circusvorstin9

Ieders kameraad

DOOR CARL STELLWEG

Niets had mij kunnen voorbereiden op de komst van mijn kameraad, die nazomeravond die ik lang geleden met twee studievrienden doorbracht in Café de Zijsprong in een Brabantse stad. Wie dat dan is, die kameraad? Wat een vraag. Hij is mijn wil, mijn merg, hij is degene die mij dwingt tot daden. Hij is ieders kameraad. Maar die avond, en dan vooral toen ik mij bevend in het rommelhok van Café de Zijsprong had verschanst, liet hij voor het eerst merken ook míjn kameraad te zijn.

Eigenlijk was De Zijsprong in mijn ogen een twijfelachtige gelegenheid, een vergeetput voor gesjochten. Mijn vrienden dachten daar anders over. De reden stond twaalf uur per dag achter de tap en heette José: een forse alleenstaande vrouw van achter in de veertig, niet smaakvol maar wel verzorgd gekleed, met opzichtige armbanden aan haar monumentale polsen, als van een heidense hogepriesteres, een vervaarlijke hoerenmadam. Een tong zo scherp als een scalpel, maar ook een geknecht moederhart – en precies dat laatste was wat mijn twee vrienden aantrok. Met hun achttien jaar waren ze een paar jaar jonger dan ik en net op eigen benen in een vreemde stad. Dus zorgde José voor plaatsvervangende nestwarmte, en ze aanvaardde deze rol met dankbare vanzelfsprekendheid.

Hoe kon ik weten wat mijn hogepriesteres voor mij ging betekenen? Het was niet vanwege haar dat ook ik in de Zijsprong kwam. Het was vanwege de ‘sociale vaardigheden’ die ik net zo min als mijn vrienden bezat, waardoor wij ons niet onbekommerd in het verplichte feestgedruis van studentenintroductiedagen konden storten. Zodoende hadden we de boot gemist en elkaar paradoxaal genoeg gevonden in de Zijsprong, waar geen andere studenten dan wij kwamen.

De vergeetput voor gesjochten was onze vluchtplaats. Totdat, die nazomeravond, de vier mannen binnenkwamen. In hun kielzog, onzichtbaar, mijn kameraad. Die zich ook in mij ging roeren. Want hij kan gelijktijdig in mij en buiten mij bestaan. Als een stem zonder lichaam die in mijn oor begon te lispelen. Aangezien de toon niet erg aangenaam was, verkoos ik aanvankelijk niet te luisteren.

Twee van de mannen heetten Jan en Sjef. Jan: gegroefde karakterkop, het geföhnde kapsel van een ouderwetse schlagerzanger, een witte coltrui waar een gouden kettinkje zich af en toe overheen worstelde als een drenkeling. Sjef:  een imposante verschijning, met ietwat sullig opgetrokken schouders, dat wel. Haar dat in vette slierten over zijn voorhoofd en kraag hing. Machtige, ongeschoren kaken die er dreigend uitzagen, maar waar zijn gulle lach tegenover stond.

De twee anderen – een armoedige verschijning die op een gespannen manier afzijdig bleef en zich beperkte tot spa, en een kleine baardmans die ik nooit zou vergeten – gedroegen zich een stuk rustiger.

Meer klanten dan ons vijven waren er niet in De Zijsprong. Jan voerde het hoogste woord en had in Sjef een dankbaar klankbord. Hebbelijkheden van stamgasten passeerden de revue, met honend commentaar. Verzachtende kanttekeningen van baardmans gingen resoluut van tafel. Vervolgens werd José’s lof geprezen. Onvervangbaar, rots in de branding, tof weifke – Jan greep telkens haar handen om er smakkende zoenen op af te leveren.

De tap bleef stromen, de stemming steeg. Potdomme, werd het nog gezellig ook. Vooral Sjef was kwistig met rondjes, en mijn vrienden en ik werden niet over het hoofd gezien. Wanneer wij het glas op hem hieven, kneep hij zijn ogen dicht en zei tot onze blijdschap, met zijn hoge, hese stem: ‘Prut, mannen.’

circus2
Alles in orde dus, al was het jammer dat de vier de weg naar het toilet versperden, want ik bleef er tegenop zien me langs Sjefs ontzaglijke rug te wringen.

Allengs werd de toon die Jan tegen José aansloeg vrijpostiger. Vragen over hoe vaak ze ‘het’ deed en met wie, en dat er in haar ‘slipke’ toch wel ‘drie snikkels’ paste. Het behoorde tot de plaatselijke folklore om de waardin met schuttingtaal te bestoken, maar toch overschreed Jan hier een grens. De gezelligheid en de rondjes namen af, het ‘prut mannen’ verstomde.

Opgelucht was ik toen Sjef probeerde Jan tot de orde te roepen: ‘Wat zit ge nou allemaal te kutten tegen José, wat zit ge nou te kutten?’

‘Da’s geen kutten, dâh begrijpt gij niet. Ik mag dâh zeggen, want zij weet wa’k voor heur voel.’

En na deze moeilijk op waarde te schatten bekentenis nam Jan met een delicaat gebaar haar halsketting in zijn handen en leek heel even, met een bevende maar vastberaden vinger iets van José te beroeren waar een fatsoenlijk heerschap met zijn tengels vanaf blijft.

Tot mijn verbazing bleef ze roerloos zitten, terwijl hij langzaam, als in gedachten verzonken, zijn hand terugnam. Een strategische, weloverwogen terugtocht, die vergezeld ging van een zacht maar nog duidelijk hoorbaar ‘hoer’.

Er daalde een bijna plechtige sfeer over de aanwezigen.  ‘Du, du allein kannst mich verstehen,’ kweelde Peter Maffay.

Toen wendde Jan zijn hoofd naar een van mijn studievrienden, die naast hem zat, en bood hem iets te drinken aan, als een ultimatum. Mijn vriend antwoordde bedeesd dat hij geen geld meer had voor een rondje terug.

Maffay

Jan liet het antwoord even bezinken, sleurde mijn vriend toen plotseling van zijn kruk, gooide de inhoud van een glas bier in zijn gezicht, pakte een stoel en dreigde deze te laten neerkomen op het hoofd van zijn slachtoffer, dat op de grond lag.

Het tafereel leek zich in slowmotion te voltrekken, waardoor het een bijna obscene onbeholpenheid had, als een scène uit een derderangsfilm.

José had de tap verlaten en was met een geluid van driftig rinkelende armbanden op hem afgestapt. ‘Jan, zet die stoel neer,’ voegde ze hem toe. ‘Zoiets doe de hier niet. Wah bezielt oe?’

Jan gehoorzaamde, maar keek er haast wanhopig bij, of hem een onbegrijpelijk onrecht was aangedaan. ‘Wah mijn bezielt? Gij weet donders goed wah mijn bezielt!’

Een spottend opgetrokken wenkbrauw, de moeder van alle spottend opgetrokken wenkbrauwen, was José’s enige antwoord.

Jans metgezellen hadden zich nu om hem heen verzameld. De man met het vale overhemd keek met een intense uitdrukkingsloosheid, de kleine baardmans had een bezorgde en afkeurende blik. Sjef nam, wijdbeens en met de handen in de zij, een centrale positie in. Zijn snel heen en weer schietende ogen suggereerden dat hij vastbesloten was verdere excessen in de kiem te smoren, maar zijn houding had ook iets gedienstigs jegens Jan.

Toen kwamen mijn twee vrienden in actie. De een trok de ander mee en ze vluchtten het rommelhok in, achterin het café. Jan keek hen verbaasd na, barstte in lachen uit, nestelde zich aan de toog en riep om bier voor de hele zaak. De kwestie leek afgedaan.

Maar niet voor Sjef. Langzaam kwam hij op me af: ‘Gij moet er oe eigen ook nie mee bemoeien.’ En voor ik kon antwoorden had hij me een oorsuizende klap in mijn gezicht gegeven.

‘Nou ja, zeg,’ mompelde ik. Ik beefde. Ik was geschonden.

Ik had me in Sjef vergist. Achter zijn enge uiterlijk had ik, met zijn ‘prut, mannen’, een goedige inborst vermoed. En ik kon nóg geen afscheid nemen van deze veronderstelling. Hij had het gewoon even niet goed begrepen. Schaar je bij de sterkste, probeer hem te begrijpen. Lafheid is de trouwe knecht van macht en samen reizen ze de wereld rond.

José, die verre van laf was, nam Sjef verbaal onder handen, streng maar opvoedend: ‘Sjefke, dit kende niet maken. Hij heeft oe niks gedaan. Hij bemoeit zich nergens mee.’

‘Wie is hij dan?’ riep Sjef met idiote verontwaardiging, alsof mijn identiteit al de hele avond voor hem werd verzwegen.

‘Hij is een student, Sjef’, antwoordde José met zoveel medeleven en eerbied in haar stem dat het me ontroerde.

‘Een wat?’ bulderde Sjef. Maar toen verscheen er plotseling een milde uitdrukking op zijn gezicht. Hij begon belangstellend om zich heen te kijken, alsof hij nu pas een aardige omgeving gewaar werd. ‘Eigenlijk hedde gij een heel jofel kroegske, José.’

Zijn dikke vingers gleden waarderend langs de lambrisering: ‘Mooi afgewerkt, hoor.’ Hij plantte zijn ellenbogen op de toog en zei: ‘Geef iedereen wat van mij. En sorry van net, meid. Ik wil niet tegen oe kutten.’

Daarop leek tot hem door te dringen dat hij niet alleen José excuus verschuldigd was. Hij liep op me af en stak me met een vriendelijk gezicht zijn kolenschop toe: ‘Sorry maestro, ik had het efkes nie goed begrepen. Zand erover?’

Ik drukte hem de hand en zei ‘zand erover’. Ja, de vijand is best schappelijk als je hem een beetje beter leert kennen. Sjef deed zijn arm om mijn schouders en drukte me grootmoedig tegen de borst. Vervolgens trof zijn vuist me vol in het gezicht.

Hij liet me los en liep met een uitdrukking van grote tevredenheid op zijn smoelwerk terug naar zijn plaats.

‘Nee, Sjef…’, zei José met de lusteloosheid die gepaard gaat met het besef dat alles verloren is.

Ik had zojuist kennis gemaakt met Sjefs summum van subtiele humor. Ergens was in deze lompe sukkel een donkere ader aangeboord en het was nog lang niet afgelopen.

Toen ontwaakte Jan. Zijn humeur was weer omgeslagen. Getergd keek hij me aan. Met een trillende wijsvinger als een pistool op me gericht, zei hij: ‘Jou krijg ik nog, jongen. Wij hebben een afspraak.’ Moeizaam zakte hij van zijn kruk en kwam op me af, gevolgd door Sjef. Kennelijk hadden we die afspraak nu meteen. José postte zich voor me: ‘Pas op hè. Ik heb de politie gebeld. Ze komen eraan.’

Jan riep: ‘Ik heb met hem een afspraak. Ik heb met iedereen hier een afspraak.’

Op dat moment vluchtte ook ik het rommelhok in. Geen grendel op de deur, dus zette ik er een bezem schuin tegenaan. Al snel hoorde ik onsamenhangend gemompel, waarop de bezem neerviel en de deur open schoof. En daar stonden ze dan: domheid en haat, als wankele metgezellen in de deuropening.

Jan greep me bij mijn haar en gromde: ‘Nou is-ie er geweest, nou gaat-ie er aan.’  Ik kromp in elkaar, vouwde mijn armen voor mijn maag en drukte mijn kin op mijn borst, als in gebed. Sjefs niet al te precies geplaatste stoten troffen mijn hoofd, maar andere vitale plekken hield ik buiten zijn bereik. Niet alleen mijn lichaam, ook mijn gedachten balden zich samen tot een egelstelling, vloeiden naar een centraal punt. Overleven. Doorstaan. Een toestand van onverbiddelijke nuchterheid.

Ik voelde me wonderlijk geborgen: iemand, iets, hield mij vast, hield mij stevig vast. Mijn kameraad.

Er kwam hulp opdagen. José wrong zich tussen mij en mijn belagers, huilde en riep: ‘O nee Jan, o nee nee nee Jan.’ Ze hield hem gevangen in een smekende omhelzing, als een afgewezen geliefde. De man die zich zo afzijdig had gehouden probeerde Sjef in toom te houden, nog steeds met dat neutrale gezicht. De kleine baardmans keek handenwringend toe.

Vreemd dat ik me pas later die stem herinnerde, die van veraf leek te komen, maar toch goed te horen was:  ‘Hij heeft een mes. Hij heeft een mes.’

