Wespen en dramaqueens

Wesp

DOOR CARL STELLWEG

Stop de persen, ik heb groot nieuws. De zomer is ten einde. Niet alleen officieel, ik zie het ook als ik uit mijn verregende raam kijk terwijl ik dit schrijf.

Dat hep se voordeel en se nadeel.

Om met het nadeel te beginnen: vaarwel heerlijke ‘tropische omstandigheden’, wanneer alles geurt en zoemt en zindert, en het wandelende en fietsende lichaam de kans krijgt in zijn eigen transpiratie te gloriëren.

Ik ben weliswaar een blanke witte heteroman, en ook nog eens een vijftigplusser, iemand dus die geïnstitutionaliseerde privileges zijn leven lang schaamteloos naar zich toe heeft geharkt, maar ik ben daarnaast een Arabier, want in het Midden-Oosten geboren en opgegroeid, en Arabisch bloed kookt liever dan dat het stolt. Vandaar misschien mijn voorkeur voor woestijnweer. Maar dat terzijde.

Maar het heeft dus ook een voordeel dat het geen zomer meer is, zoals ik reeds aanstipte: je bent bevrijd van de terras-Hollander. Oké, ik ben ook niet moeders mooiste, maar juist daarom houd ik mijn lange broek aan. Doen de meeste Arabieren trouwens, maar het moet ook van mijn vriendin, die zich door elke Hollandse man in korte broek Persoonlijk Gegriefd voelt.

Goed, uitspraken als ‘van de aardbodem wegvagen’ en ‘jarenlang opsluiten op Rottumerplaat’ liegen er niet om, maar ik vind het juist een kenmerk van een beschaafde samenleving dat je dit soort dingen kunt zeggen zonder dat er iets gebeurt: een werkelijk beschaafde samenleving hangt niet af van aangename omgangsvormen. Ik gun mijn vriendin dus haar extremistische opvattingen aangaande de Hollandse man in korte broek van harte.

Het probleem is wel breder, vind ik. Vrouwen kunnen er namelijk ook wat van. Zoals die vrouw met wie ik ooit bij een tramhalte stond. ‘ONDEUGEND’ had ze in grote dansende letters  op haar strakke T-shirt staan.

Mijn gedachten gingen op dat moment niet uit naar wegvagen of opsluiten, maar wel naar, bijvoorbeeld, een verplichte cursus ‘Aanstoot geven met uw voorkomen is geen grondrecht’.

Ach nee, uiteindelijk heb ik niet zo veel last van hoe mijn medelanders zich in de zomermaanden wensen te vertonen. Ik kan altijd de andere kant opkijken, nietwaar? Maar helaas gedragen ze zich soms ook op een manier die moeilijker te negeren valt.

Laatst overkwam het me weer: dat een gezelschap aan een tafel naast me ineens collectief opveerde en een chaotische krijgsdans begon op te voeren.  Het was natuurlijk geen krijgsdans: het was een paniekdans. En de oorzaak? Eén (1) wesp.

‘Een bij!’ roepen ze dan trouwens vaak, want ze weten het verschil niet meer omdat ze al jaren niets meer leren op school en ook verder het contact kwijt zijn met wat ik voor het gemak even ‘Gods schepselen op aarde’ noem. Eenvoudig accepteren dat sommige van die schepselen wel eens een beetje hinderlijk aanwezig kunnen zijn, dat zit er niet meer in.

Dat krijg je ervan als je niks meer weet, dan accepteer je ook niks meer, behalve misschien juist die dingen die je nooit zou moeten accepteren. Het komt erop neer dat alles buiten de eigen virtuele schijnwerkelijkheid vies en gevaarlijk is en eg nie moe kunnàh.

Nu ben ik als nadrukkelijk niet-genderneutrale, witte, half-Arabische heteroseksuele vijftigplusser altijd geboeid geweest door hoe verschillend mannen en vrouwen op situaties reageren  – dus ook op het  acute gevaar voor de gemeenschap dat de nabijheid van soms wel meer dan één (1) wesp vormt.

