Mijn magisch moment in 2019: een optreden van The Libertines

Foto The supermat

DOOR CARL STELLWEG

Het jaar 2019 ligt achter ons, Men heeft zich bezonnen. Teruggekeken, de balans opgemaakt. Zo is Men nu eenmaal, en omdat ik Men niet altijd tegen de haren in wil strijken, heb ik er maar aan meegedaan.

Kleine moeite, want ik was snel klaar: ook het afgelopen jaar ben ik voor de volle honderd procent gelukkig geweest.

Oké, oké, het leven is lijden, de mensheid gemankeerd, de wereld een open wond, shit man, ik ben de laatste die dat onder stoelen of banken zal steken – maar aan mijn persoonlijke geluk doet dat niets af. En daar heb ik drie keiharde redenen voor.

Eén: geen dag in mijn leven heb ik armoe of gebrek geleden. Twee: geen dag in mijn leven ben ik ernstig ziek geweest. Drie: geen dag in mijn leven heb ik niet geweten dat er iemand was die om mij gaf.

Let wel, mijn geluk is niet volmaakt, want dan zou het niets meer betekenen, maar aan de basisvoorwaarden is geheel voldaan, en omdat ik dit ten diepste besef, kan ik toch oprecht zeggen dat ik geheel gelukkig ben.

Was het dan een jaar als alle andere? Nee. Samen met mijn vriendin heb ik namelijk iets magisch en onvergetelijks meegemaakt: een concert van de rockband The Libertines.

Viering van het leven
Jullie kennen The Libertines niet? Ach, stakkers. The Libertines zijn de ultieme muzikale viering van het leven. De perfecte combinatie van overrompelende jongensachtige bravoure en lyriek. De volmaakte samensmelting van punk en poëzie.

De muziek van The Libertines pepert je ongevraagd in wat een ongehoord voorrecht het uiteindelijk is om te leven. Wat een grenzeloos geluk het is om te ademen, te bruisen, te bestaan. Om er te zijn in plaats van er niet te zijn.

‘Garagerock’ schreven de kenners. En: het Britse antwoord op The Strokes en The White Stripes. Duh! Vergeleken met The Libertines maken The Strokes en The White Stripes simpele, houterige blues.

De Libertines spelen hard, snel en slordig, dat is de enige overeenkomst. Aan hun melodische en tekstuele rijkdom, de hectiek en dynamiek, de wendingen en tempowisselingen, het flamboyante drama en de grootse, zoete melancholie, kunnen die Strookjes en Stripetjes en hoe het verder heten mag niet tippen.

Pete_Doherty_

Pete Doherty Foto Yeti-vert

The Libertines zijn het geesteskind van twee problematische, demonische jongens. Geluk kent namelijk altijd een prijs – anders zou het, alweer, niets betekenen. De ene jongen – Pete Doherty – is nog veel problematischer dan de ander – Carl Barât.

Vanwege zijn uitputtend gedocumenteerde drank- en drugsgebruik is Pete Doherty de meest beruchte Britse rockster sinds Keith Richards. Maar waar Keith Richards iets weg heeft van een roverhoofdman, straalt Pete Doherty met zijn kwetsbare lichaamstaal en bijna kitscherige kindergezicht een eeuwige onschuld en hang naar liefde uit.

Koning van de knuffeljunks
Pete won op zijn zestiende een poëziewedstrijd die hem een door de British Council georganiseerd reisje naar Rusland opleverde. Op zijn zeventiende maakte hij zijn televisiedebuut met de onbetaalbare uitspraak: ‘I subscribe to the Umberto Eco view that Noel Gallagher’s a poet and Liam’s a town crier, and I’ve always seen that as a perfect combination’.  Dat zei hij toen hij in de rij stond voor een nieuw album van Oasis en een verslaggever van MTV hem een microfoon onder z’n neus duwde. (‘Ik heb nog nooit van die mensen gehoord’, zei Umberto Eco desgevraagd in 2015. ‘Ik ben een muzikale dinosaurus, mijn kennis reikt niet verder The Beatles.’)

Niemand – Pete zelf waarschijnlijk ook niet – kon vermoeden dat dit guitige, bijdehante, overigens liefdevol opgevoede ventje  zou uitgroeien tot de koning van de knuffeljunks.

tegelpiet3
Inmiddels beweegt hij zich in een duistere wereld van parasieten, pushers en mede-verslaafden, heeft hij drie keer in de gevangenis gezeten, is betrokken geweest bij diefstal en geweldpleging, is vele malen gearresteerd, heeft erbij gestaan toen vier mensen in zijn onmiddellijke entourage, onder wie Amy Winehouse, een beetje slordig en voortijdig om het leven kwamen, kortom: hij is meer dan een deugniet, hij Deugt Niet, en velen hebben inmiddels hun afkeer van hem geuit – en toch heeft hij nog altijd fans bij de vleet.

Mensen die een getormenteerde bohemien in hem blijven zien. Die niet twijfelen aan zijn onschuld en zijn dichtersziel. Onder wie mijn vriendin en ik.

Ja, we zouden beter moeten weten. Dat willen we alleen niet. Want ach, die liedjes.  You’re my waterlooMusic when the lights go outI am the rain. Om er maar een paar te noemen. We vergeven hem alles. Vanwege die liedjes, die ons leven hebben veranderd.

