google-as-a-giant-robot

Edele wilden, ooit (aflevering 2)

(Lees hier de vorige aflevering)

Ook wij, edele wilden, wij van de stam die de ‘Koningin der Aarde’ werd genoemd, gingen overstag voor het wereldwijde web en alles wat het met zich meebracht. Ik moet toegeven, het was niet erg koninklijk, zo snel als wij ons gewonnen gaven. Ik moet toegeven dat wij misschien nog meer dan anderen werden betoverd. Wij vergaapten ons aan die mooie iconen, pictogrammen en kleuren, zoals domme inboorlingen zich vergapen aan spiegeltjes en kraaltjes, en voordat wij het zelf wisten begonnen wij te klikken, te slepen, te maximaliseren en te minimaliseren, te chatten en  te mailen met om het even wie, en lieten wij onze eertijds zo dierbare terminals links liggen.

Toen ze werden losgekoppeld en afgevoerd naar het terminalkerkhof, merkten we dat niet eens. Toen de werklieden binnenkwamen om, zoals zij zelf zeiden, die ‘oude rotzooi’ mee te nemen, keken wij niet eens op van onze nieuwe, veelkleurige schermen, zo druk waren wij in de weer met klikken, slepen, minimaliseren, maximaliseren en chatten en mailen met het dondert niet wie. En toen wij eindelijk wel even opkeken, viel het ons nóg niet op dat onze terminals waren verdwenen. Het is zonde dat ik het zeg, maar we waren ons dierbare gereedschap van weleer in korte tijd alweer glad vergeten.

Ja, natuurlijk, ik weet ook wel dat het zo’n stuk gereedschap niets uitmaakt dat het glad wordt vergeten. Het is immers maar een dood ding.  Alleen: dat is het punt niet. Het punt is niet wat zo’n dood ding voelt, maar wat wij zélf voelen. En wij voelden genegenheid. Vriendschap. Voor onze terminals. Die gevoelens leken sterk, maar bleken broos. Die konden zo worden verkwanseld ten gunste van iets dat onze nieuwsgierigheid en hebzucht wekte. Ik ben bang dat we onze gevoelens voor levende zielen even gemakkelijk zouden verloochenen, indien voldoende afgeleid en in de verleiding gebracht.

Goed, wij gingen dus ‘met onze tijd mee’. Dat moesten wij ook wel een beetje, uit hoofde van ons vak. Maar hoe konden wij vermoeden wat ons boven het hoofd hing? Hoe hadden wij kunnen denken dat er enig kwaad school in bedrijven met namen als Microsoft  of Google?

Microsoft, dat ging kennelijk om iets minuscuuls en zachts, iets zeer subtiels en teders. Dat was wat de naam zei. En Google? Ach, Google. De misleidende klank van dat woord. Klinkt ‘google’ niet een beetje als het geluid van een baby die zich met gulzige teugjes aan de moederborst laaft? Klinkt het niet een beetje als de oprispinkjes, of boertjes, tegen het verslikken aan, die aan een gulzig baby’tje ontsnappen wanneer het zich aan de moederborst tegoed doet? Zijn er schattiger geluidjes denkbaar? Wat kon een bedrijf dat zulke aandoenlijke associaties opriep ooit voor kwaads aanrichten? De mensen die zo’n naam voor hun bedrijf bedachten, dat konden toch alleen schatten van mensen zijn?

Wel, Google bleek inderdaad een baby te zijn. Maar dan een hele grote. Een even leeg als monsterlijk schepsel, een Ungeheuer ohne Eigenschafte, dat niet op eigen benen kan staan, dat helemaal niets kan, niets creëert, maar wel alles opeist, besmeurt en bezoedelt en uiteindelijk zal vernietigen door een ongekende machtspositie te veroveren in een maatschappij die lijdt aan informatieschimmel,  die alleen nog in abstracties handelt, die in haar eigen rekenmodellen is opgelost; door het kostbare onderscheid tussen Mijn en Dijn met voeten te treden, door het beginsel dat alles van waarde aan iemand toebehoort, het beginsel dat niet alles zomaar voor iedereen te allen tijde opeisbaar, beschikbaar en inzetbaar kan en mag zijn, het beginsel dat je iets dat je niet zelf heb bedacht of gemaakt niet zomaar in bezit en in gebruik kunt nemen of straffeloos kunt nabootsen omdat zulks neerkomt op diefstal dan wel plagiaat – door dit onschatbare marxistisch/kapitalistische Beginsel van Waarde en Eigendomsrecht, het fundament van elke beschaafde samenleving, met voeten te treden – zal Google alles vernietigen.