Je leest wel eens dat vrouwen, als het er echt op aankomt, zich moediger, kalmer en koelbloediger gedragen dan mannen. Nou, mooi niet. Ooit zag ik een gezelschap jonge Japanse vrouwen gillend wegrennen van een tafeltje omdat er een mus op was geland. Dat zie ik mannen toch niet doen, zelfs Japanse mannen niet.

Maar toch. Deze zomer zat ik een keer naast een meisje op een terras – zeker, overkomt ook mij wel eens – dat ineens woeste afwerende bewegingen met haar armen begon te maken omdat een wesp haar, én eigenlijk ook mij, op pak ’m beet een halve meter was genaderd.

‘Hij doet niks hoor,’ zei ik alsof die wesp mijn hond was. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik het alleen maar zei omdat het een mooi meisje was. Shame on me, maar ik ben geen Brave Hendrik, en te oud om er alsnog één te worden.

Het meisje – ze zal niet veel ouder dan 18 zijn geweest – draaide haar gezicht mijn kant op, keek mij enkele seconden met haar mooie bruine ogen zeer ernstig aan, en zei toen: ‘Weet ik… maar… ik ben nu eenmaal… doodsbang voor wespen.’

Dat ‘doodsbang’ liet ze vergezeld gaan van een diepe rilling door haar bevallige schouders, en zei ze met een nadruk die zelfs bij het vooroorlogs Hollands toneel als overacting zou zijn afgekeurd. Drama Queen dus. Ik moest onwillekeurig lachen, en tot mijn verrassing lachte ze mee. Het was, kortom, ook zelfspot, zoals ze dat had gezegd.

Ach, die mooie vrouwelijke zelfspot! Zo veel dieper, dubbelzinniger en manipulatiever dan de zelfspot van mannen, die er meestal een groot bord bij zetten, met daarop: ‘Ik maak mezelf nu even belachelijk maar daar heb ik lang op geoefend en het betekent eigenlijk dat ik heel stoer ben’. Vrouwen zoals dat meisje – vergeef me als ik generaliseer – begrijpen dat als je je aanstelt, je er beter nog een schepje bovenop kunt doen; er iets moois van moet maken; een heerlijk stukje komedie ten beste moet geven waar je om kunt glimlachen, waardoor algemene ontspanning intreedt.

Mannen heb ik eerlijk gezegd nooit enige zelfspot aan de dag zien leggen als ze door een wesp werden belaagd. ‘Ik ben niet bang voor die kutbeesten, ik heb er gewoon een grafhekel aan!’ Ja, ja, lullo. Je moeder! En: ‘Daar heb je d’r weer een! Opsodemieteren, klerelijer!’

Luistert, primitief manvolk: van dat soort scheldpartijen is een wesp niet onder de indruk. Die voelt zich daar mijlenver boven verheven. Het komt erop neer dat als er één diertje in staat is mannelijke machteloosheid bloot te leggen, het de wespus vulgaris is.

Conclusie: mannen zijn drama queens zonder drama. En natuurlijk ook zonder queen, tenzij je er ‘drag’ voor zet, en dan hebben we het ineens over heel iets anders.

En ik? Ga effe zitten. Want wat ik nu ga vertellen, daar moet je denk ik wel even tegen kunnen. Ooit, als klein jongetje, werd ik in Egypte in mijn been gestoken door een horzel. Bekend met de Egyptische Horzel? Dat is pas ongedierte, kan ik je zeggen: haast zo groot als de Egyptische kakkerlak, en die is bijna zo groot als een marmot. En geen dwergmarmot. De steek deed behoorlijk pijn, maar wat me fascineerde was hoe een fiks deel van mijn onderbeen de dagen daarop opzwol, donkerbruin werd, en vijf keer zo zwaar aanvoelde: alsof ik een nieuw been, of zelfs méér been, had gekregen.

