid een biertje te drinken en van ge-gedachten te wisselen.

‘Er is hier niet veel keus’, zei ik, een steelse blik op de barjuffrouw werpend, terwijl ik eerder op hem doelde.

Aan het eind van het winkelcentrum, wist hij, was ook een bar, maar die was meer voor volksmensen. Er klonk milde afkeuring door in zijn stem. Tussen haakjes, hij heette R-Ron. Ron van de M-Munnik.

Ik noemde alleen mijn voornaam. Ik begon aan zijn gestotter te wennen, maar toch viel er een stilte, die ik verbrak door met hem te proosten. Zijn glas was alweer halfleeg en ik besloot uit solidariteit tot een forse slok, die mij zowaar deugd deed.

Laat hij zich kenbaar maken6

Nu vroeg hij van wat voor muziek ik hield. Misschien zocht hij de kortste weg naar mijn zielenleven, maar zo’n weg was er niet. Ik besloot tijdig naar huis te gaan. Terwijl ik dit overdacht, werd er naast mijn halflege bierglas een vol neergezet, want Ron had weer besteld.

Ach, klassiek of pop, het was me om het even, had ik geantwoord.

O, hij hield ook van klassiek. Laurens van Royen, Jan Vayne… lekker wegdromen. Hij maakte een vloeiend gebaar, als van zacht kabbelende golfjes. Ik zag nu in dat hij inderdaad te fijnbesnaard was om zich tussen volksmensen te begeven.

Lekker wegdromen met een lekker wijf op de bank, verduidelijkte hij. En hij voegde er meteen aan toe: Ben je getrouwd? Of woon je samen?

Geen van beide, zei ik gehaast. Geen van beide. Niet meer.

Hij grijnsde, nam een stevige slok en schoof zijn kruk iets in mijn richting. De barjuffrouw had zich in de verste hoek achter de bar opgesteld, als een eenzame erotische kerstboom.

Hij was zelf nog niet zo lang vrijgezel, vertelde hij. Dat mokkel waarmee hij samenwoonde, dat ging dus niet meer, en dat was warempel niet zijn schuld. Was hij nou elke avond op stap ge-geweest – maar hij mocht helemaal n-niet meer de d-deur uit. Hij zei: lui-luister pop, ik ben een man, geen ka-kanarie in een kooi.

Hij verwachtte waarschijnlijk dat ik hem op mijn beurt zou onthullen hoe ik vrijgezel was geworden, maar dat was onmogelijk.

Het is geven en nemen, zei ik, terwijl ik gebaarde dat onze glazen moesten worden bijgevuld. Ook wilde ik afrekenen, maar de barjuffrouw had me al haar rug toegekeerd. Ik besloot nog even te blijven. Wat een kleinigheid als de ranke rug van een barjuffrouw toch kan aanrichten bij hulpeloze maar zeker niet schuldeloze zielen als ik.

Geven en nemen, ja ja, herhaalde Ron. Hij vond het maar raar, zoals mensen konden verbergen hoe ze werkelijk waren, en hoe je daar soms achter kwam. Hij verdiende drieduizend gulden, zij had alleen een uitkering. Hoeveel verdiende ik?

Discretie was niet aan hem besteed, en eerlijk gezegd beviel me dat wel aan hem.

Ik noemde een bedrag dat iets hoger lag dan ik werkelijk opstreek, maar nog steeds lager dan drieduizend gulden.

Dat verbaasde hem. Zo weinig. Ik leek hem een verstandig iemand.

Ik zei dat ik mettertijd hoopte ‘op te klimmen’.  Wat had ik vóór die baan dan gedaan? Gereisd, zei ik, veel gereisd. Hij vertelde dat hij in Canada was geboren. Wel eens geweest? Canada stond nog op mijn ‘lijstje’, improviseerde ik. Hij kreeg niet veel uit me los, maar leek dat niet erg te vinden of niet eens te merken.

Maar goed, hij had het dus over dat ene mokkel. Zij liep in de bijstand, hij had drie ruggen. Maar ik mocht raden wat hij haar voorstelde.

Een vragende blik. Ik keek vragend terug. Hopelijk ging dit relaas niet te lang duren.

