Walhalla4

Het walhalla der Maestro’s

DOOR CARL STELLWEG

Het leek een avond te worden als vele andere, die nazomeravond in de jaren tachtig die ik met twee studievrienden doorbracht in Café de Zijsprong in een Brabantse stad. Nee, niets wees op de komst van mijn kameraad, mijn beste kameraad.

Wie hij is? Maar dat ligt toch voor de hand. Hij is mijn wil, mijn merg, degene die mij dwingt tot daden. Eigenlijk is hij ieders kameraad. Maar het was die avond voor het eerst dat hij liet merken ook echt mijn kameraad te zijn.

Eerlijk gezegd vond ik De Zijsprong een twijfelachtige zaak, maar mijn vrienden dachten daar anders over. Avond aan avond bezochten ze dit troosteloze wormgat in de binnenstad, deze vergeetput voor gesjochten. De reden stond 12 uur per dag achter de tap en heette  José. Een forse vrouw van achter in de veertig was ze, niet smaakvol maar wel verzorgd gekleed. Aan haar monumentale polsen bungelden opzichtige armbanden, als van een heidense hogepriesteres, een vervaarlijke hoerenmadam.

Ze bestierde het café in haar eentje. Van een echtgenoot was geen sprake, wel had ze het af en toe over twee dochters in een ver buitenland. Het etablissement dreef zij naar eigen zeggen niet voor het gewin maar voor de gezelligheid.

Ach, José: ze zal er geen flauw benul van hebben, ze zal me misschien allang zijn vergeten, maar ik denk nog geregeld aan mijn hogepriesteres, en aan wat ze mij heeft geschonken.

Eens zei ze tegen mij: ‘De grootste boerenlul kan kindertjes maken, wat jij?’ Ik antwoordde snedig: ‘De grootste boerenlul zeker.’

Het gezelschap aan de toog lachte smakelijk om deze troebele kwinkslag, maar José keek mij aan met een mengeling van verbazing en lichte afkeuring, een onaangestoken sigaret ja-knikkend tussen haar vingers.

José was een vrouw alleen die haar mannetje stond, met een tong zo scherp als een scalpel en een tomeloos, geknecht moederhart. En dat laatste was wat mijn twee vrienden naar haar toe dreef. Ze waren met hun 18 en 19 jaar iets jonger dan ik en net op eigen benen in een vreemde stad. Zij zorgde voor plaatsvervangende nestwarmte en aanvaardde deze rol met dankbare vanzelfsprekendheid.

Mijn vrienden en ik hadden gemeen dat we niet de ‘sociale vaardigheden’ bezaten om ons onbekommerd in het verplichte feestgedruis van studentenintroductiedagen te storten. Zodoende hadden we de boot gemist en elkaar hier in de Zijsprong gevonden, waar geen andere studenten kwamen, ook omdat ze dachten dat het er gevaarlijk was.

Goed, we waren wat aan het kaarten op die nazomeravond toen een luidruchtig gezelschap van vier mannen binnenkwam. In hun kielzog, maar onzichtbaar, mijn kameraad. Hij begon zich ook haast onmerkbaar in mij te roeren. Want hij kan tegelijkertijd in mij en buiten mij bestaan.

Twee van de mannen luisterden naar de namen Jan en Sjef. Jan was van middelbare leeftijd, had het geföhnde kapsel van een ouderwetse schlagerzanger en een gegroefde karakterkop. Hij droeg een witte coltrui waar een gouden kettinkje zich af en toe overheen worstelde als een drenkeling.

Sjefs gestalte was imposant, maar ook wat hulpeloos. Door zijn opgetrokken schouders leek hij permanent in het defensief gedrongen. Zwart haar hing in vette slierten over zijn voorhoofd en over zijn kraag. Zijn machtige, ongeschoren kaken zagen er dreigend uit, maar daar stond zijn gulle lach tegenover.

De twee anderen gedroegen zich rustiger. De ene, wiens naam ik nooit heb geweten, was een armoedige verschijning in een vaal overhemd, die zich op een gespannen manier afzijdig hield en zich beperkte tot spa.