Klein was ik ook nog toen er een keer, in de Libanese bergen, een vliegend hert – pok! – tegen mijn blote bastje aanvloog. En daar bleef zitten. En daar niet zomaar vanaf was te krijgen, met zijn enorme geweien. Ik gilde het uit, maar droom er gelukkig niet meer van.

Wel eens onzacht met een Libanees Vliegend Hert in aanraking gekomen? Nee zeker. Lucky bastards.

Enfin, om af te ronden: een jaar of tien geleden was ik aan het fietsen en ondertussen in mijzelf aan het praten toen ik een steekje in mijn gehemelte voelde en een seconde later een wesp uit mijn mond zag vliegen. Ik heb er misschien een dag een beetje last van gehad. Het is waar dat een wespensteek heeel, heeel soms, bij die uiterst zeldzame ongelukkigen die er allergisch voor zijn, dodelijke gevolgen kan hebben, maar hetzelfde geldt voor cashewnoten. Toch heb ik nooit mensen voor een cashewnoot zien vluchten. Integendeel, men stort zich erop, zonder een moment te denken aan de risico’s.

Ach, het wespengevaar. Als het echt moet, bijvoorbeeld als zo’n diertje om wat voor reden dan ook mijn mond weer in wil, wuif ik het met een minzaam, verstrooid gebaar weg. Helpt altijd.

Ondertussen zou ik wel eens willen zien wat er zou gebeuren als een Rotterdams terras waar ik vaak kom werd aangevallen door een Egyptische horzel of een Libanees vliegend hert.

De wijk werd afgezet. De marechaussee rukte uit. Slachtofferhulp maakte overuren. De eikenprocessierups zonk voor jaren in de vergetelheid. ‘Rotterdam likt zijn wonden,’ kopte het AD de volgende dag. De Telegraaf gaf de asielzoekers de schuld (‘illegale horzels op strooptocht’).

‘Als hij weer te dichtbij komt, wil ik hem wel voor je wegjagen,’ zei ik nog tegen het meisje dat nu eenmaal doodsbang was voor wespen.

Daar ging ze niet op in.

Dit verhaal is ook te lezen op HoeMannenDenken

Belangrijke mannen op reis

belangrijke mannen op reis

DOOR CARL STELLWEG

Ooit, ooit, was ik ‘in the middle of nowhere’. Het was donker om mij heen, erg donker, maar boven mij flonkerde een machtig sterrentapijt, zo veel sterren had ik waarachtig nooit eerder gezien. Dit was de vermaarde sterrenhemel boven de Pacific. En vóór mij, pal in mijn blikveld, stond er een heel groot vliegtuig. Of misschien was het niet eens zo heel groot, leek dat alleen maar zo omdat we ons hier in the middle of nowhere bevonden.

Een gestrande walvis, daar deed dat vliegtuig me aan denken, al lag het niet op zijn buik de verstikkingsdood te sterven. Het stond parmantig op zijn onderstel, maar juist daardoor zag het er zo dwaas en godverlaten uit. Het berustte niet in het noodlot dat het hierheen had gevoerd, zoals elk oud en wijs reuzenzoogdier zou doen, het leek verlamd, perplex, gegijzeld door een onbegrijpelijke ramp die het plotseling was overkomen, en nog niet in staat om ook maar het kleinste noodsignaal af te geven.

Niet zonder mededogen keek ik naar dat vliegtuig terwijl ik een sigaret stond te roken en te praten met een collega van de Los Angeles Times, een aardige en intelligente man die ik eerder op de dag had leren kennen. Zijn naam ben ik vergeten, maar niet zijn gewoonte een zin te eindigen met: ‘That’s interesting’ of ‘isn’t that interesting?’ Dat had iets aandoenlijks, alsof hij diep in zijn hart een nieuwsgierig jongetje was gebleven, deze al wat oudere, dikke, kortademige man die in opdracht van de Los Angeles Times de hele wereld had afgereisd.