Het valt natuurlijk niet mee een fan van Pete te zijn. Met zijn eigen begeleidingsband, de Puta Madres, zou hij op 21 juli optreden in het theater in het Amsterdamse Bos. Voor het eerst gingen mijn geliefde en ik hem live zien. Dachten we. Hoopten we.

Na een wandeling van een uur in de snik-hitte, van ons shithotel in Amstelveen naar dat verdomde theater in dat stinkbos, bleek hij ons, uitgerekend ons, zijn overbekende kunstje te hebben geflikt: meneer zat nog in Ierland, waar hij de avond tevoren had opgetreden. Paspoort kwijt, Ierse immigratiedienst wilde niet meewerken. ‘Pete apologizes and is very upset,’ aldus het management. Het feest ging niet door.

doherty cancelled

Very upset? Nee, dat waren de fans die uit Engeland, Duitsland, Frankrijk en Rusland naar het Amsterdamse bos waren toegestroomd, niet Pete. Want op zijn instagram- twitter- en facebookaccount maakte hij geen woord vuil aan de afgelasting.

Enfin, we kregen ons geld terug, en alsof er niets was gebeurd, togen we op 21 november naar Tivoli/Vredenburg voor een optreden van The Libertines. In de hoop dat Carl Barât de boel nu in goede banen zou leiden.

Carl Barât is Pete’s hartsvriend en soulmate, met wie hij twintig  jaar geleden de gelofte aflegde dat ze het samen zouden maken in de muziek. Met wie hij een persoonlijke mythologie creëerde, waarin ze op het schip de ‘Albion’ naar het gedroomde land ‘Arcadia’ zouden zeilen.

Barat

Carl Barât

En lo and behold, Arcadië werd bereikt: rond 2004 lagen pers en publiek aan hun voeten. Maar toen ging het mis. Pete was door zijn drugsgebruik en  onberekenbare gedrag niet te handhaven, en Carl gooide hem uit de band. The Libertines hielden op te bestaan, Pete ging door met The Babyshambles, ofwel Libertines 2.0, Carl begon aan een moeizame solocarrière, want hij mag dan zelf niet gespeend zijn van charisma en eigenlijk de betere muzikant zijn, en een prima songsmid bovendien, hij heeft domweg niet Pete’s grandeur.

Explosieve liefdesrelatie
Natuurlijk kwam het tot een verzoening, want Pete en Carl zijn hopeloos aan elkaar verknocht, ze hebben een explosieve liefdesrelatie zonder dat het nichten zijn. Zoiets heet geloof ik een bromance. Hun fysieke affectiebetuigingen zijn niet seksueel geladen, maar kinderlijk romantisch en ongeremd. Na een reünieconcert in 2010 volgde er in 2015 eindelijk weer een album, het overtuigende Anthems for a doomed youth.

Pete raakte even van de drugs af, ging natuurlijk weer gebruiken omdat hij namelijk niet deugt, maar al met al nam het wangedrag gestaag af. Zelfs Pete leek op zijn manier een beetje wijzer te zijn geworden, dat afgelaste concert in het Amsterdamse Bos was waarschijnlijk een incident.

In de week voorafgaand aan het optreden in Tivoli bereikten ons helaas toch weer zorgwekkende berichten. Pete werd in Parijs twee keer binnen 48 uur  opgepakt. De eerste keer omdat hij in de rosse buurt Pigalle cocaïne had geprobeerd te scoren. De tweede keer vanwege een dronken handgemeen, nadat hij was vrijgelaten.

De rechter veroordeelde hem tot een boete van 5000 euro en een gevangenisstraf van drie maanden. Voorwaardelijk, waardoor de Libertines hun tournee met hem konden voortzetten.

Pete is een ontzettend lieve, zachtaardige jongen (‘un garçon extrèmément gentil, très doux’), sprak zijn advocaat, hij heeft veel spijt en het zal niet meer voorkomen.

Pete apologizes and is very upset.

Goed, mijn vriendin en ik staan in Tivoli/Vredenburg op de boomer-balustrade, het is half negen, we hebben twee belachelijke voorprogramma’s doorstaan en zijn nu in gespannen afwachting van de hoofdact. Nijvere technici brengen het podium in gereedheid. Net hebben ze drie standaards met microfoons aan de rand van het podium geplaatst.

Maar hé, wie verschijnt daar ineens tussen al die bedrijvigheid? Het enfant terrible in eigen persoon. In een pak met stropdas, want Pete, inmiddels 40 jaar, mag er dan vaak wat ongezond uitzien, hij blijft een dressman, een dandy tot het bittere eind. Het valt op hoe lang hij is. Er gaat een bepaalde dreiging van hem uit. Wat heeft hij in zijn hand? Een soort staaf.

En voordat we het weten heeft hij daarmee alle drie de microfoons keihard van hun standaards gemept, waarbij de laatste microfoon als een levensgevaarlijk projectiel de zaal in lijkt te schieten.

Daarop maakt hij zich uit de voeten, lachend, zijn armen in triomf geheven.

We zijn totaal verrast. Verbijsterd. Ontzet. Mijn vriendin kijkt naar mij op en klinkt bijna als een angstig en verontwaardigd klein meisje: ‘Dat is toch helemaal niet leuk?’

Nee, dat is zeker helemaal niet leuk. Sterker nog: wat een klootzak. Wat een idioot, wat een gek. En dat moet straks optreden? Daar heb ik meteen al een hard hoofd in.

Helemaal naar de klote
Een half uur verstrijkt. Drie kwartier. Een uur. Anderhalf uur. ‘It’s not going to happen,’ hoor ik wat routiniers uit de Britse Libertines-fankaravaan zeggen.

