Parasitair leven – door Carl Stellweg

kleine aaseters14

Hij stapt uit de metro en meteen is alles vertrouwd. Alsof hij niet jaren is weggeweest.Even gedachteloos als vroeger loopt hij door de poortjes en het tochtige halletje van het kleine treinstation waarin het metrostation uitmondt. Hij negeert de kiosk met de kinderlijke traktaties van blikjes hemels koude chocomel en moddervette gevulde koeken die hij ook als volwassene jarenlang niet kon weerstaan. Nu lukt hem dat wel, zoals hij zoveel impulsen heeft leren beteugelen – behalve de impuls van de liefde, precies de reden dat hij is teruggekeerd.

kleine aaseters15

Wat het nut is van de onderneming die hem te wachten staat? Moeilijk te zeggen. Als hij zich schuldig maakt aan nostalgie, dan gaat het om een nostalgie van een hogere orde. Hij is bereid er het nodige voor op het spel te zetten, dat in ieder geval, simpelweg omdat de tijd begint te dringen, hij is immers al bijna bejaard.

Bejaard: een woord dat nog maar weinig wordt gebruikt, juist omdat het zegt waar het op staat, de zaken niet mooier voorstelt dan ze zijn.

Hij loopt door zonder iets om zich heen met bijzondere aandacht op te merken, alsof hij evenveel reden heeft gepreoccupeerd te zijn als in de jaren dat hij hier dagelijks kwam en zich belangrijk en nuttig voelde, een maatschappelijke rol te vervullen had.

Even buiten het station ziet hij dezelfde fietsenstalling als altijd, het kleine busstation ernaast, en alles ademt verlatenheid, ondanks de drukte. Natuurlijk, iedereen maakt dat hij hier weg komt zodra de taken zijn vervuld, dit is een eiland van collectieve onverschilligheid, karakterloos, een levend bouwpakket – best mogelijk dat hij de enige ziel is die er nu het gevoel heeft dat hij thuis komt.

Over hooguit een uur zijn de straten leeg, dan is de kouwe drukte geweken voor de stilte van een kaal kantoorgebergte, en waar zal hij dan precies zijn? Is de beoogde schuilplaats werkelijk beschikbaar? Hij is op een verkenningstocht met een onzekere uitkomst. De hemel mag weten of het allemaal gaat lukken. Hij kent haar metier, ze heeft er trouwens meerdere: beklimster van pyloonbruggen, paaldanseres, om er een paar te noemen. Het metier waar het nu om gaat baart hem de meeste zorgen. Ze mag er goed in zijn, het kan altijd een keer fout lopen, het moet wel een keer fout lopen, en is het niet onvermijdelijk dat zij hem dan in haar val meesleurt? Zal hij er zich tegen verzetten? Zo ja, waarom gaat hij dan überhaupt met haar om?

kleine aaseters12

Hij passeert een viaduct waar het treinspoor overheen loopt, inspecteert vanuit een ooghoek de graffiti die er door een kunstenaar jaren geleden in opdracht van de gemeente is aangebracht, ziet dat het kunstwerk inmiddels lelijk is aangetast maar er daardoor eigenlijk niet lelijker op is geworden, werpt een blik op het talud met bosjes waar hij vroeger vaak zijn blaas heeft geleegd, hoewel een ordentelijk toilet niet meer dan vijf minuten lopen was. Misschien had hij toen al die oerdrang om uit de pas te lopen, of wilde hij een geheim met de bosjes delen door er iets achter te laten.

Hij loopt langs een blinde muur van grijs geverfde baksteen, gaat rechts de hoek om en jawel, daar staan alle kantoorgebouwen die hij van vroeger kent nog, zij aan zij, als logge schepen aangemeerd, het water geen water maar asfalt, en daartussen het gevaarte dat hem jarenlang een veilige haven bood, dat ooit stond voor een vast inkomen, collega’s, waardering, en het plezier zichzelf vrijwel dagelijks in druk te zien. De veilige haven is al jaren leeg, de veiligheid met het naderen van de oude dag verdampt. Amper genoeg geld om van te leven, geen collega’s meer, noch waardering, noch bewijzen in druk dat hij bestaat, en toch – toch is hij opgebloeid. Hij verkeert nu aan de zijde van Niemand Minder Dan Prinses Roekeloosheid. De vraag waaraan hij dit heeft verdiend, is kopje onder gegaan in de flonkerende maalstroom van bewondering, bekoring en ontroering die zijn leven uiteindelijk nog is geworden.

PhotoELF Edits: 2015:01:07 --- Updated User Comments

Hij versnelt zijn pas, en staat dan voor wat eens de burelen van zijn voormalige werkgever waren. Een dikke glazen wand met twee draaideuren, een leeg geruimde ontvangsthal daarachter. Groot, kaal, nutteloos en vagelijk onheilspellend.

Nonchalant kijkt hij om zich heen, alsof hij toevallig voor de ingang van een leeg kantoorgebouw is aangespoeld. Geen sterveling te bekennen, dus trekt hij aan de greep van een draaideur. Die geeft niet mee. Tot zijn grenzeloze opluchting laat de andere draaideur hem toe. Hij ziet dat het slot is geforceerd. Simpel. Zo doe je dat dus. Je moet die dingen gewoon weten. Hij zal dit soort dingen nooit weten.

Binnen voelt hij zich niet onmiddellijk op zijn gemak. Toch heeft hij niet het idee dat hij in overtreding is. Hij komt zijn herinneringen opeisen, heeft dus elk recht hier te zijn. Hangen er camera’s? Hoe heet zoiets, CCTV? Hoeft hij zich geen zorgen om te maken, zo is hem op het hart gedrukt. Hij gelooft er niets van en gelooft het blindelings.

Rechts op een tafel ligt een ordeloos stapeltje toetsenborden, zwerfkinderen die warmte en beschutting bij elkaar zoeken, links is de receptie met alleen nog de geesten van receptionistes, de slanke balie een perron waar geen vreemdeling meer zal stranden. Vóór hem, in de uitgestrekte ontvangsthal, het altijd al wezenloze zitje waar hij nooit iemand heeft zien zitten en dat nu zowaar een nieuwe, ondoorgrondelijke betekenis lijkt te hebben gekregen.

Hij kijkt op. Het atrium rijst boven hem uit. Een op zijn kop gezette afgrond, acht verdiepingen hoog. In het midden, als een torenend, rechthoekig geraamte, de glazen liftschacht met op elke verdieping een brug die de redactielokalen aan weerszijden van het atrium verbindt. Nu pas, na al die jaren, vindt hij dit alles architectonisch geslaagd, imposant en gerechtvaardigd.

kleine aaseters6

Een half leeg geschraapt karkas, daar bevindt hij zich in, en hij voelt zich er al met al snel thuis. Ook karkassen kunnen leven herbergen, ze krioelen er soms van. Parasitair leven, kleine aaseters, die evenveel rechten en even legitieme behoeften hebben als alle andere levensvormen, ook al worden die niet altijd erkend. Is hij, als nostalgicus, ook geen aaseter, iemand die probeert te leven van wat al lang dood en uiteengereten is?

Moeizaam en met gêne, alsof hij op zijn leeftijd nog de kwajongen moet uithangen, klimt hij over een van de poortjes die hem van de lift scheiden. Zijn knieën kraken, hij heeft zijn beste jaren nu toch echt achter zich liggen. En dan die lullige rugzak, vol lekkers en lectuur. Laptop verboden. Kaarsen en dekentjes verplicht. Is dat niet pathetisch? Never mind. Hij drukt op de liftknop. Wat dacht hij nou, natuurlijk gaan de deuren niet open. Hij is echt nog een naïeve jongen, is dat altijd gebleven, en die gedachte schenkt hem een breekbare hoop.

Er zit niets anders op dan het geraamte via zijn wervelkolom – de trap – te bestijgen. Gelukkig dat hij nog wel redelijk fit is: kwestie van die impulsen leren beteugelen. Je krijgt wat terug voor al die moeizaam aangeleerde zelfbeheersing, hoewel geen wijsheid – anders liep hij nu niet de trappen op van een gebouw waar hij niets te zoeken heeft. Heeft hij er niets te zoeken? Hij grinnikt. Wil eigenlijk schateren, voelt zich uitgelaten, vrij. Hij komt het weeskind dat zijn verleden is ophalen en een nieuw thuis geven, aan een nieuwe, jonge moeder voorstellen.

Op de vierde verdieping, waar hij altijd heeft gewerkt, staat hij stil. Niet alleen om op adem te komen, ook omdat er misschien al iets te horen valt van een medeparasiet – maar hij hoort niets. De stemmen uit het verleden, geven die dan wel thuis? Nee, dat panische circus van strebers, dat geblaf en gesnoef, die apenrotskreten: alles verstomd.

Dan klinkt er een oorverdovend, rinkelend alarm. Het stopt, en begint opnieuw. Hij klampt zich vast aan de reling, voelt een diepe rilling in zijn merg, een ijskoude klem om zijn hart, een warme raket in zijn darmen. Als het geluid definitief lijkt te zijn opgehouden, is er alleen de vernederende opluchting dat hij het niet in zijn broek heeft gedaan. Nog niet. Hij loopt snel de brug af, in westelijke richting, het gangetje in dat leidt naar de redactieruimtes, duikt daar de WC in. Hij doet de deur op slot, trekt in één beweging zijn broek en onderbroek omlaag en produceert onmiddellijk een lange, gladde, kurkdroge drol, een puntgave angstplastiek.

Hij blijft nog even zitten, met bonzend hart. De radeloosheid kruipt langs zijn broekspijpen omhoog, doet zijn geslacht krimpen. Het gerinkel klinkt nog na in zijn oren. Hij voelt zich verslagen, weerloos. Vocht hoopt zich op in zijn ogen. De naïeve oude jongen zal weldra in de kraag worden gevat. De rugzak. De dekentjes, de kaarsjes. Zijn medeparasiet. Niet gaan janken.

Dan schiet hem een zin te binnen uit een nog onverwerkt verleden: We moeten de content uitnutten langs diverse mediale kanalen. We moeten de content uitnutten langs diverse mediale kanalen. Precies ja, en als hij dat niet kon begrijpen, dan had hij zijn langste tijd bij dit bedrijf misschien wel gehad. Hij en zijn generatiegenoten hadden lang genoeg lopen fucken, zitten slapen, met hun pik zitten spelen, de belangen van de nieuwsconsument met voeten getreden. Dat nam die nieuwsconsument niet langer. We moeten de content uitnutten langs diverse mediale kanalen.

De content, tut-tut.
Uitnutten, toe maar.
Langs diverse mediale kanalen, het mocht wat.

Waar was de grote uitnutter nu? Hoe was het hem sindsdien vergaan? Welkom bij de club van afgedankten. Wat hadden de diverse mediale kanalen zoal opgeleverd? Niks, niente, nada, nitsjewo.

Dan neemt hij een besluit. Waarom is hij hier? Dat is hem nog steeds niet helemaal duidelijk. In ieder geval niet om met zijn broek op zijn enkels uit de plee te worden getrokken. In ieder geval niet om hier nóg een keer in zijn hemd te worden gezet. Wat er ook gebeurt, hij zal deze keer waardig het pand verlaten. In boeien desnoods, maar met opgeheven hoofd. En hopelijk met Niemand Minder Dan Prinses Roekeloosheid aan zijn zijde, eveneens in boeien, en daardoor rebelser, heroïscher dan ooit. Men zal ervan opkijken, van zo’n flamboyant tweetal.

Hij wil doorspoelen, maar uiteraard is het water afgesloten. Die drol van hem zal verstenen, en degene die hem uiteindelijk vindt zal er een geheimzinnige, prehistorische boodschap in lezen. Hij sluipt de WC uit, spitst zijn oren. Stilte. Een stilte die hem zegt dat hij zijn afspraakje niet te lang meer moet laten wachten. Hij loopt langs de koffieautomaat waar in de uitsparing boven het roostertje plastic bekers zijn gepropt, door drab aangevreten, een tafereel dat hem wonderlijk vertrouwd voorkomt.

kleine aaseters11

 

Hij betreedt de grote zaal die hij zo goed kent. Alle bureaus staan er nog, hier en daar ziet hij zelfs een computer. Hij inspecteert de kasten, vindt een paar vergeten krantenleggers, slaat er eentje open, bladert door de vergeelde inhoud tot hij iets van zijn gading vindt: ‘Geen enkele herinnering kan Marguérite Hélie troosten.’ Een reportage uit een Normandisch dorpje, ter ere van 50 jaar D-Day, bijna een kwart eeuw geleden door hem geschreven. Samen op de foto met een van haar illustere bevrijders, de Amerikaanse generaal Omar Bradley, dat was Marguérite Hélie’s mooiste herinnering geweest, die niet opwoog tegen het leed dat de oorlog haar had bezorgd – de gestorven dierbaren, de afgebroken studie, het gedwongen huwelijk, doorstaan in een spelonkachtig woninkje op het lamlendige Normandische platteland. Marguérite Hélie is waarschijnlijk al een tijd dood.

Dan hoort hij iets. De lokroep waarop hij heeft gewacht en gehoopt. Die hij heeft gevreesd, dat ook. Parelende zang, kwajongensachtig, al is dat niet het goede woord. Iets over een feest dat kan beginnen, want zij zijn binnen. Een carnavalswijs. Welja, je kon alles verwachten. En nu komt hij er niet meer onderuit. Hij kijkt in de richting waarin hij niet eerder heeft durven kijken, kijkt zijn noodlot in de ogen, de welkome, wonderbaarlijke ontwrichting van zijn levensavond, zijn mooiste parasiet, zijn dierbaarste kleine aaseter, en zwaait terug.

 

kleine aaseters13

Gordijnenafhaaldag – door Carl Stellweg

Adapazari7

In 199 ging ik als krantenverslaggever naar Turkije, nadat een aardbeving er aan tienduizenden mensen het leven had gekost. Een spektakel van verwoesting en ontreddering, maar ook van moed en initiatief, dat ik nooit zal vergeten. Af en toe speelt de herinnering op.

 

De naam van de stad is het eerste dat hem verbaast: Adapàzari.
Adapa-wat? Sakarya was het toch? Niet volgens de borden. Later zal hij erachter komen dat veel Turkse steden twee namen hebben, maar voor hem blijft de naam Adapàzari, met die onverwachte klemtoon op de derde lettergreep, die schokkerige opeenvolging van eendere klinkers waar je tong bijna over struikelt, altijd verbonden met de toestand waarin hij deze stad van 200.000 zielen zou aantreffen.

Adapàzari. Met de A van Apocalyps. Dat ook nog.

Zodra hij samen met een lokale chauffeur Istanbul verlaat, haalt hij zijn opschrijfboekje tevoorschijn. Aanvankelijk valt er niets te noteren. Of het moet zijn dat er niets bijzonders is te zien. Hoe zit dat? Is er helemaal geen aardbeving geweest? Hallucineert hij dat er helemaal geen aardbeving is geweest? Is hij niet in staat iets te zien dat volkomen anders is dan wat hij kent, zoals de Aboriginals niet in staat schenen te zijn om de eerste grote schepen van de bebaarde bleekhuiden te zien, ook al waren die pontificaal en onheilspellend in hun blikveld verschenen?

De chauffeur dommelt steeds weg achter het stuur. Hij heeft ook nog een andere baan. ‘s Nachts bewaakt hij de receptie van een klein hotel, overdag rijdt hij van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat buitenlandse verslaggevers rond, brengt hij ze naar plaatsen die tot voor kort weinigen buiten Turkije kenden: Izmit, Gölcük, Yalova. En Adapàzari.

Er is nog een reden dat hij slaap tekort komt. Als hij zijn ogen sluit, begint de aardbeving opnieuw, gaat de boel kantelen in zijn hoofd. Dat vertelt hij de verslaggever en die heeft dan toch nog iets om op te schrijven.

Hoe had hij zich op het grillige, groteske karakter van dit natuurverschijnsel kunnen voorbereiden? Een aardbeving is er wel of is er niet, er zit niets tussen. Een aardbeving veroorzaakt niet alleen een breuk in de aardkorst, maar ook een breuk met de normaliteit, een vertrouwensbreuk met de werkelijkheid van alledag.

Na een kilometer of 150 geeft de rampspoed zich abrupt prijs. De zwaartekracht heeft een macabere slapstick opgevoerd: daken die scheef als een feesthoedje op gebouwen staan, huizen die een plagerige zet naar achteren, naar voren of opzij hebben gekregen, een linnenkast die kaarsrecht en volkomen ongeschonden, in droeve luister, uit een stapel steen en gruis steekt. Een van de wrangste kenmerken van de catastrofe is misschien wel de soms komische aanblik.

Adapazari6

Dan rijden ze Adapazari binnen, waar de seismische krachten alle registers hebben opengetrokken. Het centrum is een onmetelijke pan omgewoelde, grijze betonlasagna, een langgerekte harmonica van puin, een gemutileerd monster waarvan de roestige ingewanden zijn uitgerukt. Halleluja-armpjes van lantaarnpalen hangen troosteloos langszij, en om te zeggen dat de middenstand plat ligt is een smakeloos understatement: de begane grond waar vrijwel alle winkels waren gevestigd, is nu een door natuurkrachten gegraven souterrain geworden.

Wat er kan worden gered wordt gered, al is het nog zo onbetekenend: een tafeltje met afgebroken poten, een speelgoedauto, een wonderbaarlijk ongeschonden gebleven flesje siroop. In een flatgebouw dat in een hoek van pakweg 30 graden slagzij heeft gemaakt, haalt een vrouw op de derde verdieping de gordijnen af, alsof het een doodgewone dag is om gordijnen af te halen. Alsof het vandaag gordijnenafhaaldag is, aardbeving of niet.

En dan die lucht van rotting, weerzinwekkend zoet. Onder het puin, gelukkig niet zichtbaar, eet de dood zich een indigestie aan een grand dessert van verwrongen vlees.

Wat hiertegen te doen? Hoe dit te verwerken? Misschien dat absurde gebeurtenissen op absurde wijze dienen te worden gepareerd. Overal in het rampgebied klinkt een gulle lach. ,,Jullie westerlingen willen niet dat wij ons aansluiten bij Europa?’’ zegt een jongeman die voorlopig op een bank op straat woont. ,,We zijn nu toch maar mooi twee centimeter naar Griekenland opgeschoven. We komen eraan, of je het leuk vindt of niet.’’

En dan die achtkoppige familie die een relatief comfortabel onderdak heeft gevonden in een legertent. ,,De eerste dagen scholen we samen onder een parasol”, zeggen ze. ,,Er was niets te eten. Maar beter ook: eten betekende naar de WC gaan en… er was geen WC!” Bulderend gelach.

‘Onder het puin, gelukkig niet zichtbaar, eet de dood zich een indigestie aan een grand dessert van geknakt vlees’

Een aardbeving is een onzichtbare vijand. Een cliché, maar je ontkomt er niet aan. Waar is het leger dat al deze verwoestingen heeft aangericht? Waar verschuilt het zich? Onder de grond, dat is waar het zich verschuilt, en daar slaapt het meestal, maar waar zou het van dromen? Kunnen we daar een idee van hebben? Zouden we iets van die dromen kunnen begrijpen? Wat voor soort dromen zou aanleiding kunnen geven tot zo’n gewelddadig ontwaken?

De aarde is een kooi slapende honden. De aarde is geen schip dat ons veilig over de peilloze troggen van het universum loodst, de aarde is misschien niet meer dan een onbeduidende richel, voortkomend uit het niets, op weg naar niets, tollend door een onbegrensd niets, waar we elk moment vanaf kunnen kieperen. De grond onder onze voeten is een valse vriend. Was dat in de begindagen van de mensheid ook niet zo? Wat moesten de wezens die altijd veilig in de bomen hadden geleefd aan met die grond waartoe ze waren veroordeeld nadat de savannen waren uitgedroogd en de bomen gestorven? Bood die verraderlijk vlakke, uitgestrekte grond de zekerheid die de takken en lianen hadden geboden? De vraag stellen is hem beantwoorden! Op de grond was de vijand overal, alomtegenwoordig en onzichtbaar, loerend tussen het hoge gras, tenzij ze zich zouden oprichten en om hen heen zouden kunnen zien. En dus deden ze dat, de grond dwong hen ertoe, duwde hen opwaarts, en zo zouden ze uiteindelijk de horizon ontdekken, in zich opnemen en zien hoe die voortdurend veranderde, steeds nieuwe perspectieven uitrolde, als rode lopers voor hun veroveringsdrift.