De andere, een kleine man met een baard, dronk met mate en probeerde de conversatie af en toe een serieuze draai te geven. Pas een dag later hoorde ik hoe hij heette.

Meer klanten waren er niet in De Zijsprong. Jan voerde het hoogste woord en had in Sjef een dankbaar klankbord. Hebbelijkheden van stamgasten werden even uitputtend als honend aan de kaak gesteld. Verzachtende kanttekeningen van de kleine man met de baard gingen resoluut van tafel.

Vervolgens werd José’s lof geprezen. Onvervangbaar, rots in de branding, tof weifke, en als ze wat jonger waren geweest, jongens, hadden ze het wel geweten. Jan greep bij herhaling José’s handen om er smakkende zoenen op af te leveren.

De tap bleef stromen, de stemming steeg. Ja, het werd ‘gezellig’. Vooral Sjef was op dreef met het verstrekken van rondjes, waarbij ik en mijn vrienden niet over het hoofd werden gezien. Wanneer wij het glas op hem hieven, kneep hij zijn ogen dicht en zei met zijn hoge, hese stem: ‘Prut, mannen.’

circus2

We voelden ons oprecht vereerd dat we zo werden toegesproken en onze harten maakten helemaal een sprong van dankbaarheid toen we werden gepromoveerd van ‘mannen’ tot ‘maestro’s’. Dit betekende immers dat we veilig waren. Toch was het jammer dat de vier de weg naar het toilet versperden, want ik zag er tegenop me langs Sjefs ontzaglijke rug te wringen.

De kleine man met de baard merkte kennelijk iets van mijn onbehagen: achter die rug van Sjef maakte hij geruststellende gebaren naar me. Ze waren aan me besteed. Zie je nou wel, dacht ik. Het hinderlijke gelispel van mijn kameraad verstomde. Ik had nog niet zo door dat hij mijn kameraad was en nooit tegen mij loog.

Allengs werd de toon die Jan tegen José aansloeg vrijpostiger. Hij vroeg haar quasi-argeloos hoe vaak ze het deed en met wie, en opperde dat in haar ‘slipke’ toch wel ‘drie snikkels’ pasten.

Nu behoorde het bestoken van de waardin met schuttingtaal tot de plaatselijke folklore, maar het was ons duidelijk dat Jan een grens had overschreden. De gezelligheid nam af, de rondjes voor de zaak werden schaarser en tot onze grote teleurstelling werden wij weer uit het Walhalla der Maestro’s verjaagd en waren we gewoon weer mennekes.

Opgelucht was ik toen Sjef probeerde Jan tot de orde te roepen: ‘Wat zit ge nou allemaal te kutten tegen José, wat zit ge nou te kutten?’

Jan antwoordde: ‘Da’s geen kutten, da begrijpt gij niet. Ik mag da zeggen, want zij weet wat ik voor haar voel.’

En na deze moeilijk op waarde te schatten bekentenis boog hij voorzichtig naar haar toe, nam met een delicaat gebaar haar halsketting in zijn handen en leek heel even, met een bevende vinger iets van José te beroeren waar een fatsoenlijk heerschap met zijn tengels vanaf blijft.

Tot mijn verbazing bleef ze roerloos zitten, terwijl hij langzaam, als in gedachten verzonken, zijn hand terugnam. Een strategische, weloverwogen terugtocht was het, die vergezeld ging van een zacht maar nog duidelijk hoorbaar uitgesproken ‘sloerie’.

Er daalde een bijna plechtige sfeer over de aanwezigen.

‘Du, du allein kannst mich verstehen,’ kweelde Peter Maffay.

Toen wendde Jan zijn hoofd naar een van mijn studievrienden, die naast hem zat, en vroeg hem met een onprettige ondertoon of hij iets van hem wilde drinken. Mijn vriend antwoordde dat hij geen geld meer had om een rondje terug te geven.