Ik zie een meisje van de security bij het podium. Ze is aan het bellen, ik ga naar haar toe. Gaat het nog door? Ze weet het niet. ‘Ik hoor dat Pete op dit moment helemaal naar de klote is.’

Van een ingewijde verneem ik later dat Pete overdag al erg dronken was: ‘Hij stond buiten het muziekcentrum en vroeg of ik een tequila voor hem wilde kopen, wat ik weigerde. Gezien de staat waarin hij verkeerde, kon ik me niet voorstellen dat het optreden zou doorgaan.’

Een woedend, gitzwart chagrijn borrelt in me op. Hij gaat het ons godverdomme toch niet nóg een keer flikken? Mijn stemming wordt kracht bijgezet door het boegeroep en de fluitconcerten die nu uit de zaal klinken. Sommige bezoekers pakken al hun biezen.

En dan staat-ie daar ineens toch. Alleen, zonder z’n makkers. Gitaar om z’n schouder, groot glas met iets geligs in zijn hand, geen bier, waarschijnlijk een stevige cocktail.

‘There’s a lot going on backstage at the moment, I can tell you that,’ zegt hij grijnzend.

Hij wankelt even, lijkt nog steeds half beschonken. Een regen plastic bekertjes landt op het podium.

‘Als jullie mij willen bekogelen, doe dat dan met glas in plaats van met plastic, want glas reflecteert minder hinderlijk,’ klinkt het uitdagend.

Vervolgens heeft hij het lef te schreeuwen of we nog een concert van de Libertines willen of niet. Ja, dat willen we, en vlug een beetje. Hij begint gitaar te spelen. Het klinkt verrassend goed.

Daarop gaat hij zingen. Pete heeft een aangename, hese tenor, maar echt zuiver klinkt-ie zelden. ‘Dit nummer zing ik anders nooit,’ mompelt hij, en we menen een twinkeling van zelfspot te zien. ‘Carl?’ roept hij over zijn schouder, tot algemene hilariteit.  En nog eens: ‘Carl?’

Dan duikt Carl op uit de coulissen. ‘Wat moet ik anders?’ lijkt hij te gebaren. Onmiddellijk neemt hij de zangpartij van Pete over. Dat doet hij op uiterst energieke wijze. De professional grijpt goddank het initiatief. De bassist en drummer zijn er inmiddels ook.

Het gitzwarte chagrijn ebt meteen weg, maakt plaats voor een kinderlijke uitgelatenheid. Het gaat door!

Wat volgt is pure betovering.

Zeker, de Libertines spelen schandalig nonchalant, perfectionisme is zacht uitgedrukt niet aan ze besteed. Desondanks is er geen speld tussen te krijgen. Ik heb nog nooit zo’n ongelooflijk hechte band gehoord. Het is alsof je een muzikale vuistslag krijgt toegediend. Een vloeiende muzikale vuistslag, als zoiets kan.  Nou, dat kan.

Geen idee hoe deze ongedisciplineerde pummels het precies voor elkaar krijgen, zonder de toeters en bellen waarmee veel andere groepen hun onkunde maskeren, zonder effecten als distortion, fuzz en feedback, maar ze klinken als een orkaan. Een orkaan is chaos waar systeem in zit, en dat geldt ook voor de Libertines.

Ze zijn eigenlijk een raadsel, een geheimzinnige eenheid. Er gaat een hele hoop mis, en toch loopt het geen moment uit de hand. Ook al rammelt het soms als een gek, het blijft zwierig, dwingend en doelgericht. Ze zijn meer dan zomaar een band, geen twijfel mogelijk. Ze zijn een tot zichzelf veroordeelde bende.

‘We hebben altijd in liedjes geleefd, we hebben geen geloof, niets anders dat ons definieert, dus sprak het voor zich dat we op een gegeven moment eigen liedjes gingen schrijven,’ zei Pete ruim vijftien jaar geleden al, en nu begrijp ik beter dan ooit wat hij bedoelde.

Ja, het komt natuurlijk gewoon door de liedjes dat The Libertines zo vreselijk goed zijn. Die liedjes trotseren alle wanorde. Alle bekende krakers – Up the bracketTime for Heroes, What a waster, The Good old daysDon’t look back into the sunWhat became of the likely lads, You’re my Waterloo, en natuurlijk I get along  – passeren de revue. Ze moeten al honderden keren door hun bedenkers zijn gespeeld, maar er zit geen sleet op. Het is echt jaloersmakend repertoire.

O ja, joh ? Ja, joh. Laat het me uitleggen.

In pak’m beet drie nummers van The Libertines zit meer muziek dan op een heel album van Oasis, en dat is niet overdreven. En zo slecht is Oasis niet eens.

De melodieën zijn pakkend en meeslepend en nooit voorspelbaar. Ook op CD is de uitvoering, sporadische rustpunten daargelaten, onstuimig, in elk nummer zit dynamiet, maar de structuur is vaak intrigerend en rijk gelaagd. Daarnaast vallen er heel veel verschillende invloeden te beluisteren: van punk tot pop tot music hall tot folk tot rockabilly tot vaudeville tot chanson. Geen moment zitten die genres elkaar in de weg, de stijlcitaten zijn altijd to-the-point.

Bovendien kunnen The Libertines, anders dan wel eens wordt beweerd, goed spelen. Carl Bârat soleert vloeiend, Pete heeft een lekker losse maar ook harde, trefzekere aanslag.

