Herinneringen aan een circusvorstin – door Carl Stellweg

circus

Het leek een avond te worden als vele andere, die zomer­avond ergens in de jaren tachtig, dat ik met twee studie­vrienden in café De Zijsprong zat in een Brabantse stad. Nee, aanvankelijk wees niets op de komst van mijn ka­meraad, mijn beste kameraad. Wie hij is? Maar dat ligt toch voor de hand: hij is mijn wil, mijn merg, hij is het die mij dwingt tot daden. Eigenlijk is hij ieders kameraad. Maar het was die zomeravond voor het eerst dat hij ook werkelijk liet merken míjn kameraad te zijn.

Eerlijk gezegd vond ik De Zijsprong een saaie boel, een verzamelplaats voor onschuldige, maar gesjochte figu­ren. Mijn vrienden dachten daar anders over. Avond aan avond bezochten ze dit onbeduidende wormgat in de binnenstad, deze mistroostige pijpenla waar schuwe drinkers zich verschansten. De reden stond 12 uur per dag achter de tap en heette José. Ze was een forse vrouw van achter in de veertig, niet smaakvol maar wel ver­zorgd gekleed. Aan haar monumentale polsen bengelden opzichtige armbanden, als van een circusvorstin, een hei­dense hogepriesteres, een vervaarlijke hoerenmadam.

Ze bestierde het café in haar eentje. Van een echtgenoot was geen sprake, wel had ze het af en toe over twee dochters in een ver buitenland. Het etablissement dreef zij naar eigen zeggen niet voor het gewin – dan had ze wel een ander vak gekozen – maar voor de gezelligheid.

circusvorstin3

Ach, José: ze zal er geen flauw benul van hebben, ze zal me misschien al lang zijn vergeten, maar ik denk nog ge­ regeld aan haar. Werkelijk, ik denk nog geregeld aan haar, mijn, treurige, rondborstige circusvorstin, en aan wat ze mij heeft geschonken.

Eens zei ze tegen mij: ‘De grootste boerenlul kan kinder­tjes maken, wat jij?’ Ik antwoordde snedig: ‘De grootste boerenlul zeker.’ Het gezelschap aan de toog lachte sma­kelijk om deze troebele kwinkslag, waarvan ik wist dat die hier in goede aarde zou vallen. José glimlachte vaag en keek mij aan met een mengeling van verbazing en lichte afkeuring, een onaangestoken sigaret jaknikkend tussen haar vingers.

José was een vrouw alleen die haar mannetje stond, met een tong zo scherp als een scalpel en een ruiterlijk hart vol tomeloze, geknechte moederlijkheid. En dat laatste was wat mijn twee vrienden naar haar toe dreef. Ze wa­ ren met hun 18 en 19 jaar een paar jaar jonger dan ik en net op eigen benen in een vreemde stad. Zij zorgde, ver van hun ouderlijk huis, voor plaatsvervangende nest­ warmte en ze aanvaardde deze rol met een bijna dankba­re vanzelfsprekendheid.

Wat ik en mijn vrienden gemeen hadden, was dat we geen van allen de ‘sociale vaardigheden’ bezaten om ons onbekommerd in het verplichte feestgedruis van studen­ tenintroductiedagen te storten. Zodoende hadden we de boot gemist en elkaar op die manier, paradoxaal genoeg, gevonden. Ons verbond was er een tegen studentikoze gezelligheid en daarom was De Zijsprong, waar geen an­ dere studenten dan wij kwamen, de ideale plek voor onze samenkomsten.

Goed, we waren wat aan het kaarten op die avond in juni 198… toen een luidruchtig gezelschap van vier mannen binnen kwam. In hun kielzog, maar onzichtbaar, mijn kameraad. Hij begon zich ook, haast onmerkbaar, in mij te roeren. Want hij kan tegelijkertijd in mij en buiten mij be­staan. Althans: zo stel ik me dat voor.

Twee van de mannen luisterden naar de namen Jan en Sjef . Jan was van middelbare leeftijd en had een gegroef­de karakterkop. Hij droeg een witte coltrui waar een gou­ den kettinkje zich af en toe overheen worstelde als een drenkeling. Zijn haar glom en stond stijf in model als het kapsel van een ouderwetse quizmaster.

Sjef had een imposante, maar wat hulpeloze gestalte. Door zijn opgetrokken schouders leek hij permanent in het defensief gedrongen. Zwart haar hing in vette slierten over zijn voorhoofd. Hij had machtige, ongeschoren ka­ ken. Ze zagen er dreigend uit, die kaken, maar daar stond zijn gulle en frequente lach tegenover.

De twee anderen gedroegen zich aanzienlijk rustiger. De ene, wiens naam ik nooit heb geweten, was een armoedi­ge verschijning in een vaal overhemd, die zich op een ge­ spannen manier afzijdig hield en zich beperkte tot spa. De andere, een kleine man met een baard, dronk met mate en probeerde de conversatie af en toe een serieuze draai te geven. Pas een dag later zou ik horen hoe hij heette.

Meer klanten waren er niet in De Zijsprong. Jan voerde het hoogste woord en had in Sjef een dankbaar klank­bord. De gesprekken gingen over allerlei stamgasten wier hebbelijkheden even uitputtend als honend aan de kaak werden gesteld. Verzachtende kanttekeningen van de kleine man met de baard gingen steeds resoluut van tafel.

Vervolgens werd José’s lof geprezen. Onvervangbaar, een rots in de branding, een ‘tof weifke’, dat was ze, en jammer dat ze allemaal niet wat jonger waren, want jon­gens, dan hadden ze het wel geweten. Jan greep bij her­haling José’s handen om er smakkende zoenen op af te leveren. Ze leek me al met al niet erg te benijden – had dan toch een ander vak gekozen. Waarom was ze daar nooit toe gekomen?

Het bier vloeide rijkelijk, zoals dat heet, en de stemming steeg. Het werd, zoals dat heet, ‘gezellig’. Vooral Sjef was op dreef met het verstrekken van rondjes, waarbij wij niet over het hoofd werden gezien. Wanneer wij het glas op hem hieven, kneep hij zijn ogen dicht en zei met zijn hoge, hese stem: ‘Prut, mannen.’

circus2

 

We voelden ons vereerd dat we op deze wijze door een man als Sjef werden toegesproken en onze harten maak­ ten helemaal een sprong van dankbaarheid toen we wer­den gepromoveerd van ‘mannen’ tot ‘maestro’s’. Wel vond ik het vervelend dat de vier de weg naar het toilet versperden, want het leek me om de een of andere reden niet raadzaam me langs Sjefs ontzaglijke rug te wringen. Allengs werd de toon die Jan tegen José aansloeg vrijpos­tiger. Hij vroeg haar quasi-argeloos hoe vaak ze ‘het’ deed en met wie, waarbij hij niet aarzelde helemaal duidelijk te maken wat hij bedoelde door zijn duim tussen wijs- en middelvinger te steken. Ook opperde hij dat in José’s ‘slipke’ toch wel ‘drie snikkels’ pasten.

Nu behoorde het bestoken van de waardin met schut­tingtaal tot de plaatselijke folklore, maar het was ons al­len duidelijk dat Jan een grens had overschreden. De ge­zelligheid nam af, de rondjes voor de hele zaak werden schaarser en wij werden van het Walhalla der Maestro’s weer gedegradeerd tot de categorie die voor ‘mennekes’ is ingeruimd.

Ik besefte dat het hier nooit ‘gezellig’ was geweest, ook vanavond niet. Cafés als De Zijsprong waren de antithese van gezellig. De deur stond voor iedereen open, en de koffie was altijd klaar, maar wie zich door deze werven­de teksten naar binnen liet leiden, deed zichzelf ernstig tekort. Ik wist dat, en toch moest ik me keer op keer in dit soort krochten wagen. Waarom? Vanwege de belofte van vergetelheid, van schrale geborgenheid? Ongetwijfeld, maar wat diende er dan te worden vergeten, welk gevaar moest ik ontvluchten? Cafés spelen al lang geen rol meer in mijn leven, maar toch heb ik nooit een bevredigend antwoord kunnen vinden op de vraag wat ik in gelegen­heden als De Zijsprong kwam doen. Of misschien toch, al durf ik mezelf dat zelfs nu nog nauwelijks te bekennen: Café De Zijsprong was het Niets. En dat was ik ook, lan­ ge tijd: niets. Niets bepaalds.

