MasaiKids

Edele Wilden, ooit

Een parabel over de verloren schoonheid van de waarheidsvinding, in drie afleveringen

Aflevering 1

 

Het is nog niet eens zo lang geleden dat men ’s morgens vroeg onze rijzige gestalten door het open veld kon zien marcheren. Vervaarlijk moeten wij er hebben uitgezien, met die reusachtige verentooien, loom wiegend op onze hoofden in de warme savannewind – vervaarlijk en tegelijkertijd aandoenlijk onschuldig.

Edele wilden, dat waren we. Kinderen van de natuur. Dat durf ik rustig te stellen. En het is nog niet eens zo lang geleden.

Waar gingen wij naar toe? Naar de kantoorgebouwen die na enige uren marcheren voor ons opdoemden. De kantoorgebouwen waar wij ons dagelijks nuttig maakten. Ja, waar wij ons misschien wel eens nuttig maakten.  Vastberaden verlieten wij dagelijks onze biotoop, het open veld, de savanne, de wildernis, om ons in gindse kantoorgebouwen nuttig te maken.

Eenmaal daar aangekomen, op wat wij  de ‘redactie’, maar soms ook gewoon ‘de krant’ noemden,  staken wij eerst maar eens een sigaar op.  En zeker niet altijd zo’n kleintje. Soms wel  een Cohiba, als we echt trek hadden. Cubaans.  Het kon er af, in die dagen. Het was nog geen Schraalhans Keukenmeester bij de krant.  Niemand die er wat van zei. Sterker nog: niemand die er wat van mocht zeggen. Sterker nog: wie er tóch wat van zei, die mocht wel oppassen. Die liep een gerede kans die dag gehavend het pand te verlaten. Wie bezwaar maakte tegen een beetje geurige Cubaanse tabakswalm, een collega zijn rokertje misgunde, die werd meestal aan zijn benen uit het raam gehangen. Soms wel een half uur lang. Daarover hoefde niet eens eerst te worden vergaderd.

Nog fermer traden wij op tegen de enkelingen bij wie wij een meewarig lachje meenden te bespeuren wanneer de woorden ‘inhoud’  en ‘diepgang’ vielen. Of die zich schuldig maakten aan vuilbekkerij. Nieuwelingen meestal, pas afgestudeerden aan de een of andere moderne prutsersacademie, die ongepaste termen in de mond namen als ‘lezersbehoefte’, ‘nieuwsmanagement’  en ‘crossmediale aanpak’. Die werden krachtig bij de riem en in het nekvel gegrepen en naar het dak van het redactiegebouw getroond. Niet veel later kon de gemeentelijke reinigingsdienst zich dan van haar taken kwijten.

Het moet gezegd dat het gemeentelijk ambtenarenkorps steeds gedienstig voor ons in de houding sprong. Het moet gezegd dat zowat iedereen steeds gedienstig voor ons in de houding sprong. Wij boezemden angst en eerbied in. ‘De koningin der Aarde’, zo heette onze beroepsgroep, onze stam, officieus. Kisten vol Cohiba’s werden wekelijks ter redactie afgeleverd om onze goedgunstigheid te verwerven (zo werden wij sigarenliefhebbers). Wij twijfelden niet aan onze waarde, onze betekenis.

Goed, goed – maar hoe vingen wij het werk nu aan? Door met een geoefende zwaai onze benen op het bureau te gooien en ons toetsenbord op schoot te trekken.  Dat bord, dat zat vast aan een ‘terminal’ . Wie kent dat apparaat nog? ‘Domme terminal’  werd het later genoemd, maar die kwalificatie zou ons pijnlijk hebben getroffen. Voor ons was de terminal ons enige gereedschap. Wij beschouwden het als volmaakt. Sober, en toch met een veelvoud aan louter functionele toepassingen. Wij verlangden naar niets anders dan naar onze  domme terminal, waarmee wij konden lezen en schrijven.

Aldus achterovergeleund, sigaar in het hoofd gestoken, toetsenbord op schoot, drukten wij op de aanmeldknop. En ziedaar: een half uur later was ons eerste leugenachtige, tendentieuze stukje van de dag reeds zetklaar.

Ho, ho. Zei ik leugenachtig, tendentieus? Maar daar is niks van aan! Onze blik op de werkelijkheid was dan misschien beperkt, van de leugen hadden wij geen weet. Van de leugen waren wij, kinderen van de natuur, edele wilden, geheel en al gevrijwaard.  Wij zaten  gekluisterd aan de waarheid, wij konden immers nog niet putten uit dat bodemloze reservoir aan hele en halve leugens en kwaadaardige onbenulligheden dat ons – en jammer genoeg niet alleen ons – later in de schoot zou worden geworpen.

Tijd voor de duivel in dit verhaal. Het moraliserende element van de duivel kan helaas niet ontbreken.

Daar komt hij al, met die kenmerkende, slepende tred van hem.