Op de soepele baspartijen van John Hassall – het enige bandlid dat een stoïcijnse kalmte bewaart, zoals het een bassist betaamt – en het opwindende drumwerk van Gary Powell valt al helemaal niets aan te merken. Ze leggen een ijzersterk fundament.

Het dondert niet dat veel nootjes net niet op het juiste moment en in de juiste cadans worden gespeeld, en er ook regelmatig een vals nootje tussendoor glipt. De Libertines zijn best in staat elk nootje zijn rechtmatige plaats toe te bedelen als ze geen overschot aan energie hadden. Er is geen tijd voor finetuning, het ene nummer is nog niet afgeragd of het volgende staat al in de startblokken. Die woedende vitaliteit is essentieel.

Veel liedjes zijn in al hun uitbundige muzikaliteit niet helemaal af, en dat is ook een reden dat ze niet vervelen: ze blijven zich in het bewustzijn, of onderbewustzijn, ontwikkelen.

De teksten, tenslotte, vallen op doordat ze wars zijn van clichés. Vertrouwde thema’s als liefde, vriendschap en het verlangen naar groots en meeslepend leven worden ongekunsteld maar met ongewone en speelse woordrijkdom en veel wrange humor bezongen. Het belangrijkste: de woorden vormen een vanzelfsprekende eenheid met de muziek.

Roekeloze schoonheid. Talent dat zichzelf groots en meeslepend ondermijnt. Dát is wat de Libertines zo bijzonder maakt. En dat is wat Pete Doherty zelf, de ziel van de band, tekent.

Onder de boomer-balustrade kolkt het inmiddels. Alles wordt uit volle borst meegezongen. Fans gooien zich tegen elkaar aan, en het edele oude ambacht van het crowdsurfen wordt weer met enthousiasme beoefend, wat schitterend is om te zien.

Bier, zweet, vriendschap, seks en muziek. Rauwe, eloquente muziek: dat zijn de Libertines. Wat een feest. Hield het maar nooit op.

Pete is ineens helemaal niet meer naar de klote. Hij is bezield. De muziek tilt hem kennelijk boven alle vuiligheid en hopeloosheid uit. Geen cocktail meer voor hem, we zien hem zelfs in de weer met een flesje water. Hé uitslover, dat hoeft nou ook weer niet!

Aan het onherroepelijke einde van een in alle opzichten bijzondere avond toont hij zich zelfs even een gentleman: ‘Thank you for your patience,’ zegt hij, en is weg.

Mysterieus verband
Ik denk nog een tijdje na over die krankzinnige actie van hem met die drie microfoons. Eerlijk is eerlijk, deze avond is met name onvergetelijk geworden door de emotionele achtbaan waar Pete ons doorheen heeft gejaagd. Er lijkt ook een mysterieus verband te bestaan tussen die drie meppen en de drie redenen voor mijn geluk die ik aan het begin van dit stukje heb gegeven. Het lijkt of Pete elk zedelijk fundament onder je wil wegschoppen, elk redelijk levensbeginsel met voeten wenst te treden, elke grens die je hebt getrokken achteloos overschrijdt.

Hij heeft echt, wezenlijk, schijt aan alles. En je pikt het, vanwege het wonderschone dat je er af en toe voor terugkrijgt. Vanwege het feest dat het is om hem en zijn maten op hun best mee te maken.

Pete is een klassieke rockster. Maar hij is nog zo veel meer. Hij is een genie, zelfs als ik zijn talent overschat.

Ik denk ook aan wat ik een ander briljant drankorgel, de acteur Richard Burton, ooit hoorde zeggen: ‘I did suddenly wake up one morning and found out how splendidly rich and extraordinary the world was, and I knew I couldn’t bear this richness and beauty.’

Ik zie op YouTube Pete Doherty het politiebureau in Parijs verlaten, waar hij tien dagen voor het concert even heeft vastgezeten. Hij ziet er, zacht gezegd, niet fris uit, maar dat is normaal. De grijns van de garçon extrèmément gentil, très doux verraadt dat het hem allemaal aan zijn reet zal roesten, dit akkefietje is ook weer achter de rug.

En daar rent al een aantrekkelijke jonge vrouw op hem af, en werpt zich tegen hem aan, slaat haar armen om zijn nek.

. katia2

Het is zijn Franse vriendin Katia de Vidas, toetseniste van de Puta Madres. Nog mooier is ze, vind ik, dan Pete’s bekendste ex, Kate Moss. Aristocratisch mooi. Kan ze niks beters vinden dan deze pafferige vagebond, die al lang geen mooie jongen meer is met die wallen onder z’n ogen, die zweren op z’n gezicht en handen, die halfrotte tanden?

Ze wijkt al jaren niet van zijde. Is ze die eeuwige problemen van hem niet een keer zat?

‘I learn so much from Peter,’ heeft ze eens in een interview gezegd.

Katia en Peter stralen. Peter maakt met twee vieze vingers het overwinningsteken. Z’n vingers zijn om een of andere reden altijd vies.

Stevig gearmd lopen ze uit beeld. En ineens komt de gedachte in mij op dat Pete Doherty gewoon gelukkig is. En verder schijt heeft aan ons, aan alles.

Boomers bestaan echt, Maarten van Rossem is het prototype

yfWXFqNqvyrSAfl-800x450-noPad_boomer

DOOR CARL STELLWEG

De klachten over de kreet OK boomer zwellen aan. Polariseert! Stigmatiseert! Discrimineert! Verbindt niet!

