drie

Het stapeltje van drie

CARL STELLWEG

Het hotel lag hoog in de bergen. Het leven is daar heel anders dan beneden. Het uitzicht is dreigender, de zuurstof schaarser, en misschien dat ook de liefde er daardoor haar krachten spaart.

De mensen die er wonen zijn er geboren en hebben de weg naar beneden nooit gevonden, of zijn juist de bergen in gevlucht om te ontkomen aan een leven dat weliswaar rijker is, maar daarom soms juist heel wreed.

De kamer die de jongen in het hotel had, verschilde niet van eenvoudige eenpersoonskamers voor gasten. Een gast was hij niet, maar hem werd wel een prijs berekend.

Hij wist zeker dat zijn vader en moeder hem haatten; dat al deden voordat hij was geboren. Hij was voor hun haat in de wieg gelegd. Hij had geen broertjes en zusjes, de ouderlijke haat trof hem onverdund.

Het hotel was in Fachwerk-stijl. Donkere houten balken, lemen stucwerk, puntdak. Charmant, zeiden ze, kijk eens hoe charmant, maar hij kon niet van iets houden dat niet van hem hield.

fach

Hij zou nooit weten hoe of waarom zijn ouders, die Nederlanders waren, nog voor de Tweede Wereldoorlog in Zwitserland terecht waren gekomen. Hij wist alleen dat hij in Nederland was geboren. Familieleden schenen er nauwelijks te zijn en had hij nooit ontmoet. Waren zijn ouders Joden? Het zou veel verklaren, maar hij gruwde van de gedachte aan stamboomonderzoek.

Hij wilde niets weten, helemaal niets, niet meer.

De vergelijking met een concentratiekamp was misschien ongepast, maar drong zich toch op: een concentratiekamp voor de detentie van één kind. De bossen boden geen uitweg. Eenzaamheid is een bos met maar één boom, las hij in een gedicht. In zijn ogen vormden de bomen starre regimenten van eenzamen, die elkaars toestand eindeloos voortplantten tot er niets anders meer dan eenzaamheid zou bestaan. Het waren in zijn herinnering monotone pijnboombossen, telefoonpaalbossen, zoals je die ook in Nederland ziet.

Zijn ouders hadden nooit iets over zichzelf verteld, beperkten zich tot zakelijke mededelingen. Hij zag ze alleen lachen tegen hotelgasten, kruiperig, wie kon hen verdragen? Toch leek het hotel altijd goed bezet, zelfs in oorlogstijd.  Alle dagen van het jaar aan het werk: het hotel was er niet voor zijn vader en moeder, zijn vader en moeder waren er voor het hotel, een alles verslindend monster.

Ondertussen was een hand het enige waarvoor hij leefde. Monsieur Joachim, zijn tekenleraar, kwam geregeld achter hem staan om te kijken wat hij terecht bracht van een tekenopdracht, legde dan soms een hand op zijn schouder, en liet die daar even rusten. De jongen was een jaar of tien toen dat hem voor het eerst overkwam. De hand oefende nauwelijks druk uit, maar hij voelde hem. Hij voelt hem nog.

Monsieur Joachim had een delicaat voorkomen maar zijn aanraking was, behalve zacht, verrassend vol. De ronding van de schouder vond perfecte beschutting in de kom van de palm. Er kwamen woorden in de jongen op, woorden die hij kende maar uit schaamte zelfs nooit in gedachten had uitgesproken. Hij voelde zich een zaadje dat op ontkiemen stond, een zaadje vol overgave.

Soms gleed de hand licht strelend naar het schouderblad. Golven van zaligheid sloegen door de jongen heen. Altijd had hij zich een eenzaat gevoeld. Misschien was elke eenzaat een verborgen zaadje vol overgave. En als het echt waar was dat er een blinde tederheid rondwaarde in de wereld, een tederheid die overal kon neerstrijken, niemand uitsloot, dan was dat misschien zijn redding.

De jongen wist niet of monsieur Joachim zijn hand ook op andere kinderschouders legde. Hij wist wel beter dan anderen te bespieden, vele ogen waren op hem gericht. Hij besefte dat niemand anders hem aanraakte, vriendelijk of vijandig. Zijn ouders hielden hun handen thuis. Geweld is onmacht, hij was enkel een last waarin ze berustten. Wellicht haatten ze hem niet, wisten ze niet hoe ze van hem moesten houden. Hoe kon hij dat weten?

Bij zijn klasgenoten, boerenkinderen, wekte de jongen nieuwsgierigheid omdat hij in een hotel woonde. Verder meden ze hem omdat hij van elders kwam. Zelf had hij had daar amper besef van. Hij dacht en droomde in het Frans. Hij had wel een onbestemd verlangen naar Nederland, dat geen bergen scheen te kennen, en waar het dus beter moest zijn.

Monsieur Joachim kleedde zich als een vagebond, maar sprak aristocratisch. Af en toe had hij een woedeaanval, en één keer begon hij te huilen om een wissewas. Dat hij een kunstenaar was, een bohemien, droeg hij uit met de hoogmoed die daarbij hoorde. Het leraarschap zag hij duidelijk als een minderwaardige bron van inkomsten, zijn leerlingen lieten hem onverschillig.

Maar als hij zijn hand op de schouder van de jongen legde, zei hij wel eens: ‘Un don inméconnaissable’, een onmiskenbaar talent. Dat was mild van monsieur Joachim, want de jongen tekende weliswaar verdienstelijk, maar zijn grootste talent, wist hij zelf, was zijn verbeelding.

Monsieur Joachim gaf uit gemakzucht vaak vrije opdrachten, en vroeg de jongen soms wat hij precies had getekend.

‘C’est un brontosaure, m’sieur Joachim, le plus grand animal ayant jamais vécu sur terre.’

‘Ce sont les jardins suspendus de Babylone, m’sieur Joachim, une des sept merveilles du monde.’

‘Ce sont les gratte-ciels de New York, m’sieur Joachim, avec la Statue de la Liberté, vous voyez bien?’

‘Ah oui, Nou Jorque…’ zei monsieur Joachim een keer en toen was het heel even of ze iets deelden, en voelde dat erg ongemakkelijk.

Onrust belaagde de tekenleraar continu. Een meewarig gelispel, een intimiderend geroezemoes, voortwoekerend verbaal onkruid, dat na zijn plotselinge vertrek wegstierf. De jongen begreep dat er iets aan het licht was gekomen dat verborgen had moeten blijven, maar wilde er instinctief niets over weten.

De tekenlessen werden overgenomen door een jonge vrouw die de leerlingen ook aanraakte, maar met priemende, tirannieke vingers, vol woede om die onverdraaglijke onschuld en onkunde, die weerloze leeghoofdigheid, die argeloze, onbelaste levens, die schreeuwden om repressie en pijniging.  Ze stak kale takken in een vaas en gaf de opdracht die na te tekenen. Zijn don inméconnaissable verdampte, waar andere kinderen geen diepere bevrediging leken te vinden dan in het plichtsgetrouw vervullen van een van hogerhand opgelegde taak.

Nu pas begreep de jongen dat zijn ouders op hun plaats waren in deze door bergtoppen ingesloten uithoek. Hun levensopvatting paste hier, waar een opeenvolging van voorgeschreven handelingen het enig toegestane, smalle kronkelpad tot een beetje welstand, deugd en uiteindelijk het graf was. Het drong definitief tot hem door dat deze omgeving hem, met de gaven die hij zichzelf toedichtte, niets te bieden had, dat hij alle hoop daarop moest opgeven.

Het kind in de volwassene komt wel eens ter sprake. De volwassene in het kind, daar zwijgt men over. Hij had een kern van vastberadenheid. Hij wist wat hij wilde. Dat was overigens gewoon wat elk kind het liefste wil: warmte en waardering van zijn ouders. Vandaar dat hij zo zijn best deed op de dorpsschool waar hij elke dag te voet naartoe ging, anderhalf uur door een landschap waarvan ze zeiden dat het mooi was, kijk eens hoe mooi, maar dat hem geen horizon, geen vergezicht gunde en waarin hij dus geen schoonheid kon zien.

Hij stond op het punt van opgeven. Het vertrek van monsieur Joachim was een teken geweest. Hij wist dat hij geen beminnelijk kind was. Hij had iets onkinderlijks dat sommigen stoorde. Keek hij in de spiegel, dan wist hij best wat hij waard was. Hij wist niet hoe hij dat kon weten, maar het was zo. Als niemand anders het wist, dan moest hij maar een wereld achter de bergen vinden waar ze niet blind waren, waar ze konden zien wat hij zelf zag. Hij had alleen geen idee waarvan te leven, hij was dertien. Hij besloot het daarom nog één keer met zijn ouders te proberen en bedacht een uniek experiment: hij ging zijn rapport vervalsen. Negens en tienen weggummen, vervangen door vieren en vijven, kijken of ze zouden reageren. Toonden ze zich ontstemd of verbaasd, dan was het bewijs geleverd dat zijn doen en laten hen toch niet onverschillig liet.

Zoals altijd vond hij zijn rapport ondertekend terug op zijn kamer, zonder commentaar. Hij wilde ze aanklampen en zeggen: pappa, mamma, het spijt me dat het rapport minder goed was dan normaal, dat er onvoldoendes op stonden, die hebben jullie toch zeker wel gezien, die onvoldoendes, die hebben jullie toch wel gezien? Het juiste moment kwam nooit, hij was doodsbenauwd voor wat hij in de ogen van zijn ouders zou zien als hij het bestond het diepduister onbestaanbare te zeggen: ‘Het spijt me’.

Hij gumde de onvoldoendes weer weg, verving ze door de oorspronkelijke, nutteloze negens en tienen. Zijn knoeiwerk kon niemand ontgaan, maar zoals het niet was voor te stellen dat er elders in het universum een beschaving was als die op aarde, dat er buitenaardse Bachs, Rembrandts en Leonardo Da Vinci’s bestonden, zo kon hij ook niet geloven dat op enig moment, in enige wereld, enig ander kind zich slechter moest voordoen dan het was om liefde en waardering van zijn ouders te oogsten. En dus werd zijn fraude niet herkend, eenvoudigweg omdat de reden niet te bedenken viel, niet in deze wereld.

Hoe kon hij vluchten? Het antwoord lag voor de hand: door zijn ouwelui te bestelen. Moeilijk zou het niet zijn. Tientallen bankbiljetten had hij door de vingers van zijn vader zien gaan in diens werkkamer, aan zijn bureau. Zijn ouders waren van het soort dat banken wantrouwde, dus moest er veel baar geld in huis zijn. In een brandkast, maar misschien ook elders. Schuldgevoel week snel voor een opluchting die grensde aan gelukzaligheid. Het leven had een doel gekregen, een grenzeloos toekomstperspectief, een feestelijke spanning waarin hij zich geborgen voelde.

’s Middags zat zijn vader nooit in zijn werkkamer, en zijn moeder kwam er helemaal nooit, dus sloop de jongen rond dat uur binnen. Aan weerszijden van het bureau, naast de beenruimte, waren kastjes met deurtjes die met een sleutel dicht konden. Daarboven zat een la zonder slot. De jongen opende de rechterla, vond twee sleutels. Een paste op het deurtje. Hij deed het open en zag een metalen kist met een eenvoudig slot. Hij duwde er de andere sleutel in, stelde ongelovig vast dat hij paste, draaide hem om, het deksel klikte open. Was hij een dief?  Misschien, maar hij voelde zich ook een schatgraver.

stapeltje6

Nog verbijsterender dan de vele bundels bankbiljetten die er lagen, waren de drie gloednieuwe Zwitserse paspoorten. Zijn ouders hadden hem kort geleden naar het dorp gestuurd voor een pasfoto. Nu lag hier een keiharde bekrachtiging van zijn identiteit. Terwijl hij nog lang niet volwassen was! Zagen zijn vader en moeder hem dan toch voor vol aan? Of was dit nu net het bewijs dat ze hem beschouwden als een individu dat los van hen stond, dat zijn eigen plan maar moest trekken, hoe eerder, hoe beter? Maar waarom waren alle paspoorten nieuw? Gingen ze op reis? Waar naartoe en waarom nu? Het was toch overal oorlog? Kon je dan toch naar het buitenland?

Hij sloot de kist en het kastje weer zorgvuldig af, legde de sleutels terug. De volgende stap was bedenken waar hij naartoe zou gaan.

Enkele dagen later bladerde de jongen een door gasten achtergelaten streekkrant door. En ineens werd zijn blik getroffen door een foto van een bekende. Met een ongemakkelijke glimlach hield monsieur Joachim een kloek schilderij vast dat een gewichtig kijkend, corpulent heerschap voorstelde. Dat heerschap stond er zelf glunderend naast. Het portret was vakwerk, dat kon je op zo’n korrelige krantenfoto nog zien, het vervulde de jongen van plaatsvervangende trots. Blijkens het bijschrift ging het om de burgemeester van monsieur Joachims tegenwoordige woonplaats. In het stukje bij de foto stond dat de lokale gemeenschap sinds kort een voortreffelijk kunstschilder tot haar midden mocht rekenen, waardoor de burgemeester thans in het bezit was van een uniek portret.

Onmiddellijk vatte de jongen het plan op naar Monsieur Joachim toe te gaan. Iemand die hem met een klein maar gericht gebaar een gevoel van eigenwaarde had geschonken, mocht hem niet zomaar afwijzen als hij bij hem aanklopte om hulp. Ook al wist de jongen niet eens wat voor hulp hij ging vragen. Misschien wilde hij enkel wat bemoediging. Misschien wilde monsieur Joachim nog één keer een hand op zijn schouder leggen en zeggen dat hij un don inméconnaissable had waarmee hij de wereld kon veroveren.

Voor hij zogenaamd naar school ging, sloop hij opnieuw het werkvertrek van zijn vader binnen. Hij was niet bang te worden betrapt. Wat had hij te verliezen? Op het moment dat hij een stapeltje bankbiljetten en het paspoort meegriste, overviel hem het vermoeden dat het allemaal voor hem was klaargelegd: pak maar, kleine dief, neem maar mee, grijp je kans en donder alsjeblieft op, nutteloos onderkruipsel, zeurend blok aan ons been, lulletje rozenwater zonder kraak of smaak, we willen niets liever, verdwijn uit ons leven.

Hij schudde de gedachte van zich af, stopte de buit in zijn schooltas, waarin verder alleen een appel, een schetsboek, tekenspullen en één schone onderbroek zaten. Hij was niet bang, en ook niet uitgelaten. Hij kende het adres van monsieur Joachim niet, wist alleen de goede richting. In die richting ging hij lopen.

Hij kwam aan bij een station. Er was geen loket open, op goed geluk nam hij de eerste trein. De tentakels van zijn oude leven konden hem voor zijn gevoel al niet meer bereiken. Hij wilde enkel zijn ene voet voor de andere zetten, wielen onder zich voelen, onderweg zijn, nergens zijn.

stapeltje7

Vier keer moest hij overstappen. Eén keer vergat hij zijn schooltas en moest terug. Zijn geld en paspoort zaten er natuurlijk in, maar het verlies van zijn schetsboek zou pas echt rampzalig zijn, want sommige schetsen waren hem dierbaarder dan wat ook ter wereld, en wilde hij heel graag aan monsieur Joachim laten zien.

De tas stond nog midden op het perron, potsierlijk pontificaal. Hij was opgelucht, maar voelde zich ook vernederd: betekende dit niet dat hij, en alles wat hij met zich meedroeg, onzichtbaar waren, er niet toe deden, er nooit toe zouden doen – of het nu ging om gestolen geld, zijn paspoort, of zijn schetsen?

Vlak voor het vallen van de avond bereikte hij het dorp waar hij zijn moest. Schuchter deed hij navraag, in een winkeltje, een herberg, en stuitte op argwaan. Niemand scheen monsieur Joachim te kennen. Hij was zo dom geweest het artikel over het schilderij van de burgemeester niet mee te nemen. Het kwam niet in hem op naar het gemeentehuis te gaan.

Het besef hoe dwaas en kansloos zijn onderneming was geweest, hoe hopeloos hij tekort schoot, rees als ijswater in hem op, vermengde zich met een fatalisme dat elke drang tot beweging teniet deed.

Hij ging op zoek naar een plek om zichzelf te begraven, met al zijn ontgoocheling, zijn ontspoorde, onvolwassen dromen. Ergens in een bos vond hij een droge greppel waar hij de nacht kon doorbrengen. Nadat hij de zon tussen de bomen had zien ondergaan alsof deze voorstelling  zijn ondergang verzinnebeeldde, verwachtte hij spookachtige nachtgeluiden te zullen horen. Maar hij hoorde niets, geen gekraak of geritsel, geen roep van een uil. Hij begreep dat dit vrijheid was, en dat vrijheid de dood in zich borg.

stapeltje8

De stilte van het duister greep hem bij de keel. Angst kroop in zijn kruis, zijn merg, zijn bloedvaten. Het was het soort angst dat je hart kon stil zetten. Hij voelde dat de dood hem hier elk moment kon overmeesteren en meevoeren, ook al was hij jong en kerngezond. Toch viel hij in slaap: hij gaf zich over aan het neefje van de dood.

Toen hij wakker werd, hoorde hij vogels kwinkeleren, zelfs een beekje ruisen. Voor het eerst spraken deze geluiden tot hem. De nacht had hem getransformeerd. Hij was in een tombe gaan slapen en in een bed ontwaakt. Jonge mensen op drift kunnen sterven aan het leven, hun levenskracht is ook stervenskracht. Hij was aan dit lot ontsnapt, had de klip omzeild, de storm doorstaan, was niet gekapseisd, en kon nu met hernieuwde moed, op kalmer, sterker water verder.

Hij stond op, fatsoeneerde zichzelf, pakte zijn schooltas die hij als kussen had gebruikt, strompelde naar de openbare weg, die vanuit het dorp omhoog liep. Op een helling zag hij een houten huisje. Het was nauwelijks meer dan een schaapskooi, toch klopte hij er aan, schooltas in de hand. Er werd opengedaan.

***

Jaren later keerde hij terug naar het hotel. Hij tekende al lang niet meer. Wel had hij zijn oude schetsen bewaard. Uit piëteit, of hoe noemde je dat.

Monsieur Joachim was gestorven, al een tijd geleden, dat wist hij, dat kon hij moeilijk níet weten. Gestorven omdat een schouder mogen aanraken niet genoeg was voor Monsieur Joachim om van te leven.

Dat zijn ouders waren overleden, wist hij niet, maar had hij voorvoeld. Misschien was het beter te zeggen dat de travestie van hun leven voorbij was.

Er was niets meer dat aan hen herinnerde, aan hoe ze al die jaren hadden kromgelegen. De bossen hadden hun doodse dreiging verloren, hij zou er een dag lang in wandelen als een vorst. In de hoteltuin speelden kinderen, gasten en personeel lachten elkaar toe.

Het hotel had zijn ouders met huid en haar opgeslokt en als kleurloze dunne drek uitgepoept, ze spoorloos in de bodem laten verdwijnen, ze als een boze droom ontmaskerd en verjaagd. Hun jarenlange verbeten arbeid was helemaal voor niets geweest. Ze waren verpulverd, weggeblazen, en dat besef schonk hem grote voldoening. De vergetelheid was precies wat hun toekwam.

Hij dacht terug aan het moment dat hij zijn paspoort pakte van het stapeltje van drie, en de la met de achtergebleven paspoorten sloot.

Hij wilde verder niets weten, helemaal niets, niet meer.

Reacties

Vrijheid van meningsuiting is vaak strontvervelend en bestaat dus niet op deze website. Reacties zijn welkom, maar worden door mij gewogen. Ik zie veel door de vingers, maar niet alles. Scheldpartijen worden sowieso geweerd. Seksisme en racisme uiteraard ook.




* Verplicht, email adres wordt niet gepubliceerd