Dit alles terzijde. Opgelucht was ik toen Sjef probeerde Jan tot de orde te roepen: ‘Wat zit ge nou allemaal te kut­ten tegen José, wat zit ge nou te kutten?’ Jan antwoordde: ‘Dat is geen kutten, dat begrijpt ge niet. Ik mag dat tegen haar zeggen, want zij weet wat ik voor haar voel.’ En na deze moeilijk op juiste waarde te schatten bekentenis boog hij voorzichtig naar haar toe, nam met een delicaat gebaar haar halsketting in zijn handen en leek heel even, met een bevende maar vastberaden vinger, dat deel van de vrouwelijke anatomie te beroeren waarmee José in zeer ruime mate was bedeeld.

Tot mijn verbazing bleef ze roerloos zitten. Ze keek Jan met bezeten ogen aan. Langzaam, als in gedachten ver­zonken, nam hij zijn hand terug, een strategische, wel­ overwogen terugtocht was het, die hij vergezeld deed gaan van een zacht uitgesproken, maar nog duidelijk hoorbaar ‘slet’. Het klonk als een oorlogsverklaring, het dichtslaan van een deur. Er daalde een bijna plechtige sfeer over de aanwezigen.

Even was het stil in café De Zijsprong, op het gekweel van Peter Maffay na: ‘Du, du allein kannst mich verste­hen.’ Toen wendde Jan zijn hoofd naar een van mijn stu­dievrienden, die naast hem zat, en vroeg hem, op een toon of het een ultimatum betrof, of hij iets van hem wil­de drinken. Mijn vriend antwoordde bedremmeld dat hij geen geld meer had om een rondje terug te geven. Hij rook onraad – en dat rook hij goed.

circusvorstin5

Jan liet het antwoord enige tijd bezinken, keerde zich toen langzaam af en draaide zich weer plotseling om. Hij sleurde mijn vriend van zijn barkruk, gooide de inhoud van een glas bier in zijn gezicht, pakte een stoel en dreig­de deze te laten neerkomen op het hoofd van zijn slacht­offer, dat inmiddels op de grond lag. Het tafereel leek zich in slowmotion aan mijn ogen te voltrekken, waar­door het een bijna obscene onbeholpenheid had, als een scène uit een derderangsfilm.

De uitdrukking op Jans gezicht was dramatisch veran­derd. De pesterige blik had plaats gemaakt voor een soort radeloosheid. Hij was een desperado die op het punt stond alle schepen achter zich te verbranden. Zijn ogen flakkerden in hun kassen als – wat zal ik zeggen? – ‘nachtelijk vuur’.

José had de tap verlaten en was met een geluid van drif­tig rinkelende armbanden op hem af gebeend. Ze voegde hem toe, op een toon die tegenspraak uitsloot: ‘Jan, zet die stoel neer. Zoiets doe de hier niet. Wat bezielt oe?’ Jan gehoorzaamde, maar bleef haar gepijnigd aankijken, alsof hem een onbegrijpelijk onrecht was aangedaan. De groeven op zijn gezicht vormden – hoe zal ik ze noemen? – ‘verwrongen vraagtekens’: ‘Wat me bezielt? Ge weet heel goed wat me bezielt!’

Een spottend opgetrokken wenkbrauw, een spottend op­getrokken wenkbrauw die ik nooit zal vergeten, de moe­der van alle spottend opgetrokken wenkbrauwen, was José’s enige antwoord.

Jans metgezellen hadden zich om hem heen geschaard. De man met het vale overhemd keek met een soort inten­se uitdrukkingsloosheid, de kleine man met de baard had een bezorgde en afkeurende blik. Sjef nam, wijdbeens en met de handen in de zij, een centrale positie in. Hij leek, met heen en weer schietende ogen, in een toestand van verhoogde waakzaamheid te verkeren. Het had er alle schijn van dat hij vastbesloten was verdere excessen in de kiem te smoren, maar zijn houding had ook iets gedien­stigs jegens Jan.

Toen kwamen mijn twee vrienden in actie. De een trok de ander mee en ze vluchtten het rommelhok in, achterin het café. Jan keek hen verbaasd na, barstte in lachen uit, nestelde zich aan de toog en riep om bier voor de hele zaak. We begroetten deze abrupte koerswijziging met laf­hartig gejuich. De kwestie leek afgedaan.

Maar niet voor Sjef. Zijn gezicht behield een uitdrukking van opperste concentratie. Langzaam kwam hij op me af en zei: ‘Gij moet er oe ook nie mee bemoeien.’ Ik zei: ‘Dat doe ik toch ook niet?’ Toen gaf Sjef me met de vlakke hand een oorsuizende klap in mijn gezicht, zoals ik nog nooit eerder had gekregen. Ik tuimelde naar achteren, maar hervond tijdig mijn evenwicht. Ik voelde aan mijn wang, die verschroeid leek te zijn, en mompelde: ‘Nou ja, zeg.’ Ik beefde. Ik was geschonden.

Ik had me in Sjef vergist. Achter zijn enge uiterlijk had ik een goedige inborst vermoed, had ik zelfs – met zijn ‘prut, mannen’ – verondersteld dat hij edelmoedig was. En tot mijn eigen verbazing was ik nog steeds bereid die veronderstelling te handhaven, ondanks de klap. Hij had het even niet goed begrepen, dat was alles. Schaar je bij de sterkste, wees vrienden met je vijand, probeer hem te begrijpen. Lafheid is de trouwe knecht van macht en sa­men reizen ze de wereld rond.

José was niet laf. Ze nam Sjef verbaal onder handen, op een wijze waarop je een klein kind of een zwakzinnige toespreekt: ‘Sjefke, dit kende niet maken. Hij heeft oe niks gedaan. Hij bemoeit zich nergens mee.’

‘Wie is hij dan?’ riep Sjef met idiote verontwaardiging, alsof mijn identiteit al de hele avond voor hem werd ver­ zwegen. ‘Hij is een student, Sjef’, antwoordde José met zoveel deernis en respect in haar stem dat het me ont­roerde.

‘Een wat?’ bulderde Sjef. Maar toen, van het ene moment op het andere, kalmeerde hij. Er kwam een bedachtzame, zelfs milde uitdrukking op zijn gezicht. Hij begon belang­stellend en vergenoegd om zich heen te kijken, alsof hij nu pas een aardige omgeving gewaar werd. ‘Eigenlijk hedde gij een heel jofel kroegske, José.’ Zijn dikke vingers gleden waarderend langs de lambrisering: ‘Mooi afge­werkt, hoor.’ Hij plantte zijn ellebogen op de toog, ten te­ ken dat hij de avond vreedzaam en, ja, ‘gezellig’, wilde afsluiten. ‘Geef iedereen wat van mij. En sorry van net, meid. Ik wil niet tegen oe kutten.’

Toen leek tot hem door te dringen dat hij niet alleen José excuus verschuldigd was. Hij liep op me af en stak me met een vriendelijk gezicht zijn kolenschop toe. ‘Sorry maestro, ik had het efkes nie goed begrepen. Zand er­ over?’ Ik drukte hem de hand en zei ‘zand erover’. Sluit vriendschap met je vijand, hij is best schappelijk als je hem een beetje beter leert kennen.