Wat deed de duivel? Hij zag dit alles aan, dacht er het zijne van, en besloot in te grijpen.

Wie over een klein beetje verstandelijke vermogens beschikt en niet lijdt aan die collectieve persoonlijkheidsstoornis die ‘geloof’  heet, die weet dat God niet bestaat, maar de duivel vermoedelijk wel. En de duivel zag ons aan, ons redacteuren, zo tevreden in de weer met ons dierbare gereedschap, onze domme terminals, en overwoog dat de mens weliswaar een zwak, maar toch ook zeer listig wezen was – en dat hij nog niet klaar met ons was.

Wat was het dan dat de duivel zo aan ons stoorde? Misschien dat wij Aardigheid hadden in ons Vak. Ja, jongens en meisjes, zo was het. Aardigheid in ons Vak.  Sla jezelf maar eens proestend op de knieën. Maak maar gaap-gaap-gebaartjes. Wat het ons in termen van geld opleverde, ons vak, dat kon ons niet eens zo veel schelen. Raar maar waar, het ging ons niet zozeer om een Dikke Vette Baan, het ging ons om Fokking Aardigheid  in ons Vak.

Begrijpen jullie wel, jongens en meisjes?

Enfin, de duivel zat niet stil. De duivel bedacht iets héél, héél slims. Ik steek niet graag de loftrompet over de duivel. Ik reken het niet tot mijn taken om voor advocaat van de duivel te spelen. Maar wat hij toen bedacht, dat was toch wel van een duivelse slimheid. De duivel besloot ons allen met elkaar te verbinden. Hij besloot  een wereldwijd web – of preciezer: een netwerk van netwerken – tussen ons allen te weven,  waardoor iedereen voortaan onherroepelijk tot iedereen was veroordeeld, waardoor iedereen iedereens gijzelaar werd. Hij maakte van de hele wereld één dorp, een ondraaglijk, van kwalijke achterklap gonzend oord  dat van de buitenste grenzen van de dampkring tot diep onder de Zuidpool reikte, een afschuwelijk werelddorp vol schril lawaai, meedogenloze domheid, harteloze kletspraat en ongerijmde oppervlakkigheid dat geen ontsnapping bood, omsloten als het was door de kille duisternis van het grenzeloze heelal.

Het briljante aan deze duivelse ingeving was het risico dat ermee was gemoeid. Immers, door ons met elkaar te verbinden had de duivel ook de broederschap tussen alle volkeren kunnen uitlokken en dat zou hem slecht zijn bekomen. Dat had de duivel niet graag op zijn palmares geschreven willen hebben. Dan had zij zich als duivel nergens meer kunnen vertonen.  Maar het was een gecalculeerd risico. De duivel ‘kende zijn pappenheimers’ natuurlijk.  Hij wist dat als de mens voor een duidelijke keuze tussen goed en kwaad werd gesteld, de keuze meestal niet  moeilijk was.

Dit wist de duivel ook: zoals de jeugd aan jongeren is verspild en het volk de democratie niet verdient, zo is de mens zijn eigen  uitvindingen onwaardig. De mens moest dus, vanuit duivels oogpunt, tot uitvindingen worden aangezet: een oude regel uit het satanische handboek. De duivel kon er in dit geval wel redelijk veilig vanuit gaan dat het web waarin iedereen met elkaar was verbonden, niet tot de broederschap van alle volkeren zou leiden, maar tot de door hem beoogde exponentiële verbreiding van menselijke zwakheden en ijdelheden.

Dat web, dat netwerk der netwerken, dat bestond al veel langer, in beperkte vorm. Het werd, naar verluidt, gebruikt voor nuttige militaire toepassingen, voor geheime informatie-uitwisseling tussen wetenschappelijke instellingen van het leger en dan had het vast tot doel om ons, vrije burgers, te beschermen tegen het Rode Gevaar of iets dergelijks. Maar nadat het Rode Gevaar was geweken, werd het ‘gepopulariseerd’. ‘Voor commerciële doeleinden aangewend’. De duivel had dit deze en gene zo ingefluisterd. En deze en gene vonden het een fabuleus idee.  Om het even wie kon voortaan aan om  het even wie zijn menselijke zwakheid, ijdelheid en domheid doorgeven. Dat was toch wel een zeer aanlokkelijk toekomstperspectief. Daar zat muziek in. En let wel: een en ander zou geheel langs elektronische weg plaatsvinden.  In ‘real time’. Tijd en afstand deden er voorgoed niet meer toe. Wie verzint zoiets rampzaligs, zoiets verdorvens, zoiets door en door geniaals? Wie anders dan de duivel?

(Wordt vervolgd)

Reacties

Vrijheid van meningsuiting is vaak strontvervelend en bestaat dus niet op deze website. Reacties zijn welkom, maar worden door mij gewogen. Ik zie veel door de vingers, maar niet alles. Scheldpartijen worden sowieso geweerd. Seksisme en racisme uiteraard ook.




* Verplicht, email adres wordt niet gepubliceerd