En terwijl we daar samen onze korte maar exclusieve in-the-middle-of nowhere-ervaring ondergingen, zal hij wel iets tegen me hebben gezegd in de trant van: ‘Stel je voor. Dit is een internationaal vliegveld. Isn’t that interesting?’

En ik zal bevestigend hebben geknikt. Want dat was het zonder meer. Interesting.

Het internationale vliegveld bestond uit een controletoren van anderhalve verdieping en een soort schuur met een dak van plaggen, die dienst bleek te doen als passagiersterminal. We waren er doorheen gelopen, hadden onze paspoorten afgegeven aan een kleine, donkere, kroesharige man in een eenvoudig uniform die ons toestemming gaf door te lopen. Door te lopen naar wat? Naar aardedonker, doodstil platteland. Een stukje weg, slordig geasfalteerd, en de schaduw van een palmboom, meer was er niet te zien.

We keken elkaar aan, grijnsden, haalden onze schouders op. Ik voelde me wonderlijk ontspannen, en mijn collega van de Los Angeles Times volgens mij ook, ik zag het aan zijn gezicht, al was dat het gezicht van een vreemde – maar wel een vreemde met wie ik in de middle of nowhere verzeild was geraakt, en die mij daarom misschien net zo min zou vergeten als ik hem.

Een stukje weg, de schaduw van een palmboom, een gelegenheidskameraad, en verder alleen onverschillige duisternis: soms is er kennelijk niet meer dan dat nodig om een man diep tevreden te stemmen. De wereld bestond haast alleen nog uit ruimte.

belangrijke mannen op reis4

We liepen terug, namen onze paspoorten weer in ontvangst en rookten een laatste sigaret tegenover ons verweesde vliegtuig. Toen was het weer tijd om aan boord te gaan. Het toestel hervond brullend zijn bestaansreden. Groot en leeg was het, we bleken de enige overgebleven passagiers te zijn. Eerder hadden we een wat ouder echtpaar zien uitstappen: kleine, donkere, kroesharige mensen die grote, uitpuilende plastic tassen bij zich hadden.  Ze waren nergens meer te bekennen. Opgelost in het aardedonkere, doodstille platteland waar ze waarschijnlijk woonden. Ze zullen de enige reden zijn geweest dat het vliegtuig op die internationale luchthaven in the middle of nowhere was geland.

Een stewardess bood ons een glas champagne aan. Ze ging op de rand van een stoel zitten en schonk zichzelf ook in. Er kwam een tweede stewardess bij. Het waren Françaises. We klonken. We kletsten. We lachten. Barrières werden geslecht. Rollen vervaagden. We schonken nog eens bij, hadden het naar ons zin, bouwden een klein feestje, speelden tric-trac en yahtzee, memory en mexicaantje, leerden elkaar volksdansjes uit onze kinderjaren, wisselden recepten uit, filosofeerden over de Allereerste Oorzaak, bespraken het cyclische tijdsbegrip van de Hopi-indianen, de  anti-cyclische begrotingspolitiek van John Maynard Keynes, deden elkaars kleren binnenstebuiten aan, zongen Schotse zeemansliederen, speelden een handbaltoernooitje met een reddingsvest, ontkurkten nog wat champagne, en dat alles in onze supersonische speelzolder hoog boven de Stille Zuidzee, onder al die sterren. We waren onzichtbaar voor de rest van de wereld, dit moment was helemaal en uitsluitend van ons. Even vluchtig als innig verbonden waren we, en als het alleen aan ons lag, werd de wereld heel misschien nog best een draaglijke plek. Een meer dan draaglijke plek zelfs. Maar geen moment kwam het in ons op elkaar na deze vlucht terug te zien.