Maffay

Jan liet het antwoord even bezinken, keerde zich toen langzaam van mijn vriend af en draaide zich weer plotseling om, sleurde hem van zijn barkruk, gooide de inhoud van een glas bier in zijn gezicht, pakte een stoel en dreigde deze te laten neerkomen op het hoofd van zijn slachtoffer, dat inmiddels op de grond lag.

Het tafereel leek zich in slowmotion aan mijn ogen te voltrekken, waardoor het een bijna obscene onbeholpenheid had, als een scène uit een derderangsfilm.

De uitdrukking op Jans gezicht was dramatisch veranderd. De pesterige blik had plaats gemaakt voor een soort radeloosheid. Hij was een desperado die op het punt stond alle schepen achter zich te verbranden.

José had de tap verlaten en was met een geluid van driftig rinkelende armbanden op hem afgestapt. Ze voegde hem toe, op een toon die tegenspraak uitsloot: ‘Jan, zet die stoel neer. Zoiets doe de hier niet. Wat bezielt oe?’

Jan gehoorzaamde, maar bleef kijken of hem een onbegrijpelijk onrecht was aangedaan. ‘Wat me bezielt? Ge weet heel goed wat me bezielt!’

Een spottend opgetrokken wenkbrauw, de moeder van alle spottend opgetrokken wenkbrauwen, was José’s enige antwoord.

Jans metgezellen hadden zich nu om hem heen verzameld. De man met het vale overhemd keek met een soort intense uitdrukkingsloosheid, de kleine man met de baard had een bezorgde en afkeurende blik.

Sjef nam, wijdbeens en met de handen in de zij, een centrale positie in. Zijn ogen schoten snel heen en weer. Het had er alle schijn van dat hij vastbesloten was verdere excessen in de kiem te smoren, maar zijn houding had ook iets gedienstigs jegens Jan.

Toen kwamen mijn twee vrienden in actie. De een trok de ander mee en ze vluchtten het rommelhok in, achterin het café.

Jan keek hen verbaasd na, barstte in lachen uit, nestelde zich aan de toog en riep om bier voor de hele zaak. We begroetten deze abrupte koerswijziging met lafhartig gejuich. De kwestie leek afgedaan.

Maar niet voor Sjef. Zijn gezicht behield een uitdrukking van opperste concentratie. Langzaam kwam hij op me af en zei: ‘Gij moet er oe eigen ook nie mee bemoeien.’

Ik zei, oprecht verbaasd: ‘Dat doe ik toch ook niet?’

Toen gaf Sjef me met de vlakke hand een oorsuizende klap in mijn gezicht, zoals ik nooit eerder had gekregen.

Ik voelde aan mijn wang, die verschroeid leek, en mompelde: ‘Nou ja, zeg.’ Ik beefde. Ik was geschonden.

Ik had me in Sjef vergist. Achter zijn enge uiterlijk had ik een goedige inborst vermoed, had ik zelfs – met zijn ‘prut, mannen’ – verondersteld dat hij edelmoedig was. En ik kon nog steeds geen afscheid nemen van deze veronderstelling. Hij had het even niet goed begrepen, dat was alles. Schaar je bij de sterkste, wees vrienden met je vijand, probeer hem te begrijpen. Lafheid is de trouwe knecht van macht en samen reizen ze de wereld rond.

José was niet laf. Ze nam Sjef verbaal onder handen, zoals je een klein kind of een zwakzinnige toespreekt: ‘Sjefke, dit kende niet maken. Hij heeft oe niks gedaan. Hij bemoeit zich nergens mee.’

‘Wie is hij dan?’ riep Sjef met idiote verontwaardiging, alsof mijn identiteit al de hele avond voor hem werd verzwegen.

‘Hij is een student, Sjef’, antwoordde José met zoveel medeleven en respect in haar stem dat het me ontroerde.

‘Een wat?’ bulderde Sjef. Maar toen kalmeerde hij ineens. Er kwam een milde uitdrukking op zijn gezicht. Hij begon belangstellend om zich heen te kijken, alsof hij nu pas een aardige omgeving gewaar werd. ‘Eigenlijk hedde gij best een jofel kroegske, José.’