Sjef deed zijn arm om mijn schouders en drukte me grootmoedig tegen de borst. Vervolgens trof zijn vuist me vol in het gezicht. Hij liet me los en liep met een uit­ drukking van grote tevredenheid op zijn smoelwerk te­rug naar zijn plaats. ‘Nee, Sjef…’, zei José met de luste­loosheid die gepaard gaat met het besef dat alles defini­tief verloren is. Ik had zojuist kennis gemaakt met Sjefs summum van subtiele humor. Ergens was in dit monster, deze lompe sukkel, een donkere ader aangeboord en het was nog lang, lang niet afgelopen.

Toen ontwaakte Jan, die met omfloerste blik naar mij en Sjef had zitten staren. Zijn humeur was om onduidelijke redenen weer omgeslagen. Hij keek me getergd, vol pri­ mitief verwijt aan. Met een trillende wijsvinger als een pi­stool op me gericht, zei hij: ‘Jou krijg ik nog wel jongen, ik kom jou nog wel een keer tegen. Wij hebben een af­ spraak.’

Tot mijn schrik liet hij het niet bij dreigementen. Kenne­lijk hadden we die afspraak nu meteen. Moeizaam zakte hij van zijn kruk en kwam op me af, gevolgd door Sjef. José postte zich beschermend voor me en zei tegen het tweetal: ‘Pas op hè. Ik heb de politie gebeld. Ze komen er aan.’

Jan riep: ‘Ik heb met hem een afspraak. Ik heb met ieder­een hier een afspraak.’

Op dat moment vluchtte ik op mijn beurt het rommelhok in. Daar zag ik dat er geen sleutel of grendel op de deur zat. In arren moede zette ik er een bezem schuin tegen­ aan. Even was het stil, maar toen hoorde ik een onsamen­hangend gemompel, als van mensen die, na een avond doorzakken, moeite hebben de sleutel in het slot van de deur te krijgen. Met andere woorden: ik had Jan en Sjef niet horen aankomen.

De bezem viel neer en de deur schoof open. Ik zag dom­heid en haat als wankele kameraden in de deuropening. Jan greep me bij mijn haar en gromde: ‘Nou is-ie er ge­ weest, nou gaat-ie er aan.’ Ik kromp helemaal in elkaar, vouwde mijn armen voor mijn maag en drukte mijn kin op mijn borst, als in gebed.

Het moet geen heldhaftige aanblik hebben opgeleverd, maar ik weet nu, net als toen, dat ik het verstandigste deed dat onder de omstandigheden mogelijk was. Sjefs harde, maar niet al te precies geplaatste stoten troffen wel mijn hoofd, maar andere vitale plekken hield ik buiten zijn bereik. Niet alleen mijn lichaam, maar ook mijn ge­ dachten kronkelden zich op in een egelstelling, vloeiden naar een centraal punt, waar je alleen nog maar denkt: overleven. Doorstaan. Een toestand van onverbiddelijke nuchterheid.

Ik was doodsbang en voelde me toch wonderlijk gebor­gen: iemand, iets, hield mij vast, hield mij stevig vast. Mijn kameraad.

Spoedig kwam er hulp opdagen. José wrong zich tussen mij en mijn belagers. Ze huilde en riep: ‘O nee Jan, o nee, nee, nee Jan.’ Ze hield hem gevangen in een smekende omhelzing, als een afgewezen geliefde.

De man met het vale overhemd probeerde Sjef in toom te houden, zwijgend en nog steeds met dat neutrale gezicht. Iets zei me dat het maar goed was dat hij niks had ge­ dronken. De kleine man met de baard keek handenwrin­gend toe, niet wetend wat voor bijdrage te leveren aan deze wanhopige vertoning.

Vreemd is het dat ik me pas later die stem herinnerde, een stem die van veraf leek te komen, maar toch goed was te horen, door al het tumult heen. ‘Hij heeft een mes. Hij heeft een mes’, was wat de stem had gezegd.

Ineens kruiste mijn blik die van Jan en hapte ik toe. Ik zei kalm, maar doordringend: ‘Jan, hou op nu. Hou op nu.’ Ik herhaalde, even gebiedend als smekend: ‘Jan. Hou op. Nu.’

Ik had het goed gezien – wat het ook was dat ik had ge­ zien. Hij keek me getroffen aan. Er leek hem iets schim­migs te binnen te schieten, een herinnering die hij niet kon thuisbrengen, een aha-erlebnis misschien. Tegelijker­tijd leken alle kracht en woede uit hem weg te vloeien. José en de man met het vale overhemd voerden hem weg. Hij bood geen weerstand.

Sjef wist even niet wat te doen, maar slofte toen achter het drietal aan. Door de jaloezie van zijn natte slierthaar nam hij me nog één keer met vermoeide blik op. Daarna keerde hij zich definitief van me af en zei met een zucht, bijna smachtend: ’Bier.’ Ik antwoordde fluisterend, tegen zijn rug: ‘Precies. Bier. Daar gaat het om.’

De kleine man met de baard bleef even achter, vroeg me of het ‘een beetje ging’ en maakte zich vervolgens ook uit de voeten.

Toen ik weer alleen was, besefte ik dat er iets niet klopte. Mijn twee studievrienden waren hier ook in gevlucht. Ze waren gevlogen. Er moest dus een uitgang zijn. Ik keek de ruimte rond, die volstond met kratten, vuilniszakken, biervaten, afgedankte meubels en schoonmaakspullen. Er hing een lucht van natte aarde. En meer nog: er hing een geur van mystiek. Het was of ik het hok een vraag stelde en de taal van het antwoord probeerde te verstaan.

circus3
Ik liep naar achteren en vond daar, achter een oude ijs­kast, een deur. Ik deed hem open en keek een gangpad in. Het bood uitzicht op een smal stukje straat. Als een donker kleinood glom het onder de avondhemel. Toen ging de andere deur weer open.

De kleine man met de baard kwam binnen. Hij keek me ontsteld aan en vroeg wat ik van plan was, of hij me van een wanhoopsdaad wilde afhouden. ‘Even een luchtje scheppen’, antwoordde ik.

‘Vlucht nou niet’, zei hij. ‘Dat is niet nodig. Ze zijn weer rustig. Ze vragen of ge binnenkomt en een pilske mee­ drinkt. Ze willen de vredespijp roken. Jan, die het zo’ne vreselijke spijt. Hij zegt dat ge z’n ogen het geopend. Hij is niet slecht. Ik ken hem.’

Ik antwoordde dat dit wel heel vriendelijk was aangebo­den, maar dat ik toch echt op huis aan moest. ‘Een ander keertje misschien’, voegde ik er aan toe. ‘En doe Jan de zeer hartelijke groeten van me.’ Ik lachte smakelijk om mijn brutale ironie. Ik bruiste van energie. Buiten was het feest van de vrijheid aan de gang, waarin ik mij weldra zou mengen.

Ik schoot de straat op, rende naar een cafetaria en bestel­de er een taxi. Het personeel gaapte me wantrouwend aan. Toen ik in een spiegel keek, begreep ik waarom. De linkerhelft van mijn gezicht was opgezwollen en paars­ blauw. Eén oog zat vol bloed en was half dichtgeslagen, een afgedwongen knipoog. Terwijl ik naar dit morbide clownshoofd keek, welde er een onstuitbare hilariteit in me op. Het geluk was een groot en angstig dier dat ik in mijn armen droeg.

circusvorstin7

Tegen de taxichauffeur vertelde ik opgewonden wat me was overkomen. Hij luisterde ernstig en vol begrip, knik­ te instemmend. De types die hij wel eens in zijn auto kreeg… ‘Als ze voor m’n wielen komen, zou ik wel remmen, maar alleen uit reflex hè, alleen uit reflex.’

Ik hoefde niets te betalen. ‘Ga maar gauw naar bed’, zei hij vaderlijk. Ook deze taxichauffeur, wiens gezicht me niet meer bijstaat, zal er geen flauw benul van hebben dat ik nog met regelmaat, en dankbaarheid, aan hem denk. Hij is enkel een stem in mijn herinnering, de stem van de compassie.