Maar zal ik, 60-jarige, jou eens wat zeggen, boomer?

Van mij mag hij, die kreet.

Ik gebruik hem zelf weliswaar met mate, al was het maar omdat ik vanwege mijn leeftijd dan dikwijls ‘joh, je bent zelf een boomer’ naar het hoofd geslingerd krijg, maar ook omdat kreten hun kracht verliezen wanneer je er te kwistig mee strooit.

Wat me desondanks aan OK boomer  bevalt, is dat hij de terugkeer van het generatieconflict  suggereert. Dat zou namelijk een zegen zijn.

Géén zegen was wat we de afgelopen tientallen jaren hebben gezien: ouders en kinderen die oppervlakkige vriendjes van elkaar werden om samen ongestoord te kunnen delen in het comateuze consumentenparadijs dat onze samenleving  was geworden.

Begrippen als ‘burgerzin’, ‘verantwoordelijkheid’ en ‘opvoeding’ verdwenen naar de achtergrond omdat ze in geen enkel verdienmodel van pas kwamen.

Maar ouders behoren hun kinderen op te voeden. En kinderen – of jongeren – uiteindelijk ook hun ouders.  Vooral dat laatste, want ga er maar vanuit  dat jonge mensen meestal gelijk hebben.

Het enige nadeel van jonge mensen is dat ze oud worden, maar gelukkig wordt niet iedereen even beroerd oud, dus is er wel degelijk vooruitgang mogelijk. Er bestaan immers ouderen die bereid zijn van jongeren te leren.

Leren van stagiairs
Een lichtend voorbeeld ben ikzelf! Jarenlang heb ik gewerkt op de redactie van een grote landelijke krant, en degenen van wie ik het meeste heb geleerd waren niet mijn directe collega’s, noch mijn chefs, en al helemaal niet de pak’m beet vier hoofdredacteuren die ik heb moeten verdragen, en die stuk voor stuk een feilloos instinct bleken te bezitten voor het nemen van de slechtst denkbare beslissingen – nee, dat waren degenen die het laagst stonden in de redactionele hiërarchie: de  stagiairs.

Ik leerde van hun nieuwsgierigheid, hun stormachtige inzichten, de wijze waarop ze ingesleten gewoontes ter discussie stelden. Van de frisse wind die ze lieten waaien en de spinraggen en stofnesten die daarmee werden weggeblazen.

In ruil daarvoor bood ik hun mijn kennis aan, en de ambachtelijke handigheidjes die ik in de loop van vele jaren noeste arbeid had aangeleerd, ofwel de ‘kneepjes van het vak’. Die kennis zogen de stagiairs gretig op, die kneepjes maakten ze zich verbazingwekkend snel eigen, want dat is namelijk nóg een prettig kenmerk van jongeren: hun ruime leercapaciteit. En hun bereidheid om te leren.

Dit betekent niet dat ik alles wat ze zeiden voor zoete koek slikte. Ik ging er soms zelfs hardhandig tegenin, somde met name tal van praktische bezwaren op die tussen droom en daad in stonden, maar dat deed ik zonder mij op te winden, en zonder mij te beroepen op mijn ingebeelde gezag als oudere en wijzere. Zo staken we veel van elkaar op, en was ik – hopelijk – geen boomer.

Harmonieus generatieconflict
Men zou dat een harmonieus generatieconflict kunnen noemen, maar in veel gevallen loopt het niet zo, want nogal wat van mijn collega’s snoerden de stagiairs autoritair de mond of zadelden hen op met vervelende klusjes waarin ze zelf geen zin hadden, zoals de post sorteren of telexjes afscheuren, wat pure uitbuiting was.

Een uitzonderingspositie bekleedden stagiaires met bloeiende borsten en strakke billen: die hoefden nooit telexjes af te scheuren als ze daar geen trek in hadden. De meesten van mijn collega’s waren namelijk gefrustreerde mannen met beroerde huwelijken, en MeToo lag nog ver achter de horizon.

©Ben van Meerendonk

©Ben van Meerendonk

Waar had ik het ook alweer over? O ja, het generatieconflict. Leve het generatieconflict. Kijk maar eens wat het in het verleden heeft opgeleverd. Steeds als het had gewoed, werd de wereld voor even een stukje beter. Steeds als het uitbleef, zakte de wereld weer in.

Generatieconflicten zorgen voor de wrijving, de elektrische vonk, de vernieuwing die de maatschappij en de mensheid voortstuwen.

Helaas bestaan er boze tegenkrachten die het sommige generaties onmogelijk maken hun conflicten tot bloei te laten komen.

In de jaren zestig tierde het generatieconflict dat het een lieve lust was en het een aard had, met al die provo’s, de Maagdenhuisbezetting, en leuzen als ‘de verbeelding aan de macht’ en ‘wees realistisch, eis het onmogelijke’.

Dat klonk idioot, en dat was het ook, maar wat was het uiteindelijke resultaat van die roerige, soms dwaze tijden?

Veel goeds.

Ons politieke en maatschappelijke bestel werd vrijer, opener en democratischer, en de levenskwaliteit van veel mensen nam onmiskenbaar toe.

Oligarchie
Helaas ontstond er halverwege de jaren tachtig zo’n boze tegenkracht, in de vorm van een laissez-faire-kapitalisme dat van ons open en vrije bestel een door schijn-democratie en nepnieuws aangestuurde oligarchie dreigt te maken. En je mag het de ‘protestgeneratie’, zoals ze destijds werd genoemd, verwijten dat ze dit heeft laten gebeuren, dat ze zich door de kapitalistische zwijnen heeft laten inkapselen, en haar kinderen daarin heeft meegesleurd.

Het is natuurlijk mogelijk dat de jongeren die nu onder aansporing van Greta Thunberg de straat opgaan, het straks net zo laten afweten als die boomers van nu. Zover is het nog niet, en het minste dat je dus kunt doen is ze het voordeel van de twijfel gunnen, en hun zorgen serieus nemen, in plaats van ze bij voorbaat verdacht te maken en te kleineren.

Bovendien zijn hun vooruitzichten zo veel benauwender dan die van de boomers in hun jonge jaren dat ze misschien niet eens de kans krijgen om door welvaart en materialisme gecorrumpeerd te worden.

‘Rupsje-nooit-genoeg’ versus ‘rupsje-wil-leven’
In de jaren zestig betoogden jongeren voor meer vrijheid. Die van nu betogen voor een toekomst. Het is dus ‘rupsje-nooit-genoeg’ versus ‘rupsje-wil-leven’.

Wat bovendien pleit voor de jongeren van nu is dat ze tot op heden geen leiders hebben voortgebracht die het vooral om politieke macht lijkt te doen. De meest prominente leider is een 16-jarige autiste van minuscule gestalte die zich, in al haar standvastigheid, niet bijzonder op haar gemak voelt met haar leidersrol, haar tijd het liefst in afzondering zou doorbrengen, en bij voorkeur zwijgt wanneer ze niets dringends te zeggen heeft.

Littleton High School Eco Club

© Andy Bosselman, Streetsblog Denver

Onwaarschijnlijke leiders, leiders tegen wil en dank, zijn het geloofwaardigst, en het zou zomaar eens kunnen dat deze protestbeweging meer urgentie en saamhorigheid kent dan die van de jaren zestig; dat ze iets méér belichaamt dan een hang naar zelfontplooiing.  Dat het nu niet zozeer gaat om samen voor ons eigen maar om samen voor onze wereld.

Ooit een orakel
Stellen we daar nu ene Maarten van Rossem tegenover. Ooit, ik geef het toe, was Maarten een beetje een orakel voor me. Dat kwam ook door zijn zowel nuchtere als elegante schrijfstijl, en zijn humor. Daarnaast ontleedde hij met een zekere bevlogenheid en onmiskenbare scherpzinnigheid kwalijke verschijnselen als populisme en neo-liberalisme.

Maarten van Rossem

© MICHIEL HENDRYCKX, WIKIPEDIA

Nu lijken deze aanklachten niet veel anders te zijn geweest dan adempauzes voor zijn cabareteske uitweidingen. Want Maarten maakt zich uiteindelijk nergens druk om. Het land wordt al met al redelijk bestuurd en niemand heeft iets te klagen.

Uiteindelijk heb ik mijn abonnement op zijn glossy ‘Maarten’ opgezegd vanwege altijd weer diezelfde dorre, gemelijke, melige teneur:  alles is stom, maar wie zich daar druk om maakt, is ook stom. Maarten doorziet alles, staat overal boven, en ligt nergens wakker van.

Wat voor mij definitief de deur dicht deed, was dit jaaroverzicht van hem.

Burgermansbeuzelpraat
Over het klimaat geeft Maarten daarin niets anders ten beste dan verfoeilijke burgermansbeuzelarijen.  Laat niet alleen het bedenkelijke ethische gehalte maar ook de schokkende domheid van de twee volgende constateringen goed tot je doordringen:

‘De komende 20 jaar valt het nog wel mee, en veel langer zal ik er zelf niet meer zijn’.

‘Negatieve effecten zijn vooral waar het al onaangenaam warm is.’

En tenslotte de flauwe boutade dat we dankzij de klimaatverandering ‘in ieder geval geen Elfstedentocht meer krijgen’.

Want dergelijk plat volksvermaak is professor Van Rossem een gruwel, begrijpt u wel?

Daarnaast bagatelliseert Van Rossem op kortzichtige wijze het succes van Forum voor Democratie. Geen zorgen, die partij zal niet meeregeren zolang ze zulke extreme standpunten huldigt. Hij ziet kennelijk niet in hoe partijen als FvD en PVV het hele politieke klimaat vergiftigen.

Tenslotte: Maarten is in het geheel geen supporter van Trump, maar gezegd moet worden dat die Trump geen oorlog is begonnen, zoals Bush jr.

Mijn antwoord: juich niet te vroeg. Dat kan nog veranderen als we vier jaar Trump erbij krijgen – en vlak die mogelijkheid vooral niet uit. Toen Bush jr. aantrad, predikte hij een ‘nederig buitenlands beleid’. De VS moest af van het idee dat het overal in de wereld kon en moest ingrijpen.  Toen kregen we 9/11 – waarvan het effect ook al door Van Rossem werd gebagatelliseerd – en wierpen de Verenigde Staten op desastreuze wijze alle nederigheid van zich af.

Ook Trump, vooral Trump, zal als man zonder inhoud en beginselen een oorlog kunnen beginnen wanneer er zich iets extreems voordoet, en hij in het zijn hoofd haalt  – of wanneer hem wordt ingefluisterd – dat daaraan voordeel valt te behalen.