Zijn dikke vingers gleden waarderend langs de lambrisering: ‘Mooi afgewerkt, hoor.’ Hij plantte zijn ellebogen op de toog, ten teken dat hij de avond ‘gezellig’ wilde afsluiten. ‘Geef iedereen wat van mij. En sorry van net, meid. Ik wil niet tegen oe kutten.’

Toen leek tot hem door te dringen dat hij niet alleen José excuus verschuldigd was. Hij liep op me af en stak me met een vriendelijk gezicht zijn kolenschop toe.

‘Sorry maestro, ik had het efkes nie goed begrepen. Zand erover?’

Ik drukte hem de hand en zei ‘zand erover’. Sluit vriendschap met je vijand, hij is best schappelijk als je hem een beetje beter leert kennen.

Sjef deed zijn arm om mijn schouders en drukte me grootmoedig tegen de borst. Vervolgens trof zijn vuist me vol in het gezicht.

Hij liet me los en liep met een uitdrukking van grote tevredenheid op zijn smoelwerk terug naar zijn plaats.

‘Nee, Sjef…’, zei José met de lusteloosheid die gepaard gaat met het besef dat alles verloren is.

Ik had zojuist kennis gemaakt met Sjefs summum van subtiele humor. Ergens was in dit monster, deze lompe sukkel, een donkere ader aangeboord en het was nog lang niet afgelopen.

Toen ontwaakte Jan. Met omfloerste blik had hij naar mij en Sjef zitten staren. Zijn humeur was om wat voor reden dan ook weer omgeslagen. Hij keek me getergd aan. Met een trillende wijsvinger als een pistool op me gericht, zei hij: ‘Jou krijg ik nog, jongen. Wij hebben een afspraak.’

Moeizaam zakte hij van zijn kruk en kwam op me af, gevolgd door Sjef. Kennelijk was die afspraak meteen.

José postte zich beschermend voor me en zei tegen het tweetal: ‘Pas op hè. Ik heb de politie gebeld. Ze komen er aan.’

Jan riep: ‘Ik heb met hem een afspraak. Ik heb met iedereen hier een afspraak.’

Op dat moment vluchtte ik ook het rommelhok in. Daar zag ik geen sleutel of grendel op de deur, dus zette ik er een bezem schuin tegenaan. Even was het stil. Toen hoorde ik onsamenhangend gemompel, als van mensen die na een avond doorzakken moeite hebben de sleutel in het slot van de deur te krijgen.

Ik had Jan en Sjef niet horen aankomen.

De bezem viel neer en de deur schoof open. Domheid en haat stonden als wankele kameraden in de deuropening.

Jan greep me bij mijn haar en gromde: ‘Nou is-ie er geweest, nou gaat-ie er aan.’

Ik kromp in elkaar, vouwde mijn armen voor mijn maag en drukte mijn kin op mijn borst, als in gebed. Sjefs niet al te precies geplaatste stoten troffen wel mijn hoofd, maar andere vitale plekken hield ik buiten zijn bereik.

Niet alleen mijn lichaam, ook mijn gedachten kronkelden zich op in een egelstelling, vloeiden naar een centraal punt, waar je alleen nog denkt: overleven. Doorstaan. Een toestand van onverbiddelijke nuchterheid.

Ik was doodsbang en voelde me toch wonderlijk geborgen: iemand, iets, hield mij vast, hield mij stevig vast. Mijn kameraad.

Toen kwam er hulp opdagen. José wrong zich tussen mij en mijn belagers. Ze huilde en riep: ‘O nee Jan, o nee nee nee Jan.’ Ze hield hem gevangen in een smekende omhelzing, als een afgewezen geliefde.

De man met het vale overhemd probeerde Sjef in toom te houden, zwijgend en nog steeds met dat neutrale gezicht. De kleine man met de baard keek handenwringend toe.

Vreemd dat ik me pas later die stem herinnerde, die van veraf leek te komen, maar toch goed te horen was:  ‘Hij heeft een mes. Hij heeft een mes.’