belangrijke mannen op reis3
De stewardessen ontpopten zich als ‘one of the boys’ – of moet je zeggen ‘two of the boys’? Hoe dan ook, een beetje stewardess is er een kei in.  In one of the boys zijn, zeg maar. Neem dat maar van mij aan. Neem maar van mij aan dat stewardessen er training in krijgen. Dat ze nauwkeurig worden geïnstrueerd om als het echt nodig is, heel sportief te delen in de internationale gelegenheidskameraadschap van belangrijke mannen op reis naar een of andere uithoek in de wereld. Die mannen zijn namelijk best eenzaam. En misschien zijn de stewardessen dat zelf een enkel keertje ook, al is dat voor hun training niet relevant.

Op zeker moment wist mijn collega van de Los Angeles Times te vertellen dat we zo dadelijk over de datumgrens zouden vliegen en het dan ineens 24 uur later was. Interesting? Jawel. Het deed er helemaal niet toe, en toch was het mighty interesting. En toen het eenmaal zo ver was, en de gezagvoerder dit op een wel erg jolige toon afkondigde omdat ook hij, zo bleek, zich de champagne goed had laten smaken – wat hem gegund was – keek ik onwillekeurig naar buiten, maar zag ik niets, laat staan de een of andere grens.

belangrijke mannen op reis2

Hoe was ik hier verzeild geraakt? Dat leek er op dat moment nauwelijks toe te doen. Waar ik vandaan kwam scheen al ver weg en lang geleden, en waar ik naartoe ging, of naartoe moest, wilde geen realiteit worden waar ik me druk om zou moeten maken. Laat ik volstaan met te zeggen dat ik een week ervoor nog vijftienduizend kilometer hiervandaan in Nederland zat en helemaal niet had voorzien dat ik op reis zou gaan, en zeker niet zo ver weg. Het gebeurde toevallig, en door één telefoontje.

Op welk eiland lag dat internationale vliegveld eigenlijk? Ik moet het destijds hebben geweten, maar ik ben het vergeten. Op  het eilandje Wallis, of op het eilandje Futuna. Samen vormen ze een Frans overzees gebiedsdeel in de Stille Zuidzee. Hoewel het op de kaart lijkt of ze dicht bij elkaar liggen, worden ze door honderden kilometers oceaan gescheiden. Historisch en geografisch hebben ze weinig tot niets gemeen, toch lag het voor de hand ze bestuurlijk bijeen te vegen. Dus was het een beetje alsof we ons in een atoom bevonden, waarvan de deeltjes zich verhoudingsgewijs even ver van elkaar af bewegen ‘als vliegen in een kathedraal’.

Natuurlijk zou ik er makkelijk achter kunnen komen of ik op Wallis of op Futuna ben geweest, maar is dat soms interesting? Nope. Bovendien wil ik niet dat iemand erheen gaat. Denk erom. Vliegtuigen, CO2, opwarming, foute boel. Niet alleen het toerisme moet aan banden worden gelegd, het zou ook goed zijn als belangrijke mannen wat vaker thuis bleven. Want het laatste wat we willen is dat de middle of nowhere onder de zeespiegel verdwijnt.

Dit verhaal verscheen eerder bij Hoemannendenken

Roia: een signaal van hoop en menselijkheid in Syrië

ROIA7

Hoe een jonge en allerminst roekeloze Syrische ‘nerd’ bijna per ongeluk een gedreven activist en wereldburger werd: dat is het verhaal van Khaled Shaaban (34), drijvende kracht achter Roia. Deze Syrische ICT-organisatie zorgt in oorlogsgebied voor internet, telecommunicatie, software en computercursussen, en redt daarmee levens. Onlangs was hij in Nederland. ‘Wij hadden geen missie, de omstandigheden hebben ons gevormd.’

DOOR CARL STELLWEG

Ooit leidde Khaled Shaaban het leven van een typische risicomijdende Syriër. Stel geen vervelende vragen, dan krijg je geen vervelende antwoorden. Steek je nek niet uit, dan heb je het zo slecht nog niet. Een gezapig leventje onder de knoet van de moekhabaraat – de geheime politie – en  de alomtegenwoordige, bordkartonnen beeltenissen van vader en zoon Assad.

Maar toen was daar die vrijdag 15 april 2011, door opposanten van het regime uitgeroepen tot ‘dag van de woede’. Duizenden zogenaamde onruststokers waren al een maand aan het betogen tegen Bashar al-Assad. Tegen zijn zin was Khaled die vrijdag getuige van weer zo’n grote demonstratie, vlakbij zijn woning, aan de rand van de stad. Ineens ontstond er groot tumult in de menigte, mensen begonnen te rennen, en Khaled werd meegesleept. Toen gebeurde het: twee levenloze lichamen rolden zomaar in zijn richting. Ze waren van een pick-up gevallen die in razende vaart gewonde betogers naar het ziekenhuis bracht. ‘In een oogopslag zag ik dat de mannen die voor mijn voeten vielen dood waren. En op dat moment veranderde alles voor me.’

Het stemmetje dat al enige tijd hinderlijk in zijn achterhoofd prevelde, drong zich nu onstuitbaar naar de voorgrond. ‘Stepping out of the box’: een modieuze uitdrukking, maar dat was wat er met hem gebeurde. Hij verliet de schijnveiligheid van zijn bestaan om er nooit meer terug te keren.

En nu zit hij dan, zo’n kleine acht jaar later, als 34-jarige ICT-activist in een hotellobby in Den Haag, en geeft hij een interview over de ideële Syrische ICT-organisatie Roia, waarvan hij een van de drijvende krachten is. Het vraaggesprek maakt deel uit van een kleine tournee die hem ook langs mogelijke geldschieters, beleidsambtenaren en ambassadeurs zal voeren.

Khaled Shaaban (foto: Dafne van Baarle)Khaled Shaaban (foto: Dafne van Baarle)

Ze zijn hem niet aan te zien, de krachtproeven die hij sinds die gedenkwaardige dag in april 2011 heeft moeten doorstaan – de verschrikkingen van een Syrische gevangenis, de dagelijkse bombardementen, de martelende angst. Khaled Shaaban maakt een buitengewoon energieke, begeesterde en opgeruimde indruk. Stilaan is hij zich een wereldburger gaan voelen, met een onverzadigbare nieuwsgierigheid naar oorden waarvan hij zich het bestaan nog niet zo lang geleden amper bewust was, maar die hij inmiddels allemaal heeft bezocht: Cambodja, de Filippijnen, Vietnam.

En nu dus, voor het eerst, Europa.

Nederland mocht hij pas na een derde visumaanvraag in, terwijl het juist hier is dat Roia als stichting ingeschreven staat: met dank aan de bemiddeling van sympathisanten als de prominente Bahreinse bugerrechtenactiviste Esra’a al-Shafei en de Nederlandse arabiste en ‘cultuurmakelaar’ Dafne van Baarle, die voorzitter is van het bestuur waarvan Khaled ook deel uitmaakt. Hoe dat zit? De organisatie, die het levenslicht zag in omsingeld, geïsoleerd en door vaatbommen bestookt rebellengebied, is inmiddels zo groot gegroeid dat ze behoefte heeft aan een gunstig fondsenwervingsklimaat, zoals dat in Nederland bestaat.

Het zoete gif van de Arabische lente

Hoe anders keek Khaled ooit tegen het leven aan. Een paar weken voor het beslissende incident met de twee lijken vertelde een vriend hem dat de Arabische Lente misschien naar Syrië was gekomen. Hij reageerde onthutst. ‘Ik hoopte dat het niet waar was. Wat ging er nu allemaal gebeuren? Hoe zou het gaan met mijn gezin, mijn werk?’

De weken daarop maakte hij zichzelf wijs dat Syrië immuun was voor het zoete gif van de Arabische lente. ‘Wij hadden die hier niet nodig, hield ik mijzelf voor. Ik luisterde vooral naar berichten van het Syrische regime, liet me daardoor geruststellen, hield me doof voor andere geluiden. Tegelijkertijd begon dat stemmetje in mijn achterhoofd te zeuren dat er iets niet klopte, dat de hele manier waarop dit land jarenlang was geregeerd niet deugde, ook al had ik me daar nooit echt in verdiept. Maar ik was bang.’

De revolutie vóór de revolutie

Khaled Shaabans achtergrond is bescheiden. Hij groeide op in Jobar, een buitenwijk van Damascus. Na zijn lagere school moest hij geld gaan verdienen. Hij leerde, veertien jaar oud, het vak van kleermaker en timmerman, maar toen hij voor het eerst een computermuis zag, begreep hij pas waarvoor hij in de wieg was gelegd. ‘Het was in de computerwinkel van een zakenrelatie van mijn grootvader. Ik moest daar dozen uitpakken en zo, toen mijn oog op zo’n ding viel. Geen idee wat het was, maar het trok me onweerstaanbaar aan.’

‘Ik luisterde vooral naar berichten van het Syrische regime, liet me daardoor geruststellen, hield me doof voor andere geluiden. Tegelijkertijd begon dat stemmetje in mijn achterhoofd te zeuren dat er iets niet klopte.’

Binnen een jaar streefde hij als zestienjarige de bedrijfsleider voorbij in IT-kennis. Hij leerde computers assembleren, specialiseerde zich in netwerkarchitectuur, werd zelfs het hacken meester, kortom: in no time was hij een volleerde nerd, in een regio waar IT aan het begin van dit millennium nog in de kinderschoenen stond. Maar al snel zou de gemiddeld heel jonge bevolking van het Midden-Oosten inzien dat de digitale snelweg de weg naar een beetje vrijheid was. Khaled Shaaban bevond zich in de voorhoede van deze revolutie, die aan de Syrische revolutie vooraf ging. Toen deze laatste uitbrak, zat hij echter in de achterhoede. Hij was inmiddels IT-manager, had een gezin met een pasgeboren kind, boerde goed. Hij wilde beschermen wat hij had, en dat beïnvloedde zijn kijk op het bewind: het was misschien niet lief, maar je wist tenminste wat je eraan had.

De Techneut van Syrië

Niet alleen de confrontatie met de twee doden, ook de daaropvolgende, wekenlange detentie van zijn broer zorgden ervoor dat het in zijn hoofd ging kantelen. ‘Via betaalde informanten wisten we dat zijn medegevangenen hem dagelijks hoorden schreeuwen, dat hij dus werd gemarteld. Het was mij volkomen duidelijk welke kant ik moest kiezen. Maar ik was nog steeds vreselijk bang. Ik had niet de moed om mee te demonstreren, al wilde ik wel heel graag iets doen. Vrij snel kwamen mensen naar me toe met de vraag of ik hun mobiele telefoons kon beveiligen en hun laptops versleutelen. Prima, daar draaide ik mijn hand niet voor om, en zo kreeg ik in het activistencircuit al snel de codenaam Sham tiqani – de Techneut van Syrië. Heel eervol, maar ik vond mezelf nog steeds een lafaard. De doodsverachting van anderen vervulde me met ontzag. Die kon ik niet opbrengen.’

‘Ik had niet de moed om mee te demonstreren, al wilde ik wel heel graag iets doen.’

De kiem voor Roia werd gelegd toen Khaled een andere tiqani ontmoette, met wie hij de eerste – gesmokkelde – apparaten voor de ontvangst van internetsatellieten installeerde, teneinde de IT-infrastructuur van het regime te omzeilen. Al snel waren er ingrijpender oplossingen nodig, omdat Damascus tegen die tijd de telecommunicatie op het platteland afsneed, wat betