bond

Het Verbond tegen Meedogenloos Mooie Jongens

DOOR CARL STELLWEG

Hoe zal ik mijn teloorgang beschrijven? Ik kan erop wijzen dat iedereen een reden nodig heeft om niet naar de bliksem te gaan, en dat het mij aan niets ontbrak – behalve aan zo’n reden.

Ik zou kunnen zeggen dat ik ben opgegroeid in een fuik van geluk, en dat mijn geluk mij heeft uitgewist en overbodig gemaakt; dat het geluk, vraatzuchtig als het is, mij heeft omsingeld, belaagd en alles afgepakt.

Het moest dus wel slecht met me aflopen. Al heb ik er nog lang over gedaan.

Ik zou ook nog een aantal fatale gebeurtenissen kunnen oprakelen: de diefstal van mijn bankpas en creditcard waartegen ik niets ondernam vanwege mijn schuldgevoel jegens de dader, de dievegge, een alcoholische cartooniste uit een ver en duister land, die ik ooit had opgepikt in een nachtcafé waar ik kwam om mijn collega’s en kennissen – journalisten, kunstenaars en aanverwant gespuis – te ontlopen; een cartooniste die me heel even het hoofd op hol bracht maar die ik uiteindelijk pas mijn huis uit kreeg nadat ze mijn hele drankvoorraad soldaat had gemaakt.

Het verlies, kort daarop, van mijn comfortabele baan doordat ik mijn werkgeefster, de ambitieuze hoofdredactrice van een poenerig tijdschrift, vernederde op een wijze die geen zichzelf respecterende cougar onvergolden kan laten. Gouden bergen beloofde ze, maar ik weigerde de gevraagde tegenprestatie te leveren: omgekeerd #metootje, maar mag een vrouw haar machtspositie ook eens misbruiken?

cougar woman

Ik zou een poging kunnen doen de zwerversjaren te beschrijven die daarna aanbraken, vanwege blut, brodeloos en doorlopend bezopen. Een goed geklede zwerver was ik, maar evengoed een zwerver.

Ach, en dan waren er natuurlijk alle wetsovertredingen. Ik denk dat ik ervoor in de wieg was gelegd, want al ver voor mijn zwerversjaren, nog in het bezit van baan en bankpas, overtrad ik de wet. Waar ik kon fietste ik over de stoep. Bij elke gelegenheid reisde ik zwart. Wanneer mogelijk sloop ik weg zonder te betalen. Op den duur deinsde ik niet terug voor inbraak en geweldpleging. Ik kwam ermee in de krant

Ik kan als excuus aanvoeren dat ik mijn verslavingen – alcohol, crack, en nog zo wat – ergens mee moest bekostigen. Het was niet mijn schuld dat men weigerde het spul te legaliseren.

Het enige geldige excuus blijft in mijn ogen – niet die van mijn advocaat –  dat ik aan mijn fuik van geluk wilde ontsnappen: mijn uitzichtloos fijne jeugd, mijn lieve familie, mijn fenomenale vooruitzichten, de zon die gedurig op mijn levenspad blikkerde, en waartegen ik ‘nee’ besloot te zeggen. Simpelweg: Nee. Ik wilde een avontuurlijk, desnoods tragisch levenspad van strikt eigen keuze.

Maar al met al denk ik dat ik mijn werdegang het best aan de hand van de kleine gebeurtenissen uit de doeken kan doen. Het is de subtiele krenking van ogenschijnlijk onbeduidende voorvallen die ons de kop kost. Meer dan de grote drama’s en dilemma’s hebben kleine drama’s te maken met wie wij diep van binnen zijn, leggen ze onze zwakheden het pijnlijkst bloot, je hoeft niet voor dominee te hebben doorgeleerd om te weten dat dit waar is.

Anders kan ik ook niet verklaren waarom het voorval met de wonderstamppot mij zo veel beter is bijgebleven dan een aantal van mijn ernstigste wetsovertredingen. Het betrof de eerste en laatste poging in mijn leven een smakelijke maaltijd voor anderen te bereiden, en het liep uit op een fiasco dat nog steeds schrijnt als ik eraan terugdenk.

En dan te bedenken dat dit fiasco enkel maar de voorbode was van een nog ernstiger mislukking, die te maken had met een wriemelend bundeltje vacht, tandjes en klauwtjes dat ongevraagd mijn leven werd binnengedragen.  Toch ben ik blij dat het mij is overkomen, het drama met dat bundeltje, en dus feliciteer ik mijzelf ook nog eens met mijn ondergang.

Laat ik bij het begin beginnen.

Het was in mijn eerste studiejaar, ik woonde in een vervallen rijtjeshuis in een provinciestad. Anja, Annemarie en Ankie heetten mijn huisgenotes, en ze studeerden ook iets. Ik zou bij god niet meer weten wat, het zou goed kunnen dat ik het nooit heb geweten. Zelf studeerde ik natuurlijk Nederlands. Ik leek toen nog namelijk voor iets deftigers dan  criminaliteit in de wieg te zijn gelegd. Ik had zelfs literaire aspiraties.

Belangrijker is dat de namen van mijn huisgenotes hen in hun alles platbrandende Hollandse alledaagsheid treffend typeerden: Anja. Annemarie. Ankie. Stuk voor stuk waren ze niet schokkend lelijk, maar hun onflatteuze attributen – de kromme benen van Anja, het dikke achterste en de platte boezem van Annemarie, de dop-ogen van Ankie – waren zo complementair dat ze samengevoegd de volmaakt lelijke vrouw schiepen.

Ze leden hier kennelijk niet onder. Ze waren rond de twintig jaar oud, maar hadden al iets leeftijdsloos.

Behalve iedere schoonheid, misten ze nog iets: verbeeldingskracht. Wanneer ik platen speelde op mijn kamer – en dat deed ik, toegegeven, meestal vrij hard – kwam Anja, die pal beneden mij woonde, vaak vragen of ‘die radio’ zachter kon. De mogelijkheid dat ik een platenverzameling bezat ontsteeg haar bevattingsvermogen waarschijnlijk ruimschoots. Muziek kwam uit een radio, zoals het nieuws en het weerbericht.

Haar domheid bracht mij tot razernij, maar confronteerde mij ook, opmerkelijk genoeg, met mijn eigen tekort. In veel opzichten was mijn leven leger dan dat van mijn huisgenotes. Ik was blind voor het bijzondere in het alledaagse, en dat is een vrij ernstige vorm van blindheid. Ik wist vaak niet hoe mijn tijd zinvol te besteden. Hún dagen leken juist gevuld met nuttige en bevredigende bezigheden.

Daarnaast leken ze wel degelijk te weten wat hartstocht was, ook al wekte ik die niet in hen op, met mijn donkerglanzende kuif, mijn fraai getrimde slanke bakkebaarden, mijn strakke broek en puntschoenen, en niet te vergeten mijn aanvallige gezicht en broeierige blik. Net zo min als ze zich afvroegen of ik een platenverzameling had, scheen het tot hun door te dringen dat ik een meedogenloos mooie jongen was.

sideburns

Ik las Gerard Reve, want Reve was in die dagen cool, zelfs voor hetero’s, maar met diens Meedogenloze Jongen voelde ik mij slechts gedeeltelijk verwant. Ik zag niets in martelen en in heren, ik was een meedogenloos mooie jongen, net even wat anders.

Hoe dan ook, van Reve hadden Annemarie, Anja en Ankie vast nooit gehoord.

Wie waren ze? Waar kwamen ze vandaan? Hadden ze een verborgen missie? Goed beschouwd wist ik niets van ze af.  Waren het wel vriendinnen? Of was het enige wat ze deelden het natuurlijke front dat ze tegen mij vormden? Behoorden ze tot het Verbond tegen Meedogenloos Mooie Jongens? Waren ze mijn anti-muzen, mijn drie anti-gratiën? Hoe kon ik tornen aan het vanzelfsprekende nut van hun aanwezigheid op aarde, en in één moeite door mijn eigen bestaan rechtvaardigen?

Op een dag diende zich een mogelijkheid aan: ze stelden voor dat elke bewoner per toerbeurt zou koken. Dit was mijn kans, al kon ik nauwelijks een ei bakken, en was ik er ook vaak niet, er werd mij namelijk dikwijls aangeboden om in een ander bed dan het mijne te slapen.

Zonder een klacht, dat moet gezegd, verorberden ze mijn eerste culinaire probeersel: verbluffend smakeloze groentesoep en half verkoolde, half  bevroren slavinken. Zelf  zetten ze in een handomdraai en voor niet meer dan een paar gulden de man de smakelijkste schotels op tafel. Ze hadden praktische gaven, competenties, nuttige vaardigheden.

Koste wat het kost wilde ik mijzelf rehabiliteren. Er moest toch een manier zijn om zonder al te veel gedoe iets eetbaars in elkaar te prutsen? Je had van die kant-en-klare maaltijden, maar dat was vals spel, en bovendien waren die maaltijden duur en vast niet erg lekker.

In de supermarkt viel mijn oog op een blikje ‘wonderstamppot’.  Toen ik het pakte, bleek het haast niets te wegen. Ik schudde het heen en weer. Het leek niet meer dan een handvol korrels te bevatten.

Wonderstamppot. Ontbrak er niets aan? Dit was zwendel of magie. Ik kocht het – al was het niet bepaald goedkoop – en probeerde het uit in het weekend, wanneer mijn huisgenotes naar hun ouders of familie of weet ik veel waren. In ieder geval even pleite waren.

Eerst warmde ik de rookworst op in kokend water. Dat was kinderspel. Vervolgens ledigde ik de inhoud van het blikje in een pan.

Ik keek er sceptisch naar. Dat hoopje bleke vlokken zag er niet uit alsof het in iets smakelijks kon worden omgetoverd, maar zie: luttele seconden nadat ik, precies volgens de instructies, kokend water en melk had toegevoegd en driftig was gaan roeren, rees er tot mijn kinderlijke verrukking een stevige, gelige prak op die er erg uitzag als zuurkoolstamppot en die, zo bleek na een voorzichtig hapje, er ook naar smaakte.

Om het geheel smeuïg te houden, legde ik er een klontje boter op, een van mijn moeder afgekeken culinaire toets die mij zomaar inviel en waarop ik onmiddellijk erg trots was.

De reacties, een week later, waren zoals ik hoopte.

‘Lekker zeg,’ zei Ankie met de dop-ogen na een paar hapjes. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook zij een platencollectie had, al bestond die zo te horen maar uit één plaat, van de nederpopband Toontje Lager, die ze avond aan avond speelde.

Ooit had ik geprobeerd haar aan het verstand te brengen dat de regel ‘ik heb stiekem met je gedanst, ik hoop dat je het leuk vond’ nogal onzinnig was. ‘Ik vind het gewoon een leuk liedje,’ antwoordde Ankie met de haar kenmerkende schaapachtige onverschilligheid, die ik haar nu vergaf.

‘Inderdaad niet gek,’ zei Annemarie met de platte boezem en het dikke achterste; bazige, struise Annemarie, die het beste kon koken van allemaal en ook een enthousiast klusser was. ‘Nog beter gelukt dan je slavinken, zal ik maar zeggen,’ voegde ze er sarcastisch, maar met een toegeeflijke knipoog aan toe, waarop ze vier plakken rookworst tegelijk in haar wijd opengesperde mond stak.

Ach, Annemarie. Dat dikke blonde bloempotkapsel. Dat sweatshirt met capuchon dat ze binnen en buiten droeg. Die bootwerkersgang. En die gefrustreerde liefde van haar voor ene in onduidelijke zaken handelende ‘Angelo’, tegen wie ze meer dan eens had gezegd dat ze hem leuk vond – ‘recht in zijn smoel’ – en die daar telkens een beetje vaag, zij het niet onwelwillend op zou hebben gereageerd. Annemarie mocht veel op zijn hond passen, Angelo was namelijk vaak van huis. Een schichtige kleine trol met een plat Brabants accent, een kruimeldief, parasiet en manipulator, een zwerfhond waarvan je de arglist op vijftig meter afstand kon ruiken.

‘Zijn vader is Italiaan,’ zei Annemarie soms dromerig, alsof dat  zowel een excuus als een aanbeveling was.

Terug naar mijn wonderstamppot.

‘Nou, je wordt nog eens een echte keukenprins,’ zei Anja – Anja met de licht misvormde benen, zeurderige Anja die nooit om een tenenkrommende platitude verlegen zat, al bespeurde ik bij haar soms ook behaagzucht, die ze vooral botvierde op een student werktuigbouwkunde met wie ze al jaren verkering had, een knokige jongen met een zware bril, een ouwelijke ringbaard en zwart apenhaar dat ontembaar uit zijn slappe V-hals sproot.

Hij stond toe dat ze hem met ‘ouwe dibbes’ aansprak, ook dat nog.

Maar de onvolkomenheden van mijn huisgenotes, het ongemakkelijke gegeven dat ik met hen onder één dak moest slapen, die deden er nu even niet toe, nu we ons in onze eenvoudige gezamenlijke keuken met uitzicht op een schemerig, door onkruid en schimmel overwoekerd plaatsje, tegoed deden aan mijn allerheerlijkste zuurkoolstamppot met rookworst.

Het zou te ver voeren ons op dat moment een gezin te noemen, maar je kon zeggen dat we voor één moment bij elkaar hoorden; dat er harmonie heerste en vooral: dat ik had bewezen meer te zijn dan een aardig ogend, maar voor de rest zinloos bijproduct van de schepping.

Terwijl ik door het raam van de keukendeur zag hoe het avondduister bijna geheel bezit had genomen van ons onooglijke plaatsje, steeg er een intens huiselijk geluk in mij op, een betoverende intimiteit, en was het of ik van ze hield: van Anja, Annemarie en Ankie, en van hun kleine, vergeeflijke gebreken, hun lelijkheid, hun gewoonheid, hun onvermogen te begrijpen dat niet alles, of bijna alles, uit een radio kwam. Het was of ik van ze hield als waren het mijn zusters. Dat was het geschenk dat ze mij gaven. Dat was het bijzondere in het alledaagse dat ik nu dan toch eindelijk ontwaarde, en dat, wie weet, me van het wetsovertrederspad had kunnen wegvoeren, als er niet aanstonds iets vreselijks zou gebeuren.

Annemarie wierp een blik op het aanrecht. ‘Heb je alles al opgeruimd?’ vroeg ze, terwijl ze doorging met schrokken.

‘Eh – ja,’ zei ik, in het plotselinge besef dat als het om vals spel ging, er niet zo gek veel verschil was tussen een kant-en-klare maaltijd en wonderstamppot.

‘Maar ik zag net helemaal geen aardappelschillen in de pedaalemmer,’ ging ze verder, met volle mond.

‘Dat kan kloppen,’ zei ik toonloos. Je mocht veel van mij zeggen, maar niet dat ik erg goed kon liegen. Daarom probeerde ik het meestal niet eens.

‘Dat begrijp ik dan niet,’ zei Annemarie, terwijl haar kaken nog altijd bleven doormalen.

Ze begreep het maar al te goed. Ze had al lang in de gaten hoe het zat.

‘Laat ik je dan niet langer in een staat van onwetendheid houden,’ zei ik op de pedante toon die ik vaker aansloeg, zeker als ik me aangevallen voelde. Nogal bruusk stond ik op en viste het blikje wonderstamppot uit de pedaalemmer. Ik ging weer zitten en zette het met gespeelde triomfantelijkheid op tafel.

‘Ik heb voor de bereiding van deze maaltijd gebruik gemaakt van dit prachtige product,’ zei ik. ‘Let wel, wat jullie op dit moment eten is niet zomaar stamppot, maar… wonderstamppot.’

‘O, maar zoiets eet ik niet,’ zei Annemarie meteen, terwijl ze haar bord ruw van zich afschoof.

De twee anderen volgden onmiddellijk haar voorbeeld. Het was lachwekkend, zo synchroon als dat ging.

‘Waarom niet, Annemarie?’ Mijn toon was minzaam.

‘Omdat het chemisch is!’ zei ze met stemverheffing. ‘Omdat het vol zit met chemische troep!’

‘Alles zit vol met chemische troep, Annemarie,’ zei ik zacht. ‘De hele wereld is niets anders dan chemische troep.’

‘Gelul!’ riep ze. Waaraan ze rustiger, maar niet minder vijandig, toevoegde: ‘Het is volgens mij trouwens ook heel duur. Wij hebben niet zo veel geld als jij, hoor.’

‘O, maar dat geeft niet,’ zei ik. ‘Ik was niet van plan jullie meer dan twee gulden per persoon te vragen. De rest betaal ik.’

‘Maar wij willen jou geld helemaal niet!’ riep zeurderige Anja-met-de-kromme-benen ineens.

‘En we willen ook geen gif in ons lijf!’ riep Ankie-met-de-dop-ogen, die plotseling vuur schoten.

Toen zag ik in wat ik van het begin af had geweten: hoe diep hun afkeer van mij was – dieper dan ze zelf beseften. Ze verafschuwden me om alles waarvoor ik stond.

Niet eerder in mijn leven ervoer ik zo’n bittere afwijzing. Eén keer wilde ik belangeloos iets doen voor mijn medemens, en zie: meteen werd ik beschuldigd van poging tot vergiftiging.

En toch – toch nam ik ze hun antipathie niet echt kwalijk. Ze waren bekrompen, maar integer. We behoorden tot andere werelden. Ik ben altijd in uiterlijkheid geïnteresseerd geweest, daar is niets oppervlakkigs aan. Ik heb nooit een hang naar het leven gehad, ik had altijd een hang naar esthetiek. Ik ben een kunstenaar, alleen heb ik nooit kunst kunnen maken, het enige wat ik ooit kon was breken, de wet breken.

Feit blijft dat ik in dit oord met hoge muren, waar ik nu al een tijdje vertoef, niet voor niets. en met enig respect, ‘de artiest’ genoemd. Misschien ben ik mijn eigen kunstwerk.

Zíj waren oppervlakkig, niet ik. Ze voegden zich naar de wereld. Maar ook in een gebrek aan verbeeldingskracht school een talent dat je niet mocht onderschatten.

Van verhuizen na dit incident kon geen sprake zijn, hoezeer ik ook graag van ze wilde worden verlost. Het zou een roemloze aftocht zijn geweest, de erkenning van een nederlaag. Ik gunde hun geen triomf. Intuïtief wist ik dat dit te veel eer was. Niet veel later bleek dan ook dat ze niet integerder waren dan ik.

Op een dag kwam Annemarie de keuken binnen terwijl ik aan tafel de krant zat te lezen, een bezigheid waarop je verder niemand in dit huis kon betrappen. Op haar arm had ze een wriemelend en piepend bolletje vacht met tandjes en klauwtjes.

Ik kende zo’n beest alleen van ansichtkaarten waarmee je hooguit je oma een plezier deed. Annemarie had het uit een nabijgelegen asiel gehaald, waar een vriendin werkte. Ze had in een impuls gehandeld, maakte ik uit haar woorden op; nu bracht ze het schepseltje vlakbij haar gezicht, kuste het een aantal keren hardhandig en sprak luid de woorden ‘je bent een schatje’.

Zoiets afschuwelijks had ik in tijden niet gehoord. Ik denk dat ik toen al onbewust het besluit nam mij over dit jonge dier te ontfermen, als het mij dat zou toestaan.

Annemarie zette haar trofee op de keukentafel. Ik keek er keurend naar: bruingrijs tijgermotief, nietig rattenstaartje, opvallend donkere ogen. Het luide piepen hield aan, maar toen ik voorzichtig een vinger uitstak, dook het beest niet weg, maar kwam het na enige seconden van besluiteloosheid behoedzaam naderbij.

‘Tijger,’ zei ik zacht. ‘Kleine tijger.’ Het was eruit voor ik het wist. Ik had er niets mee miszegd: wat is een kat immers anders dan een tijger in miniatuurformaat, een vervaarlijk, gracieus, ontembaar wezen?

kitten

Annemarie bleef het antwoord schuldig op mijn vragen of het hier een ‘jongetje’ of een ‘meisje’ betrof, wat we het te eten moesten geven, of het al zindelijk was en of het geen inentingen nodig had. Was haar dan hier niets over verteld? Vast wel, zei ze luchtig, maar het was nogal een herrie in het asiel geweest, dus had ze van mogelijke raadgevingen niets verstaan. Ze leek dit verder niet zo’n probleem te vinden.

Ik besloot dat we het beest vooral melk moesten geven. Misschien lustte het ook kleine stukjes vlees of vis. Ik nam het op me om diezelfde middag een kattenbak met alles erop en eraan te kopen.

Annemarie ging met dit alles schouderophalend akkoord, waarop ze het katje van de keukentafel griste en ermee de keuken uitliep. Kort daarop concludeerde ik uit het verrukte, meerstemmige gekraai op de overloop dat onze aanwinst aan iedereen in huis was voorgesteld.

Het eerste schoteltje melk dat ik de speelgoedtijger voorzette, had het razendsnel met een flitsend tongetje leeggedronken. Minuscule afsnijseltjes vlees werden na voorzichtige inspectie eveneens in allerijl verorberd.

Toen ik Annemarie, Anja en Ankie op grond van deze ervaringen voorstelde gewoon maar kattenvoer te kopen, keken ze zuinig. Zelfs de uitdrukking van Annemarie, die toch  verantwoordelijk was voor deze nieuwe situatie, verried dat ze geen rekening had gehouden met extra kosten.

‘We moeten dat beest toch te eten geven?’ zei ik geprikkeld. Daar viel weinig tegenin te brengen. Goed dan, was het antwoord, maar dan wel het goedkoopste kattenvoer graag, want – daar had je’t weer – ze hadden niet zo veel geld als ik.

Ik besloot het duurste kattenvoer te kopen dat ik kon vinden en dat desnoods helemaal zelf te betalen.

Mijn huisgenotes leken het daarna vanzelfsprekend te vinden dat ik de verzorging van de speelgoedtijger op mij nam. Dat ik hem – als het een ‘hem’ was, maar daar ging ik vanuit – van voedsel voorzag en dat voedsel ook kocht. Hun bemoeienis met de nieuwe kostganger beperkten zich tot hem oppakken en kussen, waarbij ze niet schenen te merken dat ze het voorwerp van hun vertedering kwelden met hun attenties.

Op een avond, tijdens de gezamenlijke maaltijd, hield Annemarie hem met een hand tegen de borst geklemd, terwijl ze hem met haar andere hand een vork met andijviestamp voorhield. Afkeurend draaide hij zijn kopje weg, ontworstelde zich aan haar greep en dook onder de tafel.

Even later voelde ik iets aan mijn broekspijp. Ik keek naar beneden en staarde recht in de donkere ogen van de speelgoedtijger. Zijn bekje ging steeds wijd open en dicht, geluidloos, alsof hij mij iets dringends had te melden maar zijn schuilplaats niet wilde verraden.

‘Kom maar,’ zei ik.

Warempel, hij verstond het. Hakend met zijn klauwtjes aan mijn broek klom hij tot aan mijn dijbeen omhoog. Hij deed het met verbazingwekkende snelheid, alsof hij het vege lijf aan het redden was. Vervolgens zette hij, na een korte, taxerende pauze, zijn klimtocht voort totdat hij op mijn schouder was beland.

Ik voelde zijn snuit en snorharen in mijn oor kriebelen en raakte door een vreemde ontroering bevangen. Ik pakte de alpinistische speelgoedtijger vast, stak hem in de hoogte, keek hem aan en riep: ‘Kampioentje!’

Het dier had hiermee  een naam gekregen – al werd die door de drie afstotelijke A’s onmiddellijk verbasterd tot Joentje.

De dagen daarop begreep Kampioentje dat hij het veiligst was op mijn schouder of op mijn hoofd, waar geen andere grijpgrage handen dan de mijne durfden te komen; of op mijn zolderkamer, waar hij met rust werd gelaten, verbeten jacht kon maken op de rubberen wieltjes van mijn bureaustoel, om daarna in mijn schoot luid snorrend een tukje te doen en mij opnieuw met een even nutteloze als zware ontroering op te zadelen.

Wanneer uit de krochten van het huis zijn verbasterde naam klonk, richtte hij zijn kop op, spitste zijn oren en keek mij onmiskenbaar verschrikt aan. Ik legde mijn wijsvinger op mijn lippen. Zo bleven we zitten totdat de dreigende roep van de volmaakt lelijke vrouw met haar flitsende harde grijphanden en vraatzuchtige mond was verstomd.

‘Kampioentje,’ beloofde ik hem,  terwijl ik hem ernstig aankeek, ‘jij mag met de wieltjes van mijn bureaustoel blijven spelen tot je er te oud voor bent, ik zal nooit moe worden om je dat te zien doen; je mag op mijn schouder of mijn hoofd blijven klimmen totdat je groot genoeg bent om niet voor gevaar te hoeven vluchten – tegen die tijd zullen anderen voor jou terugdeinzen als jij je gramstorig toont. Ik heb niet om jou gevraagd, maar wij zouden best veel voor elkaar kunnen betekenen. Misschien moet ik bekennen dat ik een soort van blij met je ben.’

Ik wist wel dat mijn ambities verder reikten dan zorgen voor een kat. Dat het afscheid zo snel zou komen, kon ik echter niet voorzien.

Na een dag of vijf voelde ik me verplicht wat van mijn vrije tijd op te offeren aan mijn ouders. Ik zag hen ouder en trager worden. Ze waren nog geen zestig, maar godsvrucht maakt misschien vroegoud. Ik voelde de behoefte mijn ouderlijk huis, waar ik een zorgeloze, liefdevolle, veilige kindertijd had gekend, te blijven vullen met mijn jeugd, mijn ongedurigheid; met mijn onvrede ook. Ik wilde ze wakker schudden uit hun mummificerende vrome sluimer. Maar ik wist dat ze altijd zouden blijven wie ze waren.

Pas in de trein terug drong het tot me door dat ik was weggegaan zonder iets voor Kampioentje te hebben geregeld. Ik had hem aan zijn lot  overgelaten. Mijn huisgenotes waren er in het weekend meestal ook niet en lieten zich sowieso niets aan hem gelegen liggen. Ik gaf dus eigenlijk helemaal niet zo veel om hem. Die gedachte bracht me haast tot tranen, en dus was het niet waar. Ik was tekortgeschoten, maar ging het nu goedmaken.

Ik vreesde wat ik zou aantreffen, en het viel niet mee. Ja, Kampioentje was het hele weekend alleen geweest. Hij had de keukenvloer ondergepiest en -gekakt, terwijl hij normaal gesproken zindelijk was.

Hij piepte luid toen hij mij zag. Hij was kwaad op me, en ik kon hem geen ongelijk geven. Twee dagen had hij niets te eten en te drinken gehad. En was hij vast ook heel eenzaam geweest. Er was geen kattenvoer in huis en het was zondag: de winkels bleven de volgende dag tot één uur ’s middags dicht. Ik vulde zijn bakje met water, sprong op de fiets en kocht drie frikandellen bij een snackbar: twee voor deze avond en één voor morgen.

Toen ik terugkwam was Annemarie er inmiddels ook. Ze stond in de keuken allerlei van thuis meegekregen lekkers – blikjes leverworst, potjes marmelade en dergelijke – in een keukenkastje te zetten: ik kende het ritueel. Eten was van groot belang voor haar en haar soort. Aan Kampioentje, die bij zijn bakje zat te klagen, besteedde ze geen aandacht. De keukenvloer was nog steeds besmeurd met zijn excrementen. Zonder een woord te zeggen liep ik naar het bakje en vulde het met stukjes frikandel. Er werd argwanend aan gesnuffeld. Ik wachtte niet af of de voedselhulp in dank werd aanvaard en verdween naar mijn kamer.

Een minuut of tien later stond Annemarie in mijn deuropening.

‘Wat een troep in de keuken,’ zei ze.

‘Je meent het,’ antwoordde ik, terwijl ik op mijn wrakkige tweezitsbankje vol theevlekken in Muziekkrant Oor bleef bladeren.

‘Is Joentje hier het hele weekend alleen geweest?’

‘Daar lijkt het wel op, hè?’

‘En ga je mij daar soms de schuld van geven?’

‘Hoe kom je daar nou bij, Annemarie?’

‘Ik voel het.’

‘Jij bent met dat beest komen aanzetten, weet je nog?’

Haar blik verstrakte. ‘Maar jij zorgde toch voor hem?’

Fel keek ik op van mijn lectuur. ‘Ik zorg voor hem omdat iemand dat moet doen. Niet omdat katten verzorgen mijn roeping is.’

Dat vond ik erg mooi gezegd van mezelf: niet omdat katten verzorgen mijn roeping is.

Ze zweeg even. Ik voelde dat ze energie aan het verzamelen was om mij een verbale uppercut te geven. Ik was erop voorbereid. Toch werd ik verrast door de onbeschaamdheid van wat ze zei:

‘Doe niet zo schijnheilig. Je hebt’m meteen van me weggekaapt. Ik kreeg helemaal niet de kans om voor hem te zorgen. Jij hebt hem vanaf het eerste moment opgeëist. Jij moet hier altijd over iedereen heen walsen, laten zien hoe superieur je bent. Of zit die chemische stamppot je nog dwars en wil je nu wraak?’

Ik smeet de Muziekkrant Oor weg en kwam overeind.

‘Moet je horen, Annemarie,’ zei ik zacht.

Ze trok een wenkbrauw op. ‘Ja?”

‘Ik moet je iets bekennen. Ik heb zin om je te slaan. Om jou een klap te geven. Echt waar. Of een schop. Je mag kiezen.’

Zonder een spier te vertrekken draaide ze zich om en sloot mijn deur geruisloos achter zich. Ik hoorde haar de trap aflopen, niet met de gebruikelijke bonkige tred, maar met snelle trippelpasjes. Meisje bracht zichzelf in veiligheid.

Even later stond ik stomend van woede in haar kamer. Ze zat op  bed, omringd door haar knuffelbeesten. Voor het eerst bespeurde ik angst in haar blik. Ik zag een grote poster van Bono. Ik had nooit muziek uit haar kamer horen komen. Die poster hing daar zomaar, ze was er toevallig aan gekomen, een kale muur was ook maar een kale muur.

De zanger van U2 stond in een heroïsche pose op een openluchtpodium en zwaaide met een vlag. Achter hem ging de zon onder, ‘Sunday bloody Sunday’ prijkte boven hem in grote rode letters.

U2

De zekerheid dat Annemarie er geen flauw benul van had wat deze woorden betekenden en waar het gelijknamige liedje over ging, vervulde me van zo’n giftige haat dat ik ervan schrok.

Maar onmiddellijk daarop viel ik ten prooi aan een haast verdovende vergevingsgezindheid. Ik zag in dat oppervlakkigheid geen reden mocht zijn iemand te haten. Oppervlakkigheid was geen misdaad, het was in zekere zin een gave. Het was zelfs geen misdaad een jong katje uit het asiel te halen en de verzorging over te laten aan een ander.

Eigenlijk was Annemarie, met haar botte zelfvertrouwen, haar praktische talenten als kokkin en doe-het-zelver, haar eigengereide, astrante optreden, haar kleinzieligheid zelfs, een medicijn. Alleen wist ik niet precies waartegen.

‘Jongedame, luister,’ zei ik tegen mijn huisgenote. ‘Zullen we proberen dit akkefietje op een beschaafde manier op te lossen?’

‘Dat lijkt me geen slecht idee,’ antwoordde ze. ‘Alleen weet ik niet wat jij onder beschaafd verstaat.’

Dat was voor haar doen een elegante formulering.

‘Vreemd,’ zei ik. ‘Voor zover ik weet heb ik me altijd beschaafd gedragen in dit huis.’

‘Als je dreigen met fysiek geweld niet onbeschaafd vindt,’ repliceerde ze.

Je woorden zijn mooi als je boos bent, schoot me te binnen. Maar ik zei: ‘Stel je niet aan, ik heb je niet gedreigd. Maar oké, het was natuurlijk fout om het te zeggen. Dus sorry.’

‘Vertel nou maar wat je te vertellen hebt,’ klonk het kalm, haast moederlijk. ‘Als je iets te vertellen hebt.’

‘Ik breng Kampioentje morgen terug naar het asiel.’

Abrupt rees ze op uit haar vesting van knuffelbeesten: ‘Echt waar?’

‘Ja. Jij kan kennelijk niet voor hem zorgen. En ik wíl niet voor hem zorgen.’

‘Het ging je anders heel goed af. Behalve dit weekend dan.’

‘Ik laat me geen jonge katjes uit het asiel in de maag splitsen, Annemarie. Begrijp je?’

‘Oké, dan,’ zei ze rustig. ‘Doe dat dan maar. Breng dan maar terug. Maar toch vind ik het jammer. Niet voor mij, maar voor jou.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Joentje leek het beste in je naar boven te brengen.’

‘Haha.’

‘Ik meen het.’

‘Nog een keer: haha.’

Ik sloot de deur en ging naar beneden, de vloer dweilen. Dat hoefde niet meer: Annemarie had het al gedaan. Kampioentje sloop snorrend om mijn benen, zoals hij zo vaak deed. De frikandellen waren praktisch onaangeroerd. Ik zag wel aangevreten stukjes leverworst in zijn etensbakje.

In de bus naar het asiel probeerde ik geen acht te slaan op het gepiep dat aanhoudend uit mijn mouw klonk. Eén keer voelde ik aan het nekje van de verstekeling, maar trok mijn hand geschrokken terug toen ik merkte dat het trilde.

‘Je moet nu weer even naar het asiel, maar daarna kom je op een plek terecht waar ze echt goed voor je zullen zorgen,’ fluisterde ik. ‘Zo’n leuke speelgoedtijger als jij hoeft vast niet lang op nieuwe baasjes te wachten.’

Het was wel ver met mij gekomen. Tegen een beest praten. Maar toen ik weer zijn nekje durfde te beroeren, constateerde ik verbluft dat het trillen was opgehouden, en drong het tot me door dat dit ook gold voor het piepen. Kampioentje spinde nu zelfs, en stak zijn kopje uit mijn mouw.

Zwijgend keken wij samen uit het busraam. Bomen en rijtjeshuizen gleden aan ons voorbij. Onze laatste momenten samen, maar dat wist hij niet.

Dierenasiel-in-Zwolle-zit-vol-met-achtergelaten-dieren

In het asiel moesten Kampioentjes nageltjes een voor een uit mijn mouw worden verwijderd.  Ik hield ik mijn blik van hem afgewend terwijl de asielmedewerkster en ik ons samen van deze taak kweten. Ik vertelde haar de waarheid: dat ik niet wenste op te draaien voor de verzorging van een dier dat niet van mij was. Nou, dat begreep ze best.

Maar toen ze hem in een kooitje had gestopt en bevestigde dat jonge katjes meestal niet lang op nieuwe baasjes hoefden te wachten, realiseerde ik me dat hij de speelbal van een machtsstrijd tussen Annemarie en mij was geweest.

Hem houden zou wel een inperking van mijn vrijheid hebben betekend, maar ik had eerder te veel vrijheid in mijn leven dan te weinig.

Ook bedacht ik me, te laat, dat vriendschap tussen mens en dier weliswaar berust op een misverstand, maar daarom nog geen illusie hoeft te zijn. Dat die vriendschap een mysterie is waarvan de sleutel in hele oude aardlagen verborgen moet liggen.

‘Hij heet Kampioentje,’ zei ik bij het weggaan tegen de asielmedewerkster.

‘Het is geen hij,’ antwoordde ze.

De weken die volgden verliepen in opmerkelijke harmonie. Doordat Annemarie en ik een conflict op de valreep beschaafd hadden weten op te lossen, waren we elkaar voorzichtig gaan waarderen. Van de weeromstuit werden Anja en Ankie, trendvolgsters van nature, ook een stuk vriendelijker tegen me.

Een onwezenlijke situatie die niet kon duren.

We deelden met z’n vieren één badkamer, een tochtig hok met een beschimmeld douchegordijn – primitief en aanvankelijk ook levensgevaarlijk door de losse elektriciteitsdraden die uit het plafond staken; totdat Annemarie – wie anders – ze doeltreffend en solide met een plastic kap afdekte.

Op een ochtend had ik haast. Na het gebruikelijke wrikken kreeg ik de badkamerdeur, die vaak klemde, tot mijn opluchting snel open.

Ik schrok. Oog in oog stond ik ineens met Annemarie. Ze was niet aan het klussen. Haar haren waren nat. Haar blote schouders ook. Ze had alleen een onderbroekje aan. Wit met blauwe biesjes en hele kleine blauwe bloemetjes. Waarom me dat opviel? Misschien vanwege het ‘vreselijk ongeluk-syndroom’: het verschijnsel dat je blik onweerstaanbaar wordt getrokken door iets wat je juist helemaal niet wilt zien.

Ik zou de deur weer snel hebben dichtgetrokken, al dan niet excuses stamelend, als iets in haar blik me niet deed verstarren. Langzaam maar vastberaden liet ze de handdoek, die ze voor haar bovenlichaam had gehouden, zakken.

Al die tijd had ze haar begeerte verborgen achter een masker van antipathie, en sinds kort van manmoedige kameraadschap. Ze was niet anders dan de anderen. Ze wilde hetzelfde. Nu viel me pas goed op hoe plomp en onooglijk ze was – en hoe ik boven haar uit torende met mijn 1 meter 95, haar kleineerde met mijn breedgeschouderde, atletische postuur. Toch bood ze zich aan mij aan, en dat maakte me razend. Een boze vloek was het om geconfronteerd te worden met de brandende hoop, het mooie verlangen, de wanhopige dromen van de lelijke vrouw. Ik had het vele malen eerder meegemaakt, ik werd omsingeld door verlangen, alleen had ik gedacht dat deze lelijke vrouw anders was. Het was immers de volmaakt lelijke vrouw. Op mij afgestuurd door het Verbond tegen Meedogenloos Mooie Jongens. Maar misschien was het juist het oogmerk van het Verbond om mij tot ultieme waanzin te drijven met het verlangen dat ik onbedoeld opriep. Al is dat wel een paranoïde gedachte.

Hoe dan ook: ze hadden geen idee wie ik was, de haveloze stumpers die hun wormstekige armen naar me uitstrekten.

‘Sorry, Annemarie,’ zei ik toonloos. ‘Let je er voortaan wel op dat de deur op slot is?’

‘Nee…’ zei ze op wezenloze toon. Ze deed een stap in mijn richting en noemde mijn naam. Ze stak een hand uit. ‘Ik –’

Ik deinsde achteruit. ‘Ben je gek geworden?’ viel ik uit. ‘Voel jij je wel helemaal lekker? Wat denk je wel, imbeciele trut! Blijf uit m’n buurt, stuk ellende!’

Ik schuimbekte van woede. Hartstochtelijk huilend trok ze de badkamerdeur dicht.

Die avond begon ik mijn spullen in te pakken. Ik voelde geen berouw. Dat had geen zin als iets niet was goed te maken. Nooit meer in mijn leven zou ik terugkijken, nooit meer. Zo ben ik uiteindelijk ten onder gegaan in een vlucht naar voren. Want als je dat maar lang genoeg blijft doen, haal je juist weer in wat je wilde ontvluchten. En dan? Dan grijpt de wereld je bij de kraag. En als je pech hebt ook de sterke arm.

‘Sociopathische stoornis, lijkt ooit wel een geweten te hebben gehad, maar heeft dat op een dag bewust begraven,’ staat in het psychiatrisch-forensisch rapport, met als conclusie: ‘Geheel toerekeningsvatbaar’.

Met dat laatste ben ik het geheel eens. ‘Moet met zijn billen op de blaren zitten,’ zou ik zelf aan het rapport hebben toegevoegd.

bajes

Goed, ik ben er nog. En ik kom mijn tijd wel door, hier tussen de hoge muren. Ook hier draag ik mijn kleren en mijn lot met stijl. Misschien is dat mijn enige kwaliteit: stijl. Het vergoedt niet alles wat ik heb gedaan, om de dooie dood niet, maar wel iets.

Ik krijg namelijk veel liefdesbrieven van onbekenden. De afzend(st)ers weten heel goed wat ik heb gedaan, maar wat nog meer indruk op ze heeft gemaakt zijn mijn beeltenis, mijn glans van ongenaakbaarheid, mijn meedogenloze mooiheid, en die biedt ze troost, die bezorgt ze mooie perverse dromen.

Zo draag ik toch ook een beetje bij tot het geluk van de wereld. Op onschuldige wijze schenk ik veel levens het beetje perversie dat ze zo lang node hadden gemist.

Van de lelijke vrouw heb ik ondertussen geen last, laat staan van de volmaakt lelijke vrouw. Om de brieven die ik krijg maak ik me soms vrolijk, soms niet, ik lees ze uit een soort antropologische interesse, maar ik beantwoord er niet een.

Het enige wat ik mis is een bajeskat. Helaas bestaat zo’n beest niet. Ik mag een asielhond trainen, maar dat is het laatste waar ik zin in heb. Ik veracht honden, ik heb alleen iets met katten. Vervaarlijke, gracieuze, ontembare wezens. Geboren wetsovertreders.

Ik weet wel hoe ik zo’n bajeskat zou noemen, al verdient hij die naam helemaal niet. Want hier blijf ik bij: er was er maar één verantwoordelijk voor mijn teloorgang, er was maar één Kampioentje in mijn leven.

En natuurlijk was het geen hij.

Reacties

Vrijheid van meningsuiting is vaak strontvervelend en bestaat dus niet op deze website. Reacties zijn welkom, maar worden door mij gewogen. Ik zie veel door de vingers, maar niet alles. Scheldpartijen worden sowieso geweerd. Seksisme en racisme uiteraard ook.




* Verplicht, email adres wordt niet gepubliceerd