Adapazari5

Maar lang bleven de bannelingen uit de bomen nog beklagenswaardige wezens, zonder klauwen, zonder slagtanden, en ook nog eens opgezadeld met de zorg voor een ontstellend zwak kroost: immers, de bekkens van de wijfjes versmalden zich doordat ze rechtop moesten gaan lopen, waardoor hun jongen pijnlijk, voortijdig en weerloos ter wereld kwamen.

De soort overleefde, zoals we weten, zij het destijds tegen alle verwachtingen in.

Vreugdekreten wekken de vreemdeling met het opschrijfboekje uit zijn overpeinzingen. Oprechte vreugdekreten ditmaal, geen cynisch geveinsde hilariteit, en hij haast zich naar de plek waar het geluid vandaan komt, zoals het een alerte verslaggever betaamt. Op een heuvel van brokstukken heeft een groepje mannen en vrouwen zich om een bundeltje geschaard, een bundeltje dat een klein kind blijkt te zijn, haast een baby nog. Levend is het aan de krachten van de aarde ontrukt, en het is spookachtig en sprookjesachtig bedekt door grijswit puinstrooisel,  de wenkbrauwen wonderlijk goed zichtbaar, als donzige spinnenpootjes. Een kind, ademend, adembenemend, hoestend, goor en puur, ofwel: wedergeboren, voor de tweede keer de wereld in gespuwd door de wereld.

En even, heel even, schijnt het de vreemdeling toe dat het puin van Adapazari bitterzoet opglanst.

Adapazari8

 

Een liederencyclus voor de geschonden kinderen van Gaza – door Carl Stellweg

Eduard de Boer2

De componist en de dichter, er is veel dat hen scheidt. Een oceaan. Letterlijk. Een tijdsverschil van zes uur. Drukke bezigheden, niet al te veel liquide middelen – componeren en dichten zijn nu eenmaal geen vetpot. Daardoor konden ze elkaar niet in levenden lijve ontmoeten, zelfs niet spreken: de dichter zegde Skype op na een virusaanval, de reguliere telefoon is uiteraard veel prijziger. E-mail, daar bleef het bij. En dat was genoeg om de creatieve vonk te laten overspringen tussen twee kunstenaars die elkaar niet kenden, elkaar eigenlijk nog steeds nauwelijks kennen, en toch tot een unieke coproductie in staat bleken: een liederencyclus, gewijd aan de kinderen van Gaza.

Op 22 april beleeft het stuk, dat uit negen liederen bestaat en 40 minuten duurt, zijn première in de Oosterkerk in Hoorn. Een dag later is er een uitvoering in de Singelkerk in Amsterdam. En daarna? Wie zal het zeggen. Voor de kinderen van Gaza en hun situatie staan cultuurminnende geldschieters niet in de rij: er zijn genoeg minder ‘beladen’ charitatieve doelen. De totstandkoming van het zangproject was echter zo wonderbaarlijk dat de initiatiefnemers stilletjes hopen op een bijzonder vervolg.

Vanwaar de focus op kinderen? Uiteraard hebben niet alleen kinderen het moeilijk in de Gazastrook, die door geweld, wanhoop en isolement getekende vuilstortplaats aan zee waar twee miljoen mensen op 400 vierkante kilometer leven. Maar door de aandacht specifiek op kinderen te richten, hopen de Nederlandse componist en de Amerikaanse dichter de valkuil van de politiek te omzeilen. Kinderleed is immers politiek nooit te rechtvaardigen. Kinderleed is onverdacht. Nietwaar?

Geïmproviseerd kinderplezier in Gaza ©Mohammed Abed

Geïmproviseerd kinderplezier in Gaza ©Mohammed Abed

Inderdaad – maar toch: in Israël en Palestina is elke molecuul ideologisch en politiek geladen. Wie zich met de regio bemoeit, al is het nog van zo’n grote afstand, en al is het nog uit zulke onverdacht humanitaire motieven, kan zich niet aan die ideologie en politiek onttrekken. Actief opkomen voor de Palestijnse bevolking ligt niet voor de hand in de Westerse wereld. Daarvoor moeten vaak barrières aan vooroordelen en desinformatie worden beslecht, een spervuur aan verdachtmakingen worden getrotseerd. Misschien dat Michael R. Burch (59) en Eduard de Boer (60) – zeg maar ‘Mike’ en ‘Ed’ – toch meer gemeen hebben dan ze bevroeden. Bijvoorbeeld de ideologische achtergrond waarvoor ze niet zelf hebben gekozen. De uitgesproken christelijke omgeving waarin ze opgroeiden, een dikke 7000 kilometer van elkaar vandaan, en toch kennelijk zo eender.

Eduard de Boer bezocht de Johannes Calvijn-school in Kampen, waar hij hoorde wat een zegen het was dat het joodse volk het in Palestina weer voor het zeggen had gekregen: in de eerste plaats bestond daarvoor het overbekende Bijbelse argument, in de tweede plaats het praktische argument dat de zionistische pioniers zoveel beter in staat waren het land tot bloei te brengen dan de Arabieren, een achterlijk en verwerpelijk volk.

‘Het was niet zo dat ik deze opvattingen met overtuiging aanhing, ze waren domweg een gegeven, een blauwdruk, een uitgangssituatie,’ zegt Eduard de Boer nu in zijn woning in het Noord-Hollandse Midwoud. ‘Ik was ermee geïmpregneerd en dacht er verder niet over na.’

Pas toen hij, 19 jaar oud, besloot om zijn vakantie als zo veel jongeren in de jaren zeventig op een kibbutz door te brengen, verschoof het perspectief. Hij was daar naartoe gegaan op uitnodiging van Nathan, een Amerikaans-joodse jongen die in hetzelfde studentenhuis woonde als hij. De conservatoriumstudent had niet veel omhanden, geen vastomlijnde plannen, eigenlijk geen reden niet op de uitnodiging in te gaan. Dus ging hij, en hij kreeg er geen spijt van. Het leven beviel hem goed in de kibbutz. ‘Er heerste een hele internationale sfeer, de egalitaire opzet sprak me ook wel aan.’ En de Palestijnse kwestie? ‘Er lagen Engelstalige kranten, die repten van aanslagen, van de PLO. Ik nam er kennis van, maar nog altijd op een neutrale manier, en zonder werkelijk inzicht in de situatie. De PLO stond in een kwaad daglicht, waar de Palestijnse zaak precies om draaide was niet duidelijk.’

Een aantal doodgewone voorvallen deden zijn passieve kijk op de zaak pas kantelen, zoals het grote wel vaker in het kleine verborgen zit. Er was die keer dat hij met een groepje Israëlische jongeren op de bus stond te wachten. Toen die bus kwam werd hij ruw aan de kant geduwd. Zo maakte hij kennis met de onbehouwen omgangsvormen waar de Israëlische samenleving bij vriend en vijand om bekend staat, en hij was er niet op bedacht, want Israël was beschaafd.

Vervolgens was er de kennismaking met een Palestijnse opzichter op een zonnebloemplantage die bij de kibbutz hoorde. ‘Een ontzettend aardige man, die elke dag iets lekkers voor je meebracht, en erop toezag dat je niet werd afgebeuld. Aan wie geen onvertogen woord ontsnapte, behalve dat hij liet doorschemeren weinig betaald te krijgen.’ En alweer stond hij verbaasd, want Arabieren waren primitief en agressief.

Tenslotte het viertal Palestijnse mannen dat hem in hun kale huis uitnodigde toen hij daar vlakbij stond te liften, hem eten en drinken voorzette en hem vertelde waar de sleutel lag, mocht hij ooit weer in de buurt zijn en een slaapplaats nodig hebben. ‘Het was niet meer dan een gebaar, maar ik was er zeer door getroffen.’

Kleine belevenissen waaraan geen enkele politieke conclusie te verbinden viel, maar die De Boer zich toch altijd zou blijven herinneren omdat ze hem duidelijk maakten dat zijn opvoeders hem met stereotypen hadden opgezadeld. Hij zou nooit meer terugkeren naar Israël en Palestina, toch legden deze schijnbaar onbeduidende ervaringen van een nog nauwelijks volwassen man de kiem voor wat hij tientallen jaren later tot stand zou brengen.

Michael Burch

Michael Burch

En Mike Burch? ‘Ik ben opgegroeid in een traditioneel christelijk milieu,’ meldt hij telefonisch vanuit Nashville, Tennessee. ‘Ons was geleerd dat de joden Gods oogappel waren, en de Arabieren een verschrikking. Informatie die dit weersprak was niet voorhanden. Tot deep in my forties was ik zeer pro-Israël en diepgaand geïnteresseerd in zogeheten Holocaust-poëzie. Ik kende veel joodse dichters, en die kwamen mij voor als zeer weldenkend, humanistisch en vooruitstrevend. Totdat het mij begon op te vallen dat ze als een blad aan een boom omdraaiden wanneer de Palestijnen ter sprake kwam. Dan werd hun houding defensief en onbarmhartig en leken al die liberale beginselen niet meer van waarde.’

Uiteindelijk besloot Burch zelf te gaan uitzoeken hoe dat nu precies zat met die Palestijnen en vielen de schellen hem van de ogen. ‘Ik had echt niet veel tijd nodig om te beseffen dat de kwestie behoorlijk anders lag dan mij en vele anderen was voorgespiegeld. Dat de Palestijnen fundamenteel onrecht was aangedaan. Dat hun hele bestaan werd ontkend, bijvoorbeeld door Golda Meir, die woordelijk zei dat Palestijnen niet bestonden. Ik was er letterlijk dagenlang ziek van. Toen ik mijn joodse vrienden met mijn bevindingen confronteerde, volgden er agressieve pogingen mij te bekeren. Ik kreeg iemand op mij af die deel uitmaakte van de Hazbara, de zionistische propagandamachine. Natuurlijk liet ik mij niet vermurwen. Nu hebben mijn vrienden  van weleer een hekel aan mij, al zeggen ze mij ook te ‘respecteren’. Want ik mag dan een leugenaar zijn, ik houd het wel ‘beschaafd’. Is dat niet eigenaardig?’ Er klinkt onderdrukt gegrinnik van de andere kant van de oceaan.

Michael Burch werd een activist, die zelfs een eigen vredesplan ontwierp (de Elberry Burch peace initiative). Hij bouwde de website The HyperTexts, die zeer breed van opzet is, maar waarop een prominente plaats is ingeruimd voor Holocaust- en Nakba-poëzie, en wat meer is: gedichten uit Gaza, waarvan vele geschreven door kinderen. Gedichten die Eduard de Boer onder ogen kwamen, omdat hij ernaar op zoek was, aangezien hij het plan had opgevat een zangstuk te schrijven voor de kinderen van Gaza. Op dat idee was hij gekomen toen hij vele jaren na zijn bezoek aan Israël op de onderbelichte situatie van de Palestijnen werd gewezen door zijn Belgische vriend en organisator van klassieke concerten, André Posman (broer van de bekende Vlaamse componist Luciën Posman). Via Posman, die getrouwd is met een Arabische vrouw, kreeg hij een boek in handen over de Gazastrook, met daarin ook een aantal ‘interessante’ gedichten. ‘Wat ik las was schrijnend, en bracht de herinnering aan mijn aangename contacten met Palestijnen van bijna een kwart eeuw geleden weer terug.’

Kwam het ambitieuze voornemen om een zangstuk te schrijven dan enkel daaruit voort? ‘Nou, nee,’ zegt de Boer. ‘Er speelt meer mee. Kijk, ik ben voor componeren in de wieg gelegd. Ook al zou ik de allerslechtste componist zijn die ooit heeft bestaan, dan nog kan ik niets anders dan componist zijn. Zo ben ik geboren, kan ik ook niet helpen. En als ik mijn talenten kan gebruiken om een positieve bijdrage te leveren aan deze kwestie, dan wil ik dat graag. Of beter: voor zover ik in staat ben een bijdrage te leveren, is dit de manier waarop ik dat kan en wil. De beste motivatie voor alles wat je doet is de wereld een beetje beter maken. Als je een bakker bent, dan maak je een lekker broodje. Dit principe geldt natuurlijk niet voor alle beroepen. Wie woekerpolissen bedenkt, beweegt zich op een ander niveau. Maar volgens mij word je daar niet gelukkig van.’

Dit ambachtelijk idealisme dreef De Boer er enige jaren geleden ook toe een Elegie voor Tohoku te schrijven, ter nagedachtenis van de slachtoffers van de tsunami die dit gebied in Japan zo zwaar trof. Hij kon het van tevoren niet weten, maar met zijn instelling kon de componist geen betere werkpartner vinden dan Michael Burch, die hem volstrekt onbekend was, maar die hij besloot aan te schrijven om hem te vragen of hij wat gedichten op diens toevallig gevonden site mocht gebruiken.

 

“De beste motivatie voor alles wat je doet is de wereld een beetje beter maken”

 

‘Het plan van Ed sprak mij onmiddellijk aan,’ vertelt Burch, ‘alleen stuitte het idee om bestaand werk van kinderen uit Gaza te gebruiken op nogal wat bezwaren. De leraar in Gaza die ik ken en kinderen bij het schrijven van gedichten begeleidt, wil hun identiteit om al te begrijpelijke redenen niet prijsgeven, en dus zou het erg moeilijk worden de rechten van de gedichten te krijgen. Daarom stelde ik Ed voor zelf nieuwe gedichten voor de cyclus te schrijven. Gelukkig ging hij akkoord. We wilden graag de verhalen van deze kinderen vertellen, maar moesten hen tegelijkertijd beschermen.’

De flexibiliteit en dienstbaarheid van Burch ervoer de Boer als heel bijzonder. ‘Ik mocht hem het onderwerp, de lengte en het metrum van elk gedicht opdragen. Aanpassingen waren nooit een probleem. Het verbazingwekkende was ook dat hij kwam aanzetten met perfecte liederenpoëzie, kleine ariateksten, simpel maar elegant.’

Burch: ‘Of ik iets weet van muziek? Nou, nee. Ik ben er dol op, en ik kan aardig meezingen, vooral onder de douche. Verder gaat het niet. Opera? Mag je me midden in de nacht voor wakker maken, maar ik versta er geen woord van, want er zijn maar weinig opera’s in het Engels, nietwaar? Dus dat het zo mooi heeft uitgepakt zal een kwestie van inspiratie zijn geweest. Tja, en wat mijn souplesse betreft: voor sommige dichters is elk woordje dat ze schrijven heilig. Zo ben ik zelf helemaal niet. Ik heb een weinig elitaire kijk op poëzie en houd me vooral bezig met de vraag of de boodschap overkomt. Ook als die boodschap onbarmhartig is, want het Palestijnse kind dat een stem krijgt in de cyclus sterft aan het eind een gewelddadige dood, zoals dat helaas ook in werkelijkheid regelmatig gebeurt. Mijn gedichten zijn toegankelijk en zeker ook niet wars van sentiment, want mensen zijn nu eenmaal sentimentele wezens. Let wel, ik heb ook obscure poëzie geschreven, maar daar ben ik al een tijd geleden vanaf gestapt, want ik wil mensen bereiken.’

Misschien alweer iets dat de componist en de dichter gemeen hebben: een afkeer van pretentie. De Boer zelf heeft al een tijd een broertje dood aan de in de volksmond als ploink-ploink en piep knor bekend staande moderne klassieke muziek waarmee hij tijdens zijn studie werd opgezadeld. ‘Aan dat soort muziek liggen zeer complexe abstracte ideeën ten grondslag, maar het eindresultaat is betekenisloos. Ik laat mij liever inspireren door volksmuziek uit alle windstreken en voel me gesterkt door de wetenschap dat Mozart en Haydn en veel andere grote componisten volksdeuntjes verwerkten in hun composities.Ik vond het dan ook erg leuk om in deze liederencyclus Palestijnse volksmelodieën te gebruiken, melodieën die vrij repetitief zijn, vanwege hun epische karakter.’


Eduard de Boer: geen liefhebber van 'ploink ploink' en 'piep knor', maar van volksmuziek

Eduard de Boer: geen liefhebber van ploink ploink en piep knor, maar van volksmuziek

Beide kunstenaars koesteren dus zowel laagdrempeligheid als engagement. Heeft Michael Burch dan ook de illusie dat verhalende kunst de wereld kan veranderen? ‘Ik weet het wel zeker,’ zegt hij vol overtuiging. ‘Of denk je soms dat William Blake, Charles Dickens en Walt Whitman geen invloed hebben gehad met hun aandacht voor de misstanden van hun tijd? En wat dacht je van The Beatles en Bob Dylan? Hebben die hun stempel niet gedrukt? Poëzie is overal om ons heen, meestal in de de vorm van populaire muziek, en de boodschap is vaak positief. Wat zingen Madonna en Lady Gaga? Wees jezelf. Je bent goed zoals je bent. De wereld is in de loop der tijd een betere plek geworden en literatuur en geschreven en gezongen poëzie hebben daaraan een onschatbare bijdrage geleverd.’

Tegelijkertijd beseft zowel De Boer als Burch dat twee uitvoeringen van deze liederencyclus geen rimpelingetje teweeg zullen brengen in de stand van zaken. Maar wie weet wat er nog in het vat zit? Er is reden voor hoop, een reden die de rationaliteit iets ontstijgt en toch niet helemaal onredelijk lijkt. Het project heeft tot nu toe onder een zeer gunstig gesternte gestaan. ‘Ik dacht er vele jaren mee zoet te zijn in plaats van drie maanden, want ik krijg ik er natuurlijk niet voor betaald en zou er dus tussendoor aan moeten werken,’ zegt De Boer. ‘Maar toen volgde er een verbazingwekkende reeks meevallers, ik zou haast zeggen: een serie wonderen. Eerst viel mij onverwacht een behoorlijk bedrag toe uit de nalatenschap van een overleden vriend. Daarmee was het geldprobleem opgelost. Vervolgens werden twee opdrachten waarvoor ik was aangezocht uitgesteld. Dus had ik ineens ook tijd. Voeg daarbij het feit dat ik zomaar de ideale tekstdichter vond, en je kunt begrijpen dat ik mijn geluk niet op kon. Het enige wat ontbrak was een zangstem. En zie: die vond ik, na alweer een zoektocht op internet, ook al snel in de persoon van Dima Bawab, een Jordaanse-Palestijnse sopraan die in Parijs woont en onmiddellijk enthousiast haar medewerking toezegde (‘wat geweldig dat jullie aan mij hebben gedacht’).  En als klap op de vuurpijl, al zegt dat misschien alleen mij als musicus iets, valt de compositorische climax van de cyclus, zonder dat ik daarnaar bewust had gestreefd, op het punt van de guldensnede (a:b = a+b : a). Geen verplichte, maar wel een geliefkoosde vorm. Beethoven, bijvoorbeeld, had er een feilloos gevoel voor.’

Dima

De Jordaans-Palestijnse zangeres Dima Bawab.

Zo veel gelukkig toeval geeft beide kunstenaars, al zijn ze niet bepaald religieus, toch te denken.
‘Je gaat haast geloven in de voorzienigheid,’ zegt de Boer.
En Burch: ‘Einstein zei het al: toeval is een manier van God om anoniem te blijven. Ik houd het erop dat mensen met hetzelfde doel vaak zijn voorbestemd elkaar te ontmoeten. In welke vorm dan ook.’

Zaterdag 22 april 2017, 20.15, in de Oosterkerk, Grote Oost 58-60, 1621 BX Hoorn (http://www.oosterkerkhoorn.nl/index.php?action=agenda)
Zondag 23 april 2017, 15.00, in de Singelkerk, Singel 452, 1017 AW Amsterdam.(http://www.doopsgezindamsterdam.nl/programma/)