Hij zei: weet je wat, moppie? We gooien alles op een hoop. Zo z-zat hij namelijk in elkaar. Nou, maar nu mocht ik haar re-, haar reactie eens raden.

‘Zeg het maar, Ron’, zei ik, met een begin van irritatie. ‘Wat was haar reactie?

Nou, kijk. Zij bracht een ste-stereo mee, oud beessie van haar ouwelui, maar ze zei: denk maar niet dat je daar zomaar an mag komme. Volksmeid, precies. Die stereo mag alleen door mijn worden bediend. Die arme Ron die mocht het huis niet eens uit en mocht niet aan haar spullen komme, Ron m-mocht kennelijk alleen d-dokken. Dus toen hij er echt de ba-, de ba-, de ba-, godverdomme, toen zei hij dus op zekere dag: luister meid, ik laat jou in jouw waarde, jij laat mij in mijn w-waarde, maar Ron, die is dus mooi pleite. Ron, die gaat dus weer lekker op zichzelf wo-wonen. Ron, die laat zich dus echt door geen enkel wijf een b-beetje pie-pie-piepelen.

Huilen natuurlijk, maar Ron zei: huilen komt voor jou te laat mop.

Het is geven en nemen, zei ik maar weer. En als dat niet kon, nou ja, dan niet. Ik was op dreef, die avond, wat u zegt. En ik had geen zin om nog veel meer van dit gewauwel aan te horen.

Ron liet onze glazen weer vullen en vroeg hoe dat bij mij was gegaan.

Het was niet haar schuld geweest, antwoordde ik min of meer naar waarheid, en liet het daarbij. We proostten.

Ron vertrouwde mij toe eerder re-relaties te hebben gehad. Werkelijk? Stop de persen. Zijn ogen werden vochtig. Hij keek me even doordringend aan, begon hoofdschuddend te mompelen dat hij ook eigenlijk stom was om het te gaan vertellen.

Ik spitste mijn oren. En voor ik het wist, zei ik: vertel.

Hij zuchtte.  Vooruit dan.

Een paar jaar geleden zat Ron in militaire dienst. Maar in het weekend kelnerde hij in de Buffalo Bill. Kende ik die zaak? Het was een eetcafé met een wildwest-concept. Gaaf, trouwens. Hij had een meisje, Ron. Sylvia, lief, lekker ding. Had er ambitieuze plannen mee: trouwen, paar leuke kids, samen oud worden, gewoon, dat soort dingen. De ultieme dingen.

Op dat moment in het verhaal nam Ron een ferme teug. De vermoeide ogen van de barjuffrouw bleven even op ons rusten. Nog steeds geen nieuwe klanten te bekennen. Buiten was het nu stikdonker.

Ron werkte op zekere zondagmiddag in de Buffalo Bill. Sylvia zou hem na werktijd komen ophalen, voor een avondje televisie bij haar ouders. Vroeger ging Ron uit als een beest, maar gek, sinds hij Sylvia kende, had hij daar dus geen behoefte meer aan. En met haar ouders kon hij lezen en schrijven. Dat waren geweldige mensen, die hem als een zoon behandelden. Doen ze trouwens nog steeds.

Ineens was er lawaai op straat. Een klap, even niets, en daarop geschreeuw alom. Iedereen stond voor het raam: Ron, kom kijken, een ongeluk. Maar hij was bijna afgewerkt en Sylvia zou zo komen. Hij hoorde een ambulance loeien, maar Ron ging onverstoorbaar door met glazen spoelen, tap schoonmaken, dat soort dingen. Sylvia kon er elk moment zijn. Daarop was hij gespitst. Hij leefde nu eenmaal voor die avondjes televisie met haar en haar ouders. Die waren zijn paradijselijke voorland. Zo formuleerde Ron het niet helemaal, maar daar kwam het op neer.

Nadat hij was afgewerkt, rond een uur of zes, bleef hij op Sylvia wachten. Ze kwam maar niet, terwijl ze meestal heel punctueel was. Hij belde haar ouders, kreeg geen gehoor. Toen werd er voor hem gebeld. Sylvia’s ouders. Hun dochter lag in het ziekenhuis. In kritieke toestand, aangereden bij het oversteken, op weg naar hem.

Ron natuurlijk halsoverkop naar het ziekenhuis, maar toen hij aankwam, was Sylvia al gestorven. Aan haar verwondingen be-bezweken. Schedelbasisfractuur, inwendige bloedingen: ze had geen schijn van kans gehad. Het lag niet eens aan de kracht van de klap, maar aan hoe ze was neergekomen: ze was ondersteboven gekegeld en met haar hoofd keihard op het wegdek beland. Twintig jaar oud, arm kind.

Laat hij zich kenbaar maken

Wat vreselijk Ron, zei ik. Ik staarde naar de Oudhollandse bedpan.

De persoon die het had gedaan duidde Ron aan als ‘die vent’, want al leek Ron niet per se iemand met een groot vertrouwen in vrouwen achter het stuur, hij achtte het uitgesloten dat de dader een vrouw was.

‘Die vent’ dus, was Sylvia volgens ooggetuigen iets te snel genaderd, en had na de botsing plankgas gegeven. Niemand had het kenteken kunnen noteren. En hij had zich dus ook nooit gemeld.  En dat laatste, dat vond Ron heel erg. Ron achtte het van essentieel belang dat hij zich alsnog kenbaar zou maken, die vent. Hij had het toch niet expres gedaan? Ron en Sylvia’s ouders wilden hem alleen ontmoeten. Ze hoefden geen spijtbetuigingen, geen blijk van berouw. Ze hoefden eigenlijk niets van hem. Ze wilden een naam en een gezicht bij hem, dat was alles. Nadat hij zich had voorgesteld, kon hij gewoon weer gaan. Dan hadden Sylvia’s ouders voor eens en altijd kunnen vaststellen dat hij geen enkele betekenis had, hij net zo goed iemand anders had kunnen zijn, en dat dus ook Sylvia’s dood geen enkele betekenis had, dat er in haar plaats evengoed iemand anders had kunnen sterven. Juist die wetenschap zou troost schenken. De wetenschap dat het lot altijd volkomen rechtvaardig is. Dat het lot niets tegen hen en Sylvia had, geen vooroordeel kende, het niet persoonlijk had bedoeld.

Ik zei, met een hartstocht die mijzelf verbaasde: ‘Maar hij is niet zomaar iemand, Ron. Hij is een individu, een dader. Hij is schuldig. Hij wist, of had moeten weten, waartoe onoplettendheid in het verkeer kan leiden.’

Ron zuchtte. Natuurlijk, zei hij, is oplettendheid in het verkeer hartstikke belangrijk. Maar je hebt er nou eenmaal niet altijd helemaal je hoofd bij. Dat is onvermijdelijk. Meestal heb je mazzel, gebeurt er niks. Een enkele keer gebeurt er iets heel ergs. Misschien had Sylvia ook niet goed opgelet. Misschien hadden ze allebei hun hoofd er niet helemaal bij gehad, toen hij iets te snel kwam aanrijden en zij, wellicht in beslag genomen door liefdevolle gedachten aan Ron, de straat overstak zonder goed te kijken. Misschien, misschien. OK, hij had een beetje te hard gereden, maar iedereen deed dat wel eens – ja toch, niet dan? Wat hem en Sylvia was overkomen, had  iedereen kunnen overkomen. Het was toeval.

Nee Ron, zei ik, dat is te gemakkelijk. Het ging niet om toeval, maar om oorzaak en gevolg. Oorzaak: onoplettendheid. Gevolg: de dood. Conclusie: dood door schuld.

Ron schudde zijn hoofd. Oorzaak en gevolg, wat moet je ermee. Elke oorzaak was ook weer een gevolg en waar het begon wist niemand en kon niemand ooit weten. Nee, Het ging niet om schuld, maar om verantwoordelijkheid. Die vent werd pas dader toen hij met het gaspedaal diep ingedrukt doorreed. Dat was het ontlopen van verantwoordelijkheid, en daarin lag pas schuld.

Maar kon hij zich nog kenbaar maken, na zoveel jaren? vroeg ik.

Ron haalde zijn schouders op. Laat was in dit geval nooit te laat. Of die vent zat er niet mee, of hij was zelf dood, of hij had nog steeds wroeging. In dat laatste geval kon hij alleen vrede vinden en de nabestaanden vrede schenken, de tijd weer aan het tikken krijgen, door zich alsnog kenbaar te maken. Hij kon het doorrijden nog altijd ongedaan maken, hij kon alsnog terugkeren naar dat fatale ogenblik van volmaakte onschuld waarop zijn auto Sylvia raakte – het moment dat alle beetjes mazzel van anderen zich bundelden tot Sylvia’s en zijn pech.

Ik keek naar de ingang van het café. Nog steeds geen nieuwe klanten in aantocht. Ik verplaatste mijn blik maar weer naar de bedpan.

Ron was nog niet klaar. Hij vertelde hoe hij troost zocht in de drank. Hij kreeg wijze raad van jan en alleman. Pas op voor wijze raad van jan en alleman. Ron, dit is toch geen leven, zet jezelf er overheen man, dat gelul. Dan werd Ron dus boos. Dan zei hij: joh, ga jij effe een paar krukken verder zitten, maar niet hier. Dat weet Ron beter dan wie ook, dat hij zich er overheen moet zetten. Waarop veel wijze raadgevers riepen dat hij voortaan kon doodvallen, als hij niet wilde luisteren.

‘Aan wijze raad heb je niets in zo’n situatie’, beaamde ik vroom.

Ron knikte waarderend. Ik begreep het tenminste, en we namen er nog een.

‘Ik bestel wel’, zei ik, want minder dan wat ook ter wereld wilde ik Ron ontrieven.

Nou, op Sylvia dan, zei Ron. Ik dacht dat het verhaal nu was afgelopen. Maar nee. Op Sylvia’s sterfdag, hervatte hij, ging hij altijd bij haar ouders eten. Soms vloeiden er tranen. Dat was dus niets om je eigen voor te schamen. En elke maand legden ze samen een bloemetje op haar graf. Wilde ik weten wat hij dan zei? Natuurlijk wilde ik dat weten. Dan zei hij: Sylvia, meisje. Ik hou van jou. Ik hou van jou, maar jij bent er niet meer.

En nu zweeg Ron.

Ik vroeg waar ze begraven lag. Begraafplaats Crooswijk, zei Ron zonder aarzeling, zonder te vragen waarom ik dat eigenlijk wilde weten. Tja, waarom wilde ik dat weten? Het was in ieder geval niet ver van mijn tweekamerflat. Zou ik haar zerk proberen te vinden, er ook een aardigheidje neerleggen?

Ik zei dat ik op huis aan moest. Ik had ’m aardig om, maar was tegelijk volkomen nuchter. Het was leuk met hem gesproken te hebben, verzekerde ik hem, al was het geen leuk gespreksonderwerp.

Het was g-goed om erover te praten, vond Ron, met iemand die dus niet aan kwam zetten met wij-wijze raad. Hij stak me zijn hand toe, die ik na enige aarzeling aannam, terwijl de bedpan me bleef biologeren.

‘We zien elkaar nog wel, Ron’, zei ik zacht. ‘Het beste verder.’

Hij stak zijn duim op.

Ik rekende snel af. De barjuffrouw had toch wel een mooie glimlach, maar daar schoot ik niets meer mee op.

Het dichtstbijzijnde metrostation was bovengronds. Ik besloot er niet in de open lucht naartoe te lopen, maar door het verlaten winkelcentrum, evenwijdig aan de metrobaan. Ik wilde onopgemerkt blijven.

Ik beklom de roltrap naar de donkere toegangspoort, liep door de gangen van het holle complex, langs de onverlichte winkelruiten met hun spookachtige etalagepoppen.

Ik keek naar mijn spiegelbeeld in de winkelruiten, terwijl ik mij haastig voort repte, een haastige schim die zichzelf in het voorbijgaan bangelijk, of zeg maar gerust in een soort doodsangst toegrijnsde.

Maar dat kon Ron van de M-Munnik gelukkig niet zien.

Reacties

Vrijheid van meningsuiting is vaak strontvervelend en bestaat dus niet op deze website. Reacties zijn welkom, maar worden door mij gewogen. Ik zie veel door de vingers, maar niet alles. Scheldpartijen worden sowieso geweerd. Seksisme en racisme uiteraard ook.




* Verplicht, email adres wordt niet gepubliceerd