Ineens kruiste mijn blik die van Jan, en zei ik kalm, maar doordringend: ‘Jan, hou op nu. Hou op nu.’  En nog eens: ‘Hou. Op. Nu. Jan. Hou. Godverdomme. Op.’

Ik had het goed gezien. Wat het ook was wat ik had gezien. Hij keek me getroffen aan. Er leek hem iets schimmigs te binnen te schieten, een herinnering die hij niet kon thuisbrengen, een aha-erlebnis misschien. Tegelijkertijd leken alle kracht en woede uit hem weg te vloeien.

José en de man met het vale overhemd voerden hem weg. Hij bood amper weerstand.

Door de jaloezie van zijn natte slierthaar nam Sjef me nog één keer vermoeid op. Daarna keerde ook hij zich van me af en zei met een zucht, bijna smachtend: ’Bier.’

De kleine man vroeg me of het ‘een beetje ging’ en maakte zich eveneens uit de voeten.

Nu besefte ik dat er iets niet klopte. Mijn twee studievrienden waren hier ook in gevlucht. Ze waren gevlogen. Er was dus een uitgang. Ik keek de ruimte rond, die volstond met kratten, vuilniszakken, biervaten, afgedankte meubels en schoonmaakspullen. Er hing een lucht van natte aarde.  Het was of ik het hok een vraag stelde en de taal van het antwoord probeerde te verstaan.

circus3

Achter een oude ijskast vond ik een deur. Ik deed hem open en keek een gangpad in. Het bood uitzicht op een smal stukje straat. Als een donker kleinood glom het onder de avondhemel. Toen ging de andere deur weer open.

De kleine man met de baard kwam binnen. Hij keek me ontsteld aan en vroeg wat ik van plan was, of hij me van een wanhoopsdaad wilde afhouden.

‘Even een luchtje scheppen’, antwoordde ik.

‘Vlucht nou niet’, zei hij. ‘Da’s nie nodig. Ze zijn weer rustig. Ze vragen of ge binnenkomt en een pilske meedrinkt. Ze willen de vredespijp roken. Jan het echt spijt. Hij zegt dat ge z’n ogen het geopend. Hij is nie slecht. Ik ken hem.’

‘Pas maar op met die maten van je,’ zei ik.

De man keek me vol goudeerlijk onbegrip aan.

‘Jan zegt toch dat het’m spijt? Da geleuf ik. Ik ken’m.’

Deze man was Sjefs tegenhanger. Ook dom, maar lief. Veel te lief.

‘Als ik jou was, smeerde ik hem ook,’ zei ik. ‘Voor alle zekerheid.’

‘Jan is munne vriend,’ protesteerde hij. ‘Da is-ie al jaore. Da zegt iedereen ook. Jan is oewen vriend, hè,’ zeggen ze. Hij zelf ook: gij bent munne vriend.’

‘OK,’ zei ik. ‘Je doet maar. De ballen.’

Ik schoot de straat op, rende naar een cafetaria, bestelde er een taxi. Het personeel gaapte me aan. Ik keek in de spiegel en zag een morbide clownshoofd. De linkerhelft van mijn gezicht was opgezwollen en paarsblauw. Eén oog zat vol bloed en was half dichtgeslagen, een afgedwongen knipoog.

Een onstuitbare hilariteit welde in me op. Het geluk was een groot en angstig dier dat ik in mijn armen droeg.

Tegen de taxichauffeur vertelde ik opgewonden wat me was overkomen. Hij luisterde ernstig, knikte instemmend. De types die hij wel eens in zijn auto kreeg… ‘Als ze voor m’n wielen komen, zou ik wel remmen, maar alleen uit reflex hè, alleen uit reflex.’

Ik hoefde niets te betalen. ‘Ga maar gauw naar bed’, zei hij vaderlijk.

De taxichauffeur is enkel een stem in mijn herinnering, de stem van de compassie.

Thuis maakte de euforie plaats voor neerslachtigheid. Het drong tot me door dat er iets ergs was gebeurd, iets onomkeerbaars. De wereld was in een woestijn veranderd.