Ineens kruiste mijn blik die van Jan, en zei ik kalm, maar doordringend: ‘Jan, hou op nu. Hou op nu.’  En nog eens: ‘Hou. Godverdomme. Op. Nu.’

Was ik het die dit zei, of mijn kameraad?

Jan verstarde, keek me verbluft aan. Er leek hem iets schimmigs te binnen te schieten, een aha-erlebnis misschien. José en de man met het vale overhemd voerden hem weg. Hij bood amper weerstand.

Door de jaloezie van zijn natte slierthaar nam Sjef me nog één keer vermoeid op. Daarna keerde ook hij zich van me af en zei met een zucht, bijna smachtend: ’Bier.’

De kleine baardmans vroeg me of het ‘een beetje ging’ en maakte zich eveneens uit de voeten.

Nu pas besefte ik dat mijn twee studievrienden hier ook in waren gevlucht. Er was dus een uitgang. Ik keek de ruimte rond, die volstond met kratten, vuilniszakken, biervaten, afgedankte meubels en schoonmaakspullen. Er hing een lucht van natte aarde.  Het was of ik het hok een vraag stelde en de taal van het antwoord probeerde te verstaan.

circus3

Achter een oude ijskast vond ik een deur. Ik deed hem open en keek een gangpad in. Het bood uitzicht op een smal stukje straat. Als een donker kleinood glom het onder de avondhemel. Toen ging de andere deur weer open.

Kleine baardmans kwam binnen, keek me ontsteld aan en vroeg wat ik van plan was, of hij me van een wanhoopsdaad wilde afhouden.

‘Even een luchtje scheppen’, antwoordde ik.

‘Vlucht nou nie,’ zei hij. ‘Ze vragen of ge binnenkomt en een pilske meedrinkt. Jan het spijt. Hij zegt dat ge z’n ogen het geopend. Hij is nie slecht. Ik ken hem.’

‘Pas maar op met die maten van je,’ zei ik.

De man keek me vol goudeerlijk onbegrip aan.  ‘Jan is munne vriend,’ protesteerde hij. ‘Dâh is-ie al jaore. Dâh zegt hij ook tegen mijn: gij bent munne vriend. Vergeet dâh nie.’

‘OK,’ zei ik. ‘Je moet het zelf weten. De ballen.’

Ik schoot de straat op, rende naar een cafetaria, bestelde er een taxi. Het personeel gaapte me wantrouwig aan. Ik keek in de spiegel en zag een morbide clownshoofd. De linkerhelft van mijn gezicht was opgezwollen en paarsblauw. Eén oog zat vol bloed en was half dichtgeslagen, een afgedwongen knipoog. Een onstuitbare hilariteit welde in me op. Het geluk was een groot en angstig dier dat ik in mijn armen droeg.

Thuis maakte de euforie plaats voor neerslachtigheid. Er was iets ergs gebeurd, iets onomkeerbaars. De wereld was in een woestijn veranderd.  Ik maakte een boterham en ging naar bed. De telefoon rinkelde, maar ik nam niet op. Ik rouwde mezelf in slaap.

De volgende dag was het neerslachtige gevoel alweer verdwenen, opgelost in de nacht. Ik verwonderde en verheugde me over de zelfredzaamheid van de ziel, die kennelijk haar wonden kan helen zonder dat het verstand daarop hoeft aan te dringen.

De zwellingen deden alleen pijn als ik ze aanraakte. Ik besloot voor de zekerheid naar een EHBO-post te gaan, maar eerst moest ik naar De Zijsprong.  Ik had er nu eenmaal mijn fiets en een tas vol spullen die ik niet kon missen laten staan.

In de bus klaarde mijn stemming zomaar op. De zon scheen, door het raam zag ik mannen in korte broek en vrouwen in vrolijke zomerjurken. Het voelde als een feestelijke intocht waarbij voorbijgangers mij gastvrij toelachten.

Bij een halte zag ik een jonge vrouw aan de overzijde van de straat haar pumps uittrekken en haar weg blootsvoets vervolgen, de pumps bungelend aan haar vingers. Het leek of een gericht van goden in een zeldzame opwelling van mildheid had bepaald dat zo’n tafereeltje mij nu wel toekwam.

barefeet2

Ik kreeg de behoefte om met totale onbekenden een gesprek aan te knopen, wilde getuigen van mijn bestaan en zijn onvermoede, bitterzoete rijkdom. De bleke student, geremd, wrokkig om zijn onervarenheid, altijd verschanst achter argwanende stellingen, koesterde ineens het kalme en gelukkige besef dat de wereld aan zijn voeten lag. Het lot had eindelijk zijn lodderoog op hem laten vallen, genoeg interesse voor hem kunnen opbrengen om hem eens flink door elkaar te schudden, en de student was de uitdaging aangegaan, met succes, en zat nu licht gehavend maar verder ongedeerd in de bus te genieten van zijn eigen gezelschap.

De Zijsprong ging net open toen ik eraan kwam. Fiets en tas waren onaangeroerd. José begroette me met een droevige, moederlijke blik. Ik vroeg of de politie nog was geweest. Haar antwoord was een geërgerde zucht: nee dus.

We zwegen een tijd, en in die stilte, dat bezonken samenzijn, voelde ik een verrassende, breekbare intimiteit tussen ons oprijzen. Ik keek naar deze vrouw, die zeker twee keer zo oud was als ik: haar harde, wereldwijze, onberispelijk gekapte boxerskop, haar glittertrui, haar machtige boezem, haar brede polsen, haar grove handen met rood gelakte nagels. En plotseling kreeg ik de behoefte haar armen en schouders teder aan te raken.

‘Nou, jongen…’, zei ze halfluid. En daarbij liet ze het.

Ik vroeg of ze eerder dit soort problemen had gehad. ‘Gelukkig niet,’ zei ze. ‘Ik heb toch al zo’n hekel aan ruzie.’

‘Het was geen ruzie,’ zei ik kort, en vroeg hoe lang ‘ze’ eigenlijk waren gebleven.

Trillend pakte ze een sigaret. ‘Lang.’

Ik voelde dat ze iets verzweeg.

‘Ik begrijp Jan niet,’ ging ze verder. ‘Goeie baan, vier kinderen. Ik ken hem goed. Nou ja, goed. Laten we het daar dus maar niet over hebben. Hij is een weduwnaar. Die Sjef is geen goede invloed. Woont nog bij z’n moeder, op kamp. Kermisklanten, criminelen, mooi tuig bij elkaar daar. Ach, hij is pas negentien.’

We zwegen weer. José leek meer van streek dan ze wilde laten blijken.

‘Wat is er?’ vroeg ik.

‘Dat ze Paultje nog zo hebben gestoken,’ kwam er ten slotte uit, terwijl tranen haar ogen vulden, meisjestranen van een oudere vrouw. ‘Zo’n lief menneke.’

‘Paultje?’

‘Die kleine met die baard. Ze hadden een mes. Ze waren boos op hem dat hij je had laten gaan. Zo kon Jan je niet laten merken dat je hem de ogen had geopend. Toen hebben ze Paultje te grazen genomen. Heel erg te grazen genomen. Hij ligt op de – hoe heet het – intensive care.’

En voor ik het wist had ik het omvangrijke lichaam van een radeloze hogepriesteres in mijn armen. Gedreven door de omstandigheden en erop vertrouwend dat ik een man was, zocht mijn radeloze hogepriesteres troost in mijn armen. En ik troostte haar, onwennig maar adequaat. Ik werd geleid, gestuurd, er was een tomeloze kracht in mij ontwaakt.

Het duurde maar even, heel even, tot de eerste klanten kwamen, en ik Café De Zijsprong verliet. Café de Zijsprong voorgoed achter mij liet. En mijn hogepriesteres daar achter liet.

Reacties

Vrijheid van meningsuiting is vaak strontvervelend en bestaat dus niet op deze website. Reacties zijn welkom, maar worden door mij gewogen. Ik zie veel door de vingers, maar niet alles. Scheldpartijen worden sowieso geweerd. Seksisme en racisme uiteraard ook.

  1. Aernout

    U heeft een fijne pen!

    • carlstellweg

      Dank u! U ook, meen ik mij te herinneren!

  2. Gerda

    Heel mooi!

  3. fred stelwagen

    mooi spannend psychisch verhaal dat me aan mijn studententijd doet denken. Een prettig einde. Wesselwaardig.




* Verplicht, email adres wordt niet gepubliceerd