Thuis maakte de euforie plaats voor neerslachtigheid. Het drong tot me door dat er iets ergs was gebeurd, iets onomkeerbaars. De wereld was ineens in een woestijn veranderd. De gedachte mezelf nog eens in de spiegel te bekijken, die clownskop weer te zien, was meer dan ik kon verdragen. Ik maakte een boterham en ging naar bed. De telefoon ging, maar ik nam niet op. Ik rouwde mezelf in slaap.

De volgende dag was het neerslachtige gevoel verdwe­nen, opgelost in de nacht. Ik verwonderde en verheugde me over de zelfredzaamheid van de ziel, die kennelijk haar wonden kan helen zonder dat het verstand daarop hoeft aan te dringen.

Ik durfde weer naar mijn gezicht te kijken. Het leek er minder angstwekkend uit te zien dan de vorige nacht. Het kwam me voor dat ik toen alles een beetje vervormd had gezien, als in een visioen. Het enge clownsmasker herkende ik in elk geval niet terug.

De zwellingen deden alleen een beetje pijn als ik ze aan­raakte. Daaruit trok ik de conclusie dat er niets was ge­kneusd of gebroken. Het bloed in mijn ene oog was al aan het wegtrekken. Er was vermoedelijk alleen een adertje gesprongen.

Ik besloot voor de zekerheid naar de EHBO van een zie kenhuis te gaan, maar eerst moest ik naar De Zijsprong. Dat perspectief stemde me niet vrolijk, maar ik had er mijn fiets en een tas vol spullen die ik moeilijk kon mis­sen laten staan en ik wilde zo snel mogelijk weten wat daarmee was gebeurd.

In de bus naar het café voelde ik me vreemd opgewekt. De zon scheen, door het raam zag ik mannen in korte broek en vrouwen in vrolijke zomerjurken. Ik gaf me over aan de naïeve fantasie dat ik een feestelijke intocht maakte en door voorbijgangers gastvrij werd toegela­chen.

Toen de bus stopte bij een halte, zag ik een mooie jonge vrouw aan de overzijde van de straat aan komen lopen. Ongeveer op de hoogte waar ik zat, stond ze stil, trok haar lage pumps uit en vervolgde haar weg blootsvoets, de pumps bungelend aan haar vingers. Het leek wel of een gericht van goden, in een zeldzaam vertoon van mildheid, had bepaald dat dit kleine tafereel mij toch wel toekwam, na wat ik de avond tevoren had doorstaan. Het waren vast niet de belangrijkste goden die zich over mijn zaak hadden gebogen, het zullen de zogeheten min­ dere goden zijn geweest, maar ook die waren machtig, zeker waar het de dingen van alledag, en de schoonheid van de dingen van alledag, betrof.

circusvorstin8

Ik kreeg de onkarakteristieke aanvechting om met totale onbekenden een gesprek aan te knopen. Ik had de wereld en haar bewoners plotseling heel wat te melden. Ik wilde getuigen, getuigen van mijn bestaan en zijn onvermoede, bitterzoete rijkdom. De bleke, onhandige student, ge­remd, wrokkig om zijn onervarenheid, altijd in de verde­diging, altijd verschanst achter argwanende stellingen, leek zomaar te zijn veranderd in een man die het kalme en gelukkige besef koesterde dat de wereld aan zijn voe­ten lag. Ook had ik het gevoel in het gezelschap te verke­ren van een soort onzichtbare naaste. Het was een ge­heimzinnige ervaring, maar verre van onprettig. Onover­winnelijkheid omgloorde me.

De wrokkige student had iets meegemaakt, voor het eerst in zijn leven werkelijk iets meegemaakt. Het zal een bui­tenstaander misschien onbeduidend voorkomen, maar voor de student was het of het lot, na hem lange tijd vol­ledig te hebben genegeerd, uiteindelijk toch zijn oog op hem had laten vallen, toch genoeg interesse voor hem had kunnen opbrengen om hem eens goed door elkaar te schudden. Het was een uitdaging geweest en hij was die aangegaan. Het lot had hem voor het eerst in volle om­ vang getoond wat het vermocht, maar hij had het be­ dwongen. Hij had zich gered, en zat nu, licht gehavend maar overigens ongedeerd, in de bus te genieten van zijn eigen gezelschap. Hij was uit de slaap van zijn schijnbe­staan, zijn wrevelige studentenbestaan, in het volle, reini­gende daglicht van de echte wereld ontwaakt. Het was nog een mooie wereld ook, voor wie ogen had om te zien.

Vreemd: ik wist zeker dat ik na mijn perikelen met Jan en Sjef, nooit meer zo bang zou zijn voor fysiek geweld als daarvoor. Ik meende de bezweringsformule te hebben gevonden waarmee ik vechtersbazen in hun bewegingen kon verstarren. Hou op nu. Hou op nu. Hou op nu.

Helaas voor anderen hadden deze woorden alleen als ze door mij werden uitgesproken, bezwerende kracht.

De Zijsprong ging net open toen ik er aan kwam. Fiets en tas waren onaangeroerd. José en ik hadden het rijk alleen. Zo konden we ongestoord de ge­beurtenissen van de vorige nacht bespreken.

Ze keek me aan met een droevige, moederlijke blik. ‘Je vrienden zijn hier nog geweest. Ze waren eerst naar een ander café gegaan en hebben daarna in een portiek hier tegenover gewacht tot dat tuig weg was. Ze hebben je van hieruit nog gebeld, maar je nam niet op. Ze waren behoorlijk ongerust. Ik zou maar snel iets van me laten horen.’

Ik vroeg of de politie nog was geweest. ‘Die rukken al­leen nog uit om parkeerbonnen uit te delen’, zei ze. ‘En dat terwijl niet alleen ik, maar ook je vrienden ze hebben gebeld, vanuit dat andere café. Ja, toen het te laat was, veel te laat, toen verschenen ze.’ Ze liet een zucht ont­snappen, die even boven ons bezonken samenzijn bleef hangen.

Het viel me op dat haar woordkeus anders was als ze te­gen mij sprak, dat haar Brabantse accent dan zelfs weg­viel. Waar kwam ze eigenlijk vandaan? Wie was ze echt? We zwegen even, en in dat zwijgen voelde ik een verras­sende, breekbare intimiteit tussen ons oprijzen, een vluchtige affectieve band, een zekere aantrekkingskracht misschien zelfs. Ik keek naar deze vrouw, die ten minste twee keer zo oud was als ik: haar harde, wereldwijze, on­berispelijk gekapte boxerskop, de indrukwekkende boe­zem onder haar glittertrui, haar brede polsen, haar grove handen met rood gelakte nagels. En plotseling voelde ik de behoefte haar armen en schouders teder aan te raken.

Dat lag natuurlijk niet voor de hand, maar ik was net begonnen te leren dat wat voor de hand ligt, vaak niet meer is dan een vrijplaatsje, omsingeld door een rijk van ge­censureerde vermoedens.

Het was José die de stilte verbrak. ‘Nou, jongen…’, zei ze halfluid, terwijl ze me even scherp opnam. En daarbij liet ze het.

Ik vroeg of ze wel eens eerder dit soort problemen had gehad in haar café. ‘Gelukkig niet’, zei ze. ‘Ik heb toch al zo’n hekel aan ruzie.’

‘Het was geen ruzie’, zei ik kort.

‘Dat denk jij maar’, diende ze me even kortaf van repliek. ‘Hoe lang zijn ze eigenlijk nog gebleven?’

Ze antwoordde niet meteen, maar pakte trillend een siga­ret. ‘Lang’, zei ze tenslotte. ‘Lang.’ Ik kreeg het gevoel dat ze iets verzweeg of aarzelde te vertellen.

‘Ik begrijp Jan niet’, vervolgde ze. ‘Een man met een goeie baan, met vier kinderen. Ik ken hem goed. Nou ja, goed. Laten we het daar maar niet over hebben. Hij is een weduwnaar. Die Sjef is geen goede invloed. Woont nog bij z’n moeder, op het kamp. Heeft duizenden platen met levensliederen en speelt zelf accordeon. Z’n hele familie trouwens. Kermisklanten. Criminelen. Moet ik doorgaan? Ach, hij is pas negentien.’