De gedachte mezelf nog eens in de spiegel te bekijken, die clownskop weer te zien, was meer dan ik kon verdragen. Ik maakte een boterham voor mezelf en ging naar bed. De telefoon ging, maar ik nam niet op. Ik rouwde mezelf in slaap.

 

De volgende dag was het neerslachtige gevoel verdwenen, opgelost in de nacht. Ik verwonderde en verheugde me over de zelfredzaamheid van de ziel, die kennelijk haar wonden kan helen zonder dat het verstand daarop hoeft aan te dringen.

Ik durfde weer naar mijn gezicht te kijken. Het leek er minder angstwekkend uit te zien dan de vorige nacht. Het kwam me voor dat ik toen alles een beetje vervormd had gezien, als in een visioen. Het clownsmasker herkende ik niet terug.

De zwellingen deden alleen pijn als ik ze aanraakte. Er was niets gekneusd of gebroken. Het bloed in mijn ene oog was al aan het wegtrekken. Ik besloot voor de zekerheid naar een EHBO-post te gaan, maar eerst moest ik naar De Zijsprong. Dat perspectief stemde me niet vrolijk, maar ik had er mijn fiets en een tas vol spullen die ik moeilijk kon missen laten staan.

In de bus voelde ik me vreemd opgewekt. De zon scheen, door het raam zag ik mannen in korte broek en vrouwen in vrolijke zomerjurken. Het voelde als een feestelijke intocht waarbij voorbijgangers mij gastvrij toelachten.

Bij een halte zag ik een jonge vrouw aan de overzijde van de straat. Ongeveer op de hoogte waar ik zat, stond ze stil, trok haar pumps uit en vervolgde haar weg blootsvoets, de pumps bungelend aan haar vingers.

Het leek of een gericht van goden in een zeldzame opwelling van mildheid had bepaald dat zo’n bekoorlijk tafereeltje mij nu wel toekwam.

Het zullen de zogeheten mindere goden zijn geweest, maar ook die waren machtig, zeker waar het de dingen van alledag, en de schoonheid van de dingen van alledag, betrof.

barefeet2

Ik kreeg de behoefte om met totale onbekenden een gesprek aan te knopen. Ik wilde getuigen van mijn bestaan en zijn onvermoede, bitterzoete rijkdom.

De bleke student, geremd, wrokkig om zijn onervarenheid, altijd verschanst achter argwanende stellingen, koesterde ineens het kalme en gelukkige besef dat de wereld aan zijn voeten lag.

Ook voelde ik het gezelschap van een onzichtbare naaste. Dat was een geheimzinnige maar ook heel prettige ervaring. Onoverwinnelijkheid omgloorde me.

De wrokkige student had voor het eerst werkelijk iets aan den lijve ondervonden. Het lot had, na hem lange tijd volledig te hebben genegeerd, zijn oog op hem laten vallen, genoeg interesse voor hem kunnen opbrengen om hem eens goed door elkaar te schudden, had hem voor het eerst in volle omvang getoond wat het vermocht, en… hij had het bedwongen. Hij was de uitdaging aangegaan, en zat nu licht gehavend maar verder ongedeerd in de bus te genieten van zijn eigen gezelschap. Hij was uit de slaap van zijn schijnbestaan, zijn wrevelige studentenbestaan, in het volle, reinigende daglicht van de echte wereld ontwaakt. Het was nog een mooie wereld ook, voor wie ogen had om te zien.

De Zijsprong ging net open toen ik eraan kwam. Fiets en tas waren onaangeroerd. José en ik waren alleen.

Ze begroette me met een droevige, moederlijke blik. ‘Je vrienden zijn hier nog geweest,’ zei ze. ‘Ze hebben eerst in een portiek hiertegenover gewacht tot dat tuig weg was, en hebben je van hieruit nog gebeld, maar je nam niet op. Ik zou maar snel iets van me laten horen.’

Ik vroeg of de politie was geweest. ‘Die rukken alleen nog uit om parkeerbonnen uit te delen’, zei ze. ‘En dat terwijl niet alleen ik, maar ook je vrienden ze hebben gebeld, vanuit dat andere café. Ja, toen het te laat was, veel te laat, toen verschenen ze.’

Ze liet een zucht ontsnappen, die even boven ons bezonken samenzijn bleef hangen.

Het viel me op dat haar woordkeus anders was als ze tegen mij sprak, dat haar Brabantse accent dan zelfs wegviel. Waar kwam ze eigenlijk vandaan? Wie was de hogepriesteres werkelijk?

We zwegen even, en in dat zwijgen voelde ik een verrassende, breekbare intimiteit tussen ons oprijzen, een vluchtige affectieve band, een zekere aantrekkingskracht misschien zelfs.

Ik keek naar deze vrouw, die ten minste twee keer zo oud was als ik: haar harde, wereldwijze, onberispelijk gekapte boxerskop, haar glittertrui, haar machtige boezem, haar brede polsen, haar grove handen met rood gelakte nagels. En plotseling voelde ik de behoefte haar armen en schouders teder aan te raken.

‘Nou, jongen…’, zei ze halfluid, terwijl ze me even scherp opnam. En daarbij liet ze het.

Ik vroeg of ze eerder dit soort problemen had gehad. ‘Gelukkig niet’, zei ze. ‘Ik heb toch al zo’n hekel aan ruzie.’

‘Het was geen ruzie’, zei ik kort.

‘Dat denk jij maar’, diende ze me even kortaf van repliek.

‘Hoe lang zijn ze eigenlijk nog gebleven?’

Trillend pakte ze een sigaret. ‘Lang.’

Ik kreeg het gevoel dat ze iets verzweeg.

‘Ik begrijp Jan niet’, vervolgde ze. ‘Goeie baan, vier kinderen. Ik ken hem goed. Laten we het daar maar niet over hebben. Hij is een weduwnaar. Die Sjef is geen goede invloed. Woont nog bij z’n moeder, op kamp. Heeft duizenden platen met levensliederen, speelt zelf accordeon. Z’n hele familie trouwens. Kermisklanten. Criminelen. Ach, hij is pas negentien.’

We zwegen weer. José leek nog twee keer iets te willen zeggen, maar zich telkens te bedenken. Ze was meer van streek dan ze wilde laten blijken.

‘Wat is er?’ vroeg ik.

‘Dat ze Paultje zo hebben gestoken’, kwam er tenslotte uit, terwijl tranen haar ogen vulden, meisjestranen van een oudere vrouw. ‘Zo’n lief menneke.’

‘Paultje?’ vroeg ik.

circusvorstin9

‘Die kleine met die baard. Ze hadden een mes. Ze hebben hem zo gestoken. Ze waren boos op hem dat hij je had laten gaan. Zo kon Jan je niet laten merken dat je hem de ogen had geopend. Toen hebben ze Paultje te grazen genomen. Heel erg te grazen genomen. Hij ligt in het ziekenhuis. In coma. Op de – hoe heet het – intensive care.’

En voor ik het wist had ik het omvangrijke lichaam van een radeloze hogepriesteres in mijn armen. Gedreven door de omstandigheden en erop vertrouwend dat ik een man was, zocht de hogepriesteres troost in mijn armen.

En ik troostte haar ook, mijn hogepriesteres, onwennig maar toch adequaat. Ik werd geleid, gestuurd, er was een tomeloze kracht in mij ontwaakt.

Het duurde maar even, heel even, tot de eerste klanten kwamen, en ik De Zijsprong verliet – Café De Zijsprong voorgoed achter me liet. En mijn hogepriesteres daar achter liet.

Reacties

Vrijheid van meningsuiting is vaak strontvervelend en bestaat dus niet op deze website. Reacties zijn welkom, maar worden door mij gewogen. Ik zie veel door de vingers, maar niet alles. Scheldpartijen worden sowieso geweerd. Seksisme en racisme uiteraard ook.

  1. Aernout

    U heeft een fijne pen!

    • carlstellweg

      Dank u! U ook, meen ik mij te herinneren!




* Verplicht, email adres wordt niet gepubliceerd