De baby aan de moederborst is voorbestemd om uit te groeien tot een meedogenloze parasiet die de wereld van al haar voedzame sappen zal beroven. Uiteindelijk verslindt Google alles en iedereen. Er blijft niets anders over dan Google zelf, waarop Google gedwongen zal zijn zichzelf te verslinden – als een haai die, gek geworden van de geur van zijn eigen bloed, in zijn eigen staart hapt.

En zo zal de wereld niet eindigen with a bang, en ook niet with a whimper,  maar met zo’n treurig gorgelend geluid van een laatste restje badwater dat door een  afvoerput verdwijnt.

Edele wilden, dat waren we. Kinderen van de natuur. Het is nog niet eens zo lang geleden. Maar dat lijkt het wel.

Onze stam wordt niet meer ‘De Koningin der Aarde genoemd’, maar  ‘De Media’s’. En ‘De Media’s’, zo wordt gezegd, die ‘manipuleert’.  Iedereen weet onderhand wel dat bij De Media’s, de leugen regeert dat het een lieve lust is en het een aard heeft.

En zal ik eens wat zeggen? Het is nog waar ook. En nu spreek ik wel degelijk even de waarheid.

Het wereldwijde web had ons bestaan lelijk door elkaar geschud. Wij werden er door betoverd. Maar wat erger was: ons publiek werd er ook al door betoverd. Samen met ons publiek vergaapten wij ons aan het wereldwijde web. Er was dus geen onderscheid meer tussen ons en ons publiek. Dat was het begin van het einde.

In de tijd van de domme terminals waren wij een soort tussenpersonen, middelaars, vertalers, verwerkers. Het ruwe materiaal dat onze terminals aanleverden, vulden wij aan met eigen bevindingen, schiftten wij, bewerkten wij, en – het belangrijkste van alles, blijkt achteraf – voorzagen wij van een aantrekkelijke verpakking. Maar nu had het publiek dat wereldwijde web al, waartoe iedereen gratis voor niets toegang had,  dat iedereen een schat aan informatie bood en dat van zichzelf al zo mooi was. Waarvoor had ons publiek ons dan nog nodig? Het is zeker waar dat een groot deel van ons publiek zo dacht. Voor zover een publiek denkt, natuurlijk.

Wij zelf twijfelden ook aan onze waarde. Natuurlijk moesten wij ons vernieuwen, maar je kunt jezelf alleen behoorlijk vernieuwen als je nog in jezelf gelooft. En dat deden wij niet meer. Hadden wij dan echt niets meer te bieden dan dat wereldwijde web? Natuurlijk wel, op onze primitieve manier. Wat dan? Iets dat misschien nog het beste kan worden omschreven als ‘ambachtelijkheid’. Maar voor ambachtelijkheid, vakbekwaamheid, ging je maar naar de Derde Wereld, was de teneur. Wij hielden ons inmiddels bezig met belangrijker zaken,  zoals het ‘implementeren van werkprocessen’ en het ‘integreren van eerstelijnsmanagementsystemen’ en dergelijke.

Wat hadden wij dan moeten doen? Iemand die slim is, en dat zijn helaas niet zo gek veel mensen, die weet dat je met je tijd moet meegaan door vooral niet met je tijd mee te gaan. Want ‘meegaan’  betekent dat je niet meer bent dan een meeloper en een meeloper is altijd een achterloper, in voetbaltermen: iemand die ‘achter de feiten aanloopt’. Je moet niet meelopen, maar voorop lopen, en dat doe je weer door iets te bieden dat deze tijd niet biedt en waaraan dus behoefte is – is het niet onmiddellijk, dan toch in de nabije toekomst. Tegen de tijd ingaan: dat lijkt heel conservatief, maar het is juist heel progressief. En wat bood deze tijd niet? Inhoud. Diepgang. Daarin blinkt het wereldwijde web nu eenmaal niet uit. Het blinkt uit in kwantiteit en niet in kwaliteit.