Alleen maar dedain
Alle gevaarlijke politici die op dit moment wereldwijd de wind in de zeilen hebben, zijn in Maartens ogen ‘clowns’ en ‘carnavalsfiguren’, alle verontrustende bewegingen die her en der de kop op steken bestaan uit ‘randdebielen’, en elke potentiële ramp zal wel loslopen. Dedain is alles wat hij te bieden heeft. Het zal zijn tijd wel duren. Bagatelliserend en badinerend kuiert hij de kim tegemoet.

Wat maken jullie een drukte, ik heb het toch allang uitgelegd, zo doe ik geen oog dicht – zo valt zijn houding samen te vatten.

Maarten is, kortom, het prototype van een boomer. Ofwel: een ouder persoon met een inlevingsvermogen en intellectuele perceptie waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken. En zolang dit soort rupsjes-nooit-genoeg door blijven wauwelen, blijft de kreet ‘OK, boomer’ voor mij relevant.

Help, Rutger Bregman zegt dat ik deug!

carlnietdeug2

DOOR CARL STELLWEG

Ik begin aan dit stukje in een vreselijke pestbui, en dat is precies de reden dat ik het wil tikken. De afgelopen dagen ben ik namelijk tot een nieuw, ontnuchterend inzicht gekomen: ik deug. Dat zit er tenminste dik in. Omdat de meeste mensen deugen, en niets aan mij de veronderstelling rechtvaardigt dat ik niet bij de meeste mensen hoor.

En aan wie ik deze revelatie te danken heb? Aan Rutger Bregman, de jonge historicus die onlangs bij Matthijs van Nieuwkerk te gast was. Die  – en ik citeer nu de site van De Wereld Draait Door – ‘furore’ maakte met het boek Gratis geld voor Iedereen, wat me een beetje was ontgaan. Die vervolgens – en dat ontging me niet, want ik leef niet helemaal onder een steen – het wereldnieuws haalde door een aantal rijkaards de oren te wassen tijdens het jongste World Economic Forum in Davos (‘taxes, taxes, taxes’), en kort daarna ook nog eens een anchorman van Fox voor gek zette, zozeer zelfs dat deze al zijn decorum liet varen: ‘Go fuck yourself, you tiny brain’.

Zodoende is Rutger een publiekslieveling geworden, en een publiekslieveling wordt nog harder aan de borst gedrukt als hij met de ogenschijnlijk prettige bewering komt dat de meeste mensen Deugen. Niet in de laatste plaats, denk ik, omdat al zijn fans die bewering als een complimentje terug zouden kunnen opvatten.

‘De meeste mensen deugen’ is Bregmans voorlopige levenswerk. Het is een vuistdik boek, waaraan jaren journalistiek en wetenschappelijk onderzoek vooraf zijn gegaan. Ik moet het nog lezen, maar dat ga ik zeker doen, want het is vast de moeite waard. Ik heb al veel mooie verhalen van Rutger Bregman gelezen op de website De Correspondent.

En toch maak ik nu alvast een voorbehoud: ik ben niet van plan me door Bregman in het pak te laten naaien met zijn heilsboodschap. Want die maakt me meteen al woedend.  Wie heeft gezegd dat ik dat wil, deugen?

Ik heb de schijn tegen, want mijn strafblad is blanco, maar diep van binnen weet ik dus dat ik niet deug. Ik heb verderfelijke gedachten, en die koester ik. Ik wil over de stoep fietsen wanneer ik daar zin in heb, voorbijgangers pootje lichten omdat ik ze er allemaal stom uit vind zien, ik wil voordringen bij de kassa, de belastingen ontduiken, niet werken maar wel geld hebben, ik zou best een bank willen beroven, echt waar! Of een hoop geld vinden en dat dan gewoon in m’n zak steken, ook al wist ik van wie dat geld was. Alleen voor een behoeftig oud omaatje maakte ik misschien een uitzondering,

De voornaamste reden dat ik dit allemaal niet doe, de voornaamste reden dat ik een oppassende burger ben, de voornaamste reden, kortom, dat ik deug, is dat ik laf ben. Mijn deugdzaamheid is dus gebaseerd op een ondeugd.

Zouden er niet veel meer mensen zijn als ik? Of zou ik zo bijzonder zijn? Dat laatste kan ik me moeilijk voorstellen. Mijn enige echte deugd is mijn bescheidenheid. Die is zelfs legendarisch, maar dat terzijde.

Wat een heerlijk, onafhankelijk, avontuurlijk leven zou ik hebben, tot welk een grootse daden zou ik komen als ik de ondeugd van de lafheid van me af kon schudden!

Wie weet lukt me dat nog. En dat is mijn troost: dat de potentie in mij aanwezig is van een leven waarin ik alle voorschriften en vermaningen aan mijn laars lap, die hele schijnheilige burgerlijke moraal  bij het grofvuil zet, leef naar mijn eigen regels. Dat idee laat ik me niet afnemen.

abe

Wat is deugen eigenlijk precies, nu we het er toch over hebben? Deugde Abraham Lincoln? Abraham Lincoln loog het Congres keihard voor. Een doodzonde voor een Amerikaanse president. Stel je voor dat elke Amerikaanse president dat deed! Maar doordat Abraham Lincoln het deed, werd wel de slavernij afgeschaft. Door een doodzonde te plegen, kwam hij tot iets uitzonderlijk goeds.

Wat is het verschil tussen Abraham Lincoln en mij? Principieel is dat er niet. Hij deugde door niet te deugen, en voor mij geldt hetzelfde. Hij was een leugenaar en ik hen een bangerik. En toch is het verschil tussen ons hemelsbreed. Zo zie je maar: het is niet te voorspellen hoe iemands karaktereigenschappen in deze grillige wereld uitpakken.

Deugde Mahatma Gandhi? Tuurlijk deed-ie dat, met dat geweldloze verzet. Maar wacht even: dat geweldloze verzet hield wel in dat hij duizenden van zijn aanhangers ongewapend op de zwaar bewapende Britse vijand afstuurde. In de wetenschap dat ze zouden worden afgeslacht. In de hoop dat ze zouden worden afgeslacht, want dan kon hij zeggen: kijk eens, wat een moordenaars die Britten zijn! Daar kon hij politieke munt uit slaan. Een uiterst cynische tactiek.

Daarnaast was Gandhi voor handhaving van het kastenstelsel, en hield hij er racistische opvattingen op na: tijdens zijn verblijf in Zuid-Afrika klaagde hij dat hij af en toe dezelfde openbare ruimten moest delen met kaffers.  Als Indiase man vond hij dat hij een hogere status had.

Deugde Mahatma Gandhi? Ik neig ertoe te zeggen van niet. En toch was het ontegenzeglijk een groot man.

Gandhi

Dus: deugen de meeste mensen? Definieer ‘deugen’. Volgens mij zijn ‘deugen’ en ‘niet deugen’  onverbrekelijk met elkaar verbonden. Ze zijn met elkaar verstrengeld, vormen een geheel. Zeggen dat mensen deugen, is ook zeggen dat ze niet deugen, en vice-versa. Het ene heeft geen betekenis zonder het andere. En daarom vind ik het uitdragen van een positief mensbeeld helemaal niet zo positief, en verwacht ik er niet veel goeds van. Ik vind het eerlijk gezegd hoogmoedig en niet zonder gevaar. Het uitdragen van een duaal mensbeeld is nederiger, en daarom mensvriendelijker.

Ik moet toegeven dat ik ook een ingebakken afkeer heb van het woord. Het D-woord. Het is voor kwezels, slijmjurken,  farizeeërs, holier-than-thous. Het smaakt naar niks. Meel, stijfsel, cola waar alle prik uit is. En je kunt het niet eens uitspreken zonder een braaf, benepen tuitmondje te vormen.

Vergelijk dat eens met het woord ‘kwaad’.  Kwáád. Dat trekt alle smaakpapillen open, brengt een aangename rilling teweeg.

Het kwaad is charismatischer dan de deugd. Voor mij in ieder geval wel. Ik wil weten wat het is, waarom het er is, hoe het werkt, en waar het vandaan komt.

Om die reden heb ik naar veel onsmakelijke ISIS-filmpjes gekeken op You Tube. Je kunt dit ziekelijke sensatiezucht noemen, maar dat was het niet. Het was nieuwsgierigheid. Nieuwsgierigheid naar wat ons bedreigt, de verkenning van een angst waarvan we verlost willen worden. Sommige mensen kijken graag naar horror-films of lezen Stephen King, ik kies voor de horror van de levende werkelijkheid. Ik daal graag af in de diepste spelonken van de wereld om daar bevend maar vastberaden mijn zoeklicht te laten schijnen. In de overtuiging, de hoop, dat ik daar werkelijk iets zal leren, het geheim van het kwaad zal leren kennen.

Zo heb ik, schrik niet, gezien hoe ISIS een Jordaanse piloot levend verbrandde. Ik heb hem zien rondspringen in zijn kooi toen de vlammen zijn benen bereikten. Ik bleef kijken tot er niets meer van hem over was dan wat verkoolde brokken, en voelde me na afloop leeg. En ik heb nog veel meer ISIS-gruwelen bekeken, totdat ik mijn hoofd kokhalzend moest afwenden.

Waarom toch, dacht ik, waarom? Waarom gebeurt dit in Godsnaam? Ik denk omdat het simpelweg kon. Omdat degenen die het deden de macht en de vrijheid hadden het te doen en van die macht en vrijheid genoten. Én omdat anderen het ook deden, dat vooral. Maar ook – en dat vond ik de meest onthutsende constatering – omdat ze elkaar hadden wijsgemaakt dat ze geweldig deugden. Dat ze de beste mensen op aarde waren en hun wreedheden begingen uit naam van de Allerdeugdzaamste. Uit naam van Allah de Genadevolle, de Barmhartige.

‘De meeste mensen deugen’ heet het boek van Bregman. Betekent dit dan misschien dat dat ISIS-gajes tot de minderheid behoort die niet deugt? Dat vind ik een gevaarlijke speculatie. Ik denk niet dat er zo’n makkelijke scheiding valt aan te brengen tussen mensen. Zelfs niet in één mens. Ik heb als journalist de nodige conflictgebieden bezocht en hele enge mensen ontmoet die willens en wetens groot leed hadden aangericht, maar op het persoonlijke vlak oprecht aardig waren. Die voor hun familie, hun vrienden, en hun gasten zonder meer deugden.

In ieder geval vind ik, sinds ik die ISIS-filmpjes heb gezien, het woord ‘deugen’ een sinistere klank hebben. Het is ambivalent:  deugen is soms juist helemaal niet deugen. En als ‘Het Kwaad’ ook ambivalent is, dan is het soms dus géén kwaad, en is het in die zin beter je geld dáárop te zetten. Want één deugd mag je het kwaad niet ontzeggen: het kan niet tegenvallen.

En nu maar eens dat boek lezen.