We zwegen weer. Ik was er nog niet aan toe om Jan en Sjefs persoonlijke achtergronden in ogenschouw te ne­ men. Ik zag aan José dat ze meer van streek was dan ze wilde laten merken. Ze leek nog twee keer iets te willen zeggen, maar bedacht zich telkens.

‘Wat is er?’ vroeg ik.

‘Dat ze Paultje zo hebben gestoken’, kwam er tenslotte uit, terwijl tranen haar ogen vulden, meisjestranen van een oudere vrouw. ‘Zo’n lief manneke.’

‘Paultje?’ vroeg ik.

circusvorstin9

‘Ja, Paultje, die kleine met die baard. Ze hadden een mes. Ze hebben hem zo gestoken. Ze waren boos dat hij je had laten gaan. Zo kon Jan je niet laten merken dat je hem de ogen had geopend. Toen hebben ze Paultje te grazen ge­nomen. Heel erg te grazen genomen. Hij ligt in het zie­kenhuis. Op de – hoe heet het – intensive care.’

En voor ik het wist had ik het volumineuze lichaam van een te langen leste radeloze circusvorstin in mijn armen. Gedreven door de omstandigheden en er op vertrouwend dat ik een man was, zocht de circusvorstin ver troosting in mijn armen. En ik troostte haar ook, mijn cir­cusvorstin, onwennig maar toch adequaat, met overtui­ging. Ik werd geleid, gestuurd, er was een nieuwe, tomeloze kracht in mij ontwaakt. Het duurde maar even, heel even, totdat zich de eerste klanten aandienden, en ik Café De Zijsprong verliet – Café De Zijsprong voorgoed achter me liet. En mijn circusvorstin daar achter liet.

 

Eerlijk duurt het kortst – door Carl Stellweg

Eerlijk duurt het kortst1

Weet je wat het met mij is? Ik kan niet tegen onrecht. Niet. Inderdaad, een onhandige eigenschap, die ik meestal voor me houd omdat het geen pas geeft ermee te koop te lopen. Ik ben daar misschien een rare in. Ik ben sowieso misschien een rare. Weet je namelijk wat het met mij is? Je kunt tot zo verbij mij gaan. Tot zo ver. En geen millimeter verder. Raar, ja, maar ik heb mijzelf niet gemaakt.

Je wilt een voorbeeld? Vooruit. Al die buitenlandse mensen. Al die buitenlandse mensen, bijvoorbeeld. Waarvoor zijn wij ooit bevrijd? Voor een nieuwe invasie, ditmaal door mensen van een ander ras, een ander geloof? Niet om te discrimineren, maar die mensen kunnen maar tot zo ver bij mij gaan. Ik zeg het eerlijk.

Nog zo’n vervelende eigenschap die ik meestal voor me houd: eerlijkheid. Ik heb dat geleerd, hè, om de meeste dingen voor me te houden. Om vooral niet altijd eerlijk de waarheid te zeggen. Dat kan een mens duur komen te staan, geloof me. Eerlijk duurt het kortst.

Wat ik ook nog eens ben, ik ben nogal een gevoelig persoon. Hypersensitief noemen ze dat tegenwoordig, geloof ik, en daarin herken ik wel iets van mijzelf. Ik heb een trauma, moet je weten. Vanwege het oorlogsverleden van mijn ouders. Ik bedoel: hun verzetsverleden.

Dat trauma uit zich in een droom die ik elke nacht heb, al ruim een halve eeuw. Ik ben klein, het is avond, ik zit alleen in de huiskamer als de bel gaat. Ik doe open, ook al is het niet aan mij open te doen, zeker niet ’s avonds, omdat ik klein ben en het oorlog is. Ik doe het toch. Het is stikdonker maar ik zie de contouren van een soldaat, de contouren van zijn helm. Ik zie zijn ogen niet, omdat de rand van zijn helm er een schaduw over werpt. Ik zie wel zijn glimlach, die me beangstigt, misschien omdat zijn ogen verborgen blijven. Bij een glimlach horen ogen.

‘Wo ist dein Vati?’ vraagt de soldaat. Hij klinkt niet onvriendelijk, maar ik blijf bang. Er klopt iets niet. Mijn vader en moeder zitten in het verzet, dat hebben ze me zelf verteld. Daardoor komt het dat wij meer te eten hebben dan de andere mensen in onze straat: dat hebben mijn ouders me uitgelegd nadat ik ernaar had gevraagd. Ik zie nu dat de soldaat een pak onder zijn arm heeft. Hij vraagt nog een keer naar mijn Vati, maar ik durf geen antwoord te geven. Nee, er klopt iets niet. Mijn vader en moeder zitten in het verzet, dat ik heb ze zo vaak horen zeggen.

Ik geef dus geen antwoord en vlucht de trap op. Ik ren langs de slaapkamer van mijn ouders en verbeeld me dat ze daar zijn, dat ze in hun bed liggen opgebaard, alsof ze dood zijn, of zich dood houden omdat ze liever dat doen dan mij redden. Ik ren helemaal naar boven, naar de vliering, klim uit het raampje en sta in de dakgoot. Beneden roept de Duitse soldaat weer, terwijl hij het pak omhoog houdt: ‘Wo ist dein Vati?’ De vraag drijft me tot wanhoop, ik spring naar het dak van de buren. Ik val, en weet niet of dat komt omdat mijn sprong te kort is, of omdat de soldaat mij neerschiet. Dat doet er niet toe. Ik val en sterf, elke nacht, al ruim een halve eeuw.

Eerlijk duurt het kortst2

Sinds kort bezoek ik een psychiater. Het graf gaapt en ik wil mijn trauma er niet in meenemen. Ik heb dat gezien bij mijn ouders en zoiets wil ik niet. Misschien is dat wel het hoogst bereikbare in het leven: je verlossen van wat het je heeft aangedaan voordat je het graf in gaat. Met het leven afrekenen voordat je het leven laat. Anders ga je misschien spoken. Zoals mijn ouders. Want die spoken wat af, het is of ze pas na hun dood tot leven zijn gekomen. Tenzij ik spoken zie! Haha! Weet je wat het met mij is? Ik heb een ontzettend droog gevoel voor humor.

Maar goed. De noodzaak af te komen van je trauma’s voordat je de eeuwige nacht in gaat. Je doet tenslotte ook je kleren uit voor de sauna. Maar het valt nog niet mee, mijn kleren uitdoen voordat ik de eeuwige sauna in moet, het is geen sinecure, je gereed maken voor de reinigende hittedampen van het hiernamaals, de hermetische intensiteit van het niet-zijn, de singulariteit van de dood. Het valt nog niet mee. Het beklemt me. Het beklemt me om mijn kleren uit te doen en het beklemt me om ze aan te houden.

De psychiater zegt: er klopt iets niet aan uw droom. Hij vraagt me waarom ik de deur open doe. Ik geef geen antwoord. Wat kan ik anders zeggen dan dat het noodlot mij ertoe drijft? De psychiater vertelt me dat als ik deze droom al ruim een halve eeuw heb, ik onderhand moet weten dat het een droom is.

Werkelijk? vraag ik. In de droom zelf?
Hij knikt.

Grotere onzin heb ik nog niet gehoord. Als je zou weten dat je droomt wanneer je droomt, dan zou je ook verantwoordelijk moeten zijn voor je droom, voor het feit dat je droomt, en volgens mij kan dat niet, dromers zijn onschuldig, als kinderen, ze zijn gewichtsloos, ze zweven, op dromers drukt geen enkele verantwoordelijkheid,dat zou wat zijn. Elke dromer is een kind.

dream

Hoort u wat u zegt? zegt de psychiater op z’n psychiatrisch. U was een kind. Doe voortaan niet open. Dat hoeft een kind niet te doen. Laat bellen. Voelt u zich werkelijk verantwoordelijk? Bent u verantwoordelijk? Wat is er toen precies gebeurd?

Hij raaskalt. Of niet. In ieder geval geef ik geen antwoord. Net zoals ik nooit antwoord geef op de vraag waar mijn Vati is. Op sommige vragen moet je geen antwoord geven, sommige vragen stinken naar verraad. Geloof me, ik kan niet anders dan zwijgen. Als ik antwoord geef, geef ik ook altijd eerlijk antwoord. Dat zit in me. Daar ben ik een rare in. Altijd een rare in geweest. Van kindsbeen af.

 

Het stapeltje van drie – door Carl Stellweg

Stapeltje

Het hotel lag hoog in de bergen. Niet alleen is de zuurstof daar schaarser en het uitzicht dreigender dan beneden, ook is het zo dat  de liefde er veel minder te zoeken heeft.

De kamer van de jongen verschilde niet van eenvoudige eenpersoonskamers voor gasten. Een gast was hij niet, maar hem werdwel een prijs berekend.

Hij wist zeker dat zijn vader en moeder hem haatten, hem al haatten voor hij was geboren. Hij was voor hun haat in de wieg gelegd. Hij had geen broertjes en zusjes, mocht geen bondgenoten hebben.

Het hotel was in Fachwerk-stijl, middeleeuwse muren, donkere houten balken, lemen stucwerk. Puntdak. Charmant, maar hij kon niet van iets houden dat niet van hem hield.

Stapeltje1

Hij zou nooit weten hoe of waarom zijn ouders, die Nederlanders waren, nog voor de Tweede Wereldoorlog in Zwitserland terecht waren gekomen. Hij wist alleen dat hij in Nederland was geboren.

Familieleden schenen er nauwelijks te zijn en had hij nooit ontmoet. Waren zijn ouders Joden? Het zou het een en ander verklaren, maar hij gruwde van de gedachte aan stamboomonderzoek. Hij wilde helemaal niets weten, niets, niet meer.

De vergelijking met een concentratiekamp was misschien ongepast, maar drong zich toch op: een concentratiekamp voor de detentie van één kind.

De bossen boden geen uitweg. Eenzaamheid is een bos dat uit één boom bestaat. Dat had hij ooit in een gedicht gelezen. De bomen vormden in zijn ogen verstarde regimenten van eenzamen, die zij aan zij elkaars toestand verdiepten en voortplantten, tot er nergens meer iets anders dan eenzaamheid zou bestaan. Het waren in zijn herinnering ook geen Zwitserse oerbossen, eerder monotone pijnboombossen, telefoonpaalbossen, zoals je ook in Nederland ziet.

Stapeltje2

Zijn ouders hadden hem nooit iets over zichzelf verteld, beperkten zich tot zakelijke mededelingen, toonden geen genegenheid, niet jegens hem, niet jegens elkaar. Hij zag ze alleen lachen tegen hotelgasten, kruiperig, wie kon hen verdragen? Toch leek het hotel altijd goed bezet, zelfs in oorlogstijd, al scheen het hem toe dat de meeste gasten niet beter geluimd waren dan zijn vader en moeder, even bars en vreugdeloos, wat ook gold voor het personeel, dat hem niet mocht omdat het niets aan hem had als informant.

Alle dagen van het jaar aan het werk: het hotel was er niet voor zijn vader en moeder, zijn vader en moeder waren er voor het hotel, een alles verslindend monster.

Ondertussen was een hand het enige waarvoor hij leefde. Monsieur Joachim, zijn tekenleraar, kwam vaak achter hem staan om te zien wat hij terecht bracht van een tekenopdracht. Dan legde hij soms een hand op zijn schouder, en liet die daar enige tijd achteloos rusten. De jongen was een jaar of tien toen hem dat voor het eerst overkwam. De hand oefende nauwelijks druk uit, maar hij voelde hem. Hij voelt hem nog.

Monsieur Joachim was een man met een delicaat voorkomen en zijn aanraking was, behalve zacht, ook vol. De ronding van de schouder paste precies in de kleine palm. Hemelse voorzienigheid. Mijn leven, mijn toekomst: woorden die zomaar in de jongen opkwamen en hem hevig beroerden. Hij was een zaadje dat op ontkiemen stond, een zaadje vol overgave. Soms gleed de hand licht strelend naar het schouderblad. Golven van zaligheid sloegen door de jongen heen. Wat de hand hem schonk leek los te staan van de eigenaar, en los van hem. Kennelijk kon dit ook een verschoppeling toevallen. Misschien was elke verschoppeling een verborgen zaadje vol overgave. En kennelijk was er zoiets als zinnelijkheid die louter voor zichzelf bestond, overal kon neerstrijken, niemand uitsloot en dus heerste over elk voelend wezen.

Stapeltje3

De wereld bood niet alleen eenzaamheid, maar ook koestering. Dat suggereerde de hand van meneer Joachim. Het gebaar schonk iets waar geen jong zoogdier buiten kan.

De jongen wist niet of monsieur Joachim zijn hand ook op andere kinderschouders legde. Hij wist wel beter dan anderen te bespieden, hij werd zelf door iedereen bespied. Hij ging er ook niet vanuit dat monsieur Joachim iets met zijn aanrakingen bedoelde. Feit bleef dat niemand anders hem aanraakte, vriendelijk of anderszins. Zijn ouders hielden hun handen thuis. Geweld is onmacht, hij was enkel een last waarin ze berustten. Misschien haatten ze hem niet, maar wisten ze niet hoe ze van hem moesten houden. Hoe kon hij dat weten?

Bij zijn klasgenoten, veelal boerenkinderen, wekte de jongen alleen nieuwsgierigheid omdat hij in een hotel woonde. Verder werd hij gemeden, aangezien hij ‘van elders’ kwam. Zelf had hij had daar amper besef van. Hij dacht en droomde in het Frans. Hij had wel een onbestemd verlangen naar Nederland, omdat daar geen bergen schenen te zijn.

Monsieur Joachim kleedde zich als een vagebond, maar sprak aristocratisch. Een enkele keer had hij een woedeaanval, en ooit barstte hij in huilen uit om een wissenwas. Dat hij een kunstenaar was, een bohemien, droeg hij uit met de hoogmoed die daarbij hoorde. Het leraarschap zag hij als een minderwaardige bron van inkomsten, zijn leerlingen lieten hem onverschillig. Misschien was de jongen een uitzondering. Want als hij zijn hand op diens schouder legde, zei hij wel eens: ‘Un don inméconnaissable’, een onmiskenbaar talent.

De jongen tekende graag. Zijn grootste talent was echter zijn verbeelding, het vermogen zich werelden voor te stellen waar hij nooit was geweest, maar waarover hij had gelezen in boeken uit de bibliotheek.

Monsieur Joachim gaf vaak vrije opdrachten, waarschijnlijk uit gemakzucht. Soms vroeg hij wat de jongen precies had getekend.

‘C’est un brontosaure, m’sieur Joachim, le plus grand animal ayant jamais vécu sur terre.’

‘Ce sont les jardins suspendus de Babylone, m’sieur Joachim, une des sept merveilles du monde.’

‘Ce sont les gratte-ciels de New York, m’sieur Joachim, avec la Statue de la Liberté, vous voyez bien?’

‘Ah oui, Nou Jorque…’ Wanneer monsieur Joachim zoiets ontsnapte, was het heel even of ze werkelijk wat deelden, en dat voelde heel ongemakkelijk.

Stapeltje4

*

Onrust belaagde de tekenleraar continu. Een meewarig gelispel, een intimiderend geroezemoes, woekerend verbaal onkruid, dat na monsieur Joachims plotselinge vertrek wegstierf. De jongen begreep dat er iets aan het licht was gekomen dat verborgen had moeten blijven, iets smerigs en onoorbaars. Hij wilde er niets van weten, wilde niet weten of er iets was geweest met die koesterende hand. De tekenlessen werden overgenomendoor een vrouw die de leerlingen ook aanraakte, maar met tirannieke vingers, vol woede om die onverdraaglijke onschuld en inadequaatheid, die weerloze leeghoofdigheid, die argeloze, onbelaste levens, die schreeuwden om repressie en pijniging.

De tekenlerares stak kale takken in een vaas en gebood de leerlingen die na te tekenen. Zijn don inméconnaissable verdampte, waar andere kinderen het als een bevrijding leken te ervaren dat ze hun nauwelijks aanwezige fantasie niet meer hoefden aan te spreken. Met grote toewijding kopieerden ze voortaan objecten buiten iedere betekenisvolle context, alsof niets hun diepere bevrediging schonk dan een van hogerhand opgelegde taak plichtsgetrouw te vervullen, zinvol of niet.

Nu pas begreep de jongen dat zijn ouders op hun plaats waren in deze door bergtoppen ingesloten uithoek, dat dit hun diepste thuis was, al kwamen ze van elders. Hun levensopvatting paste hier, waar een opeenvolging van voorgeschreven handelingen het enig toegestane, smalle kronkelpad tot welstand, deugd en uitendelijk het graf was.

Het drong definitief tot hem door dat deze omgeving hem, met de gaven die hij zichzelf toedichtte, niets te bieden had, dat hij elke hoop daarop moest opgeven.

Het kind in de volwassene komt wel eens ter sprake. De volwassene in het kind, daar zwijgt men over. Daarvan is men kennelijk niet op de hoogte. Hij had een kern van vastberadenheid. Hij wist wat hij wilde. Dat was overigens wat elk kind het liefste wil: liefde en waardering van zijn ouders. Vandaar dat hij zo zijn best deed op de dorpsschool waar hij elke dag te voet naartoe ging, anderhalf uur door een landschap dat hij niet opmerkte, verblind als hij was door de wens de aandacht van zijn ouders op zich te vestigen met klinkende schoolprestaties. Nooit liet hij zijn blik over valleien dwalen, nooit genoot hij daar bewust of onbewust van. Evenzeer was hij doof voor koerende en kwinkelerende vogels, klaterende beekjes, klingelende koeienbellen, of wat het allemaal mocht zijn. Hij hoorde alleen lerarenstemmen, had alleen oog voor wat er in schoolboeken stond. Tevergeefs: zijn ouders schonken geen aandacht aan zijn negens en tienen.

Hij stond op het punt van opgeven. Het vertrek van monsieur Joachim was een teken geweest. Hij was vastberaden. Hij wist dat hij geen beminnelijk kind was. Nukkig, eenzelvig, zelfs kil. Hij had iets onkinderlijks dat sommige mensen stoorde. Goed, als ze hem niet mochten, dan ging  hij de wijde wereld in. Hij wist alleen niet waarvan hij moest leven, hij was dertien. Hij besloot het daarom nog één keer met zijn ouders te proberen. Hij bedacht een uniek experiment: hij ging zijn rapport vervalsen. Negens en tienen weggummen en vervangen door vieren en vijven, en dan kijken of ze wél zouden reageren. Toonden ze zich ontstemd of verbaasd, dan was het bewijs geleverd dat zijn doen en laten hen toch niet onverschillig liet.

Stapeltje5

Zoals altijd vond hij zijn rapport – zijn eerste vervalste rapport – terug op zijn kamer, keurig ondertekend. Hij wilde ze aanklampen en zeggen: pappa, mamma, het spijt me dat het rapport minder goed was dan normaal, dat er onvoldoendes op stonden, die hebben jullie toch zeker wel gezien, die onvoldoendes, die hebben jullie toch wel gezien? Het juiste moment kwam nooit, op woorden als ‘het spijt me’ rustte een onuitgesproken verbod. Hij was bang voor wat hij in de ogen van zijn ouders zou zien als hij het bestond die onzindelijke woorden te zeggen. Hij gumde de onvoldoendes weer weg, verving ze door de oorspronkelijke, nutteloze negens en tienen, en deed het zo slordig dat zijn knoeiwerk niemand kon ontgaan. Dat maakte niet uit. Zoals het niet was voor te stellen dat elders in het heelal een beschaving als de menselijke beschaving bestond, dat zich elders in het universum Bachs, Rembrandts en Leonardo Da Vinci’s deden gelden, zo kon hij zich evenmin indenken dat het op enig moment, in enige wereld, mogelijk was voor enig ander kind tot de slotsom te komen dat het zich slechter moest voordoen dan het was om liefde en waardering van zijn ouders te oogsten. En inderdaad, zijn fraude werd niet opgemerkt, eenvoudigweg omdat de reden niet te bedenken viel.

Hoe kon hij vluchten? De enige mogelijkheid was zijn ouwelui bestelen. Moeilijk zou het niet zijn. Tientallen bankbiljetten had hij door de vingers van zijn vader zien gaan in diens werkkamer, aan zijn bureau. Zijn ouders waren van het soort dat banken wantrouwde, dus moest er veel baar geld in huis zijn. Waarschijnlijk was er ergens een brandkast, maar het kon heel goed dat ook elders geld werd bewaard. Schuldgevoel maakte snel plaats voor een gelukzaligheid die alleen de aanraking van monsieur Joachim hem eerder had bezorgd. Het leven had een doel gekregen, een grenzeloos toekomstperspectief, een feestelijke spanning waarin hij zich geborgen voelde. De gedachte dat er geld van zijn ouders klaar lag om te worden ontvreemd, bracht hem in een roes. Zij hadden geld zat maar deden er niets leuks mee. Hij ging er wel iets leuks mee doen, het leukste dat er was.

’s Middags zat zijn vader nooit in zijn werkkamer, en de moeder kwam er helemaal nooit, dus sloop de jongen rond dat uur binnen. Aan weerszijden van het bureau, naast de beenruimte, waren kastjes met deurtjes, die met een sleutel dicht konden. Daarboven zat een la zonder slot. De jongen opende de rechterla, vond twee sleutels. Een paste op het deurtje. Hij deed het open en zag een metalen kist, met een eenvoudig slot. Hij duwde er de andere sleutel in, stelde ongelovig vast dat hij paste, draaide hem om, het deksel klikte open. Hij voelde zich geen dief maar een schatgraver.

stapeltje6

 

Nog verbijsterender dan de vele bundels bankbiljetten die er lagen, waren de drie gloednieuwe Zwitserse paspoorten. Zijn ouders hadden hem kort geleden naar het dorp gestuurd voor een pasfoto. Nu lag hier een keiharde bekrachtiging van zijn identiteit. Terwijl hij nog lang niet volwassen was! Had hij zich dan toch in zijn vader en moeder vergist? Zagen ze hem toch voor vol aan? Of was dit nu net het bewijs dat ze hem beschouwden als een individu dat los van hen stond, als iemand die al zijn eigen plan maar moest trekken, hoe eerder, hoe beter? Maar waarom waren alle paspoorten nieuw? Gingen ze op reis? Zijn vader en moeder gingen nooit op reis! Emigreren dan? Maar waar naartoe en waarom nu? Het was toch overal oorlog? Kon je dan toch naar het buitenland?

Hij sloot de kist en het kastje weer zorgvuldig af, legde de sleutels terug. Hij wist nu aan geld te komen. De volgende stap was uitdokteren waar hij naartoe zou gaan.

Enkele dagen later bladerde de jongen een krant door, een door gasten achtergelaten sufferdje uit een streek dietientallen kilometers verderop lag. Hij zag een foto van een bekende: monsieur Joachim! Met een ongemakkelijke glimlach hield zijn vroegere tekenleraar een kloek schilderij vast dat een gewichtig kijkende dikkerd voorstelde. De dikkerd zelf stond er glunderend naast. Het portret was vakwerk, dat kon je op zo’n korrelige krantenfoto nog zien, het vervulde de jongen van plaatsvervangende trots. Blijkens het bijschrift betrof het de burgemeester van monsieur Joachims tegenwoordige woonplaats. In het stukje bij de foto stond dat de lokale gemeenschap sinds kort in de gelukkige omstandigheid verkeerde dat ze een voortreffelijk kunstschilder in haar midden had, waardoor de burgemeester thans in het bezit was van een fraai portret.

Onmiddellijk vatte de jongen het plan op naar Monsieur Joachim toe te gaan. Iemand die hem met een klein maar gericht gebaar een gevoel van eigenwaarde had geschonken, mocht hem niet zomaar afwijzen als hij bij hem aanklopte om hulp, zo iemand droeg een zekere verantwoordelijkheid. Ook al wist de jongen niet eens wat voor hulp hij ging vragen. Misschien wilde hij enkel wat bemoediging. Misschien wilde monsieur Joachim nog één keer een hand op zijn schouder leggen en zeggen dat hij un don inméconnaissable had waarmee hij de wereld kon veroveren.

Voor hij zogenaamd naar school ging sloop hij opnieuw het werkvertrek van zijn vader binnen. Hij was niet bang te worden betrapt. Wat had hij te verliezen? Op het moment dat hij een stapeltje bankbiljetten en het paspoort mee griste, overviel hem de gewaarwording dat het allemaal voor hem was klaargelegd: pak maar, kleine dief, neem maar mee, grijp je kans en donder alsjeblieft op, nutteloos onderkruipsel, zeurend blok aan ons been, lulletje rozenwater zonder kraak of smaak, we willen niets liever, verdwijn uit ons leven en kom nooit meer terug, wij hebben meer te doen.

Hij schudde de gedachte van zich af, stopte de buit in zijn schooltas, waarin verder een appel, een schetsboek, tekenspullen en één schone onderbroek zaten. Met niets meer ging hij de vrijheid tegemoet. Hij was niet bang, evenmin euforisch. Zich door het lot laten meevoeren was alles wat hij wilde. Hij had geen plan, kende het adres van monsieur Joachim niet eens, wist alleen de goede richting. In die richting ging hij lopen.

Hij kwam aan bij een station. Er was geen loket open, op goed geluk nam hij de eerste trein. Hij vroeg zich niet af of zijn afwezigheid al was opgemerkt, de tentakels van zijn oude leven konden hem voor zijn gevoel al niet meer bereiken. Hij wilde enkel voort gaan, zijn ene been voor het andere zetten, wielen onder zich voelen bewegen, onderweg zijn, nergens zijn.

stapeltje7

De conducteur zei dat hij vier keer moest overstappen. Eén keer vergat hij zijn schooltas en moest terug. Zijn geld en paspoort zaten er natuurlijk in, maar het verlies van zijn schetsboek zou hij pas echt rampzalig vinden, want sommige schetsen waren hem dierbaarder dan wat ook ter wereld, en wilde hij heel graag aan monsieur Joachim laten zien.

De tas stond nog midden op het perron, belachelijk pontificaal. Hij was opgelucht, maar betekende dit ook niet dat hij, en alles wat hij met zich meedroeg onzichtbaar waren, er niet toe deden, er nooit toe zouden doen – of het nu gestolen geld, zijn paspoort of zijn schetsen waren?

stapeltje10

Vlak voor het vallen van de avond bereikte hij het dorp waar hij zijn moest. Schuchter deed hij navraag, in een winkeltje, een herberg, en stuitte op argwaan. Hij besefte niet dat een onbekende jongen met een schooltas bevreemding wekte. Niemand scheen monsieur Joachim te kennen. Of te willen kennen. De jongen was zo dom geweest het artikel over het schilderij van de burgemeester niet mee te nemen. Het kwam ook niet in hem op naar het gemeentehuis te gaan, hij ontbeerde haast iedere praktische kennis omtrent de wereld. De roekeloosheid van zijn onderneming en zijn eigen hopeloze ontoereikendheid rezen als ijswater in hem op.Waar was hij aan begonnen? De wereld zou altijd een doolhof voor hem blijven. Zijn wanhoop vermengde zich met een loodzwaar fatalisme dat elke drang tot beweging in een keer teniet deed.

Hij ging op zoek naar een plek om zichzelf te begraven, met al zijn ontgoocheling, zijn ontspoorde, onvolwassen dromen. Ergens in een bos vond hij een droge greppel waar hij de nacht kon doorbrengen. Nadat hij de zon tussen de bomen had zien ondergaan alsof deze voorstelling  zijn eigen teloorgang verbeeldde, verwachtte hij spookachtige nachtgeluiden te zullen horen. Hij hoorde niets, geen gekraak of geritsel, geen roep van een uil. Het bos was een graf waar hij levend in lag. Dit was vrijheid. Ook vrijheid kon de geur van de dood hebben. Ook vrijheid kon een kerker zijn. Om hem heen was niets anders dan een wemelend duister. Angst kroop in zijn kruis, zijn merg, zijn bloedvaten. Dit was een angst die je hart kon stil zetten. Zijn einde was niet ver meer. In dit van licht, geluid en hoop verstoken oord kon de dood, die een ruiter was, hem zomaar schaken, achterop binden en meevoeren.

stapeltje8

Toen hij wakker werd, hoorde hij vogels kwinkeleren, en zelfs een beekje ruisen. Voor het eerst spraken deze geluiden tot hem, als eeuwige, onaandoenlijke muziek. De nacht had hem getransformeerd, en de klanken van het bos bekrachtigden dit. Hij was in een graf gaan slapen en in een bed ontwaakt. Hij had de dood weerstaan. Overleefd, kon je zeggen. De dood, die een wolf was, had aan hem geroken, en was weer weggeslopen. Jonge mensen op drift kunnen sterven aan het leven, want hun levenskracht is ook stervenskracht. Hij was ternauwernood aan dit lot ontsnapt. Nu hij kon zijn bestaan voortzetten.

stapeltje9

Hij stond op, fatsoeneerde zichzelf, pakte zijn schooltas die hij als kussen had gebruikt, strompelde naar de openbare weg, die vanuit het dorp omhoog liep. Op een helling zag hij een houten huisje, niet veel meer dan een veredelde schaapskooi. Het onderkomen lag er eenzaam bij. Hij beklom het pad ernaartoe en klopte aan, schooltas in de hand. Er werd opengedaan.

*

Jaren later keerde hij terug naar het hotel. Hij tekende al lang niet meer. Hij had rijkdom vergaard in zaken. Wel had hij zijn oude schetsen bewaard. Uit piëteit, of hoe noemde je dat.

Monsieur Joachim was gestorven, al een tijd geleden, natuurlijk wist hij dat. Gestorven omdat een schouder mogen aanraken niet genoeg was voor Monsieur Joachim om van te leven. Dat zijn ouders waren overleden, dat wist de jongen van weleer niet, maar had hij voorvoeld. Misschien was het beter te zeggen dat de travestie van hun leven voorbij was.

Hij zag niets meer dat aan hen herinnerde, aan hoe ze al die jaren hadden kromgelegen. De bossen hadden hun doodse dreigingverloren, waren onherkenbaar, weelderig en afwisselend, hij zou er een dag lang in wandelen als een vorst.In de hoteltuin speelden kinderen, gasten en personeel lachten elkaar toe: les jardins suspendus de Babylone.

stapeltje11

Het hotel had zijn ouders met huid en haar opgeslokt en als kleurloze dunne drek uitgepoept, ze spoorloos in de bodem laten verdwijnen, ze als een boze droom ontmaskerd en verjaagd. Het was of zijn vader en moeder nooit hadden bestaan. Hun jarenlange verbeten arbeid was helemaal voor niets geweest. Ze waren verpulverd, uitgewist, en dat besef schonk hem grote voldoening. De vergetelheid was precies waar ze recht op hadden. Hij dacht terug aan het moment dat hij zijn paspoort pakte, van het stapeltje van drie, en de la met de achtergebleven paspoorten sloot. Hij wilde verder niets weten, niets, niet meer.

Stapeltje12