Maar wacht eens: inhoud? Diepgang? Waren dat nu net niet die eigenschappen waarop wij ons vroeger zo nu en dan lieten voorstaan?  Wij moesten dus nog meer inhoud en diepgang bieden. Dat was onze onvervreemdbare, onvervangbare kwaliteit, ons unique selling point. Daarop moesten wij vertrouwen. Misschien moesten wij hele andere pagina’s gaan maken. De obligate nieuwsopening, die de meeste lezers toch schenen over te slaan, vervangen door een messcherpe nieuwsanalyse of gewoon een brutaal opiniërend stuk. Misschien moesten wij onze in jaren opgebouwde conventies van ons afwerpen en vrijer, tegendraadser gaan werken. Met meer helderheid en nóg meer kennis van zaken. Misschien waren de edele wilden de laatste jaren een beetje ingedut en moesten zij gewoon betere kranten gaan maken. In ieder geval behoorden wij een dam op te werpen tegen die vloedgolf aan conformisme die ons via het wereldwijde web bereikte, want dat web ontwikkelde dan wel steeds nieuwe toepassingen, inhoudelijk was het niet bepaald vooruitstrevend. Inhoudelijk neigde het naar truttig, naar reactionair, naar imbeciel, naar ronduit persvers. Want zo is de Massa, als je die niet Opvoedt. Zo zijn jullie, jongens en meisjes – waar of niet?

Tegendraadser, creatiever werken, dat moesten we dus, en onszelf enige tijd een kans geven. Mocht het uiteindelijk echt niets opleveren, tja, dan behoorden we de moed op te brengen om onze overbodigheid plechtig uit te roepen en naar ander emplooi uit te zien. Er zijn ergere dingen. Niets is voor eeuwig en we deden het toch al niet in de eerste plaats voor een Dikke Vette Baan, maar om het idee dat het ergens op sloeg.

Helaas zagen de leiders van onze bedrijfstak het anders. Tot onze schrik ontdekten we dat onze bedrijfstak in handen was gevallen van geldwolven. Let wel: ik heb niets tegen geldwolven – behalve dat ik ze veracht – maar een ondernemer is heel iemand anders. Een ondernemer gebruikt zijn verstand, een geldwolf volgt hooguit zijn instinct, en dat leidt zelden tot iets goeds. Een ondernemer is er niet op uit om zo snel mogelijk zo veel mogelijk bankbiljetten in een zo groot mogelijk aantal zakken en lichaamsopeningen van zichzelf te proppen en er dan heel snel vandoor te gaan. Een ondernemer is uit op het behoud van zijn onderneming. Als hij daarbij wat veren moet laten, dan is dat spijtig, maar het belangrijkste is dat zijn onderneming overleeft.

De krantenuitgevers waren in de loop der jaren rijk geworden door de advertentie-inkomsten. Dat was vanzelf gegaan, daarvoor was geen ondernemersvernuft nodig geweest. Toen die advertentie-inkomsten begonnen te slinken, maakten ze stampij, deden ze stoer, maar kwamen ze met geen enkel goed idee. Katernen inkrimpen, bijlagen opheffen, titels samenvoegen, mensen ontslaan, dat konden ze, maar dat kan iedereen. Soms noemden ze dat samenvoegen van titels ‘een geheel nieuw krantenconcept’, terwijl iedereen wist dat het een tot mislukken gedoemde rendementsoperatie was, uitgevoerd door geldwolven, ter meerdere eer en glorie van nog grotere geldwolven: ook sommige krantenconcerns kenden inmiddels de hippe bedrijfsconstructie van ‘dief en diefjesmaat’. Ja, ze toonden hun ware aard: parvenu’s waren het, mensen die nooit hadden leren ondernemen, maar zichzelf in de loop der jaren desondanks als masters of the universe waren gaan zien.

(Wordt vervolgd)

Reacties

Vrijheid van meningsuiting is vaak strontvervelend en bestaat dus niet op deze website. Reacties zijn welkom, maar worden door mij gewogen. Ik zie veel door de vingers, maar niet alles. Scheldpartijen worden sowieso geweerd. Seksisme en racisme uiteraard ook.




* Verplicht, email adres wordt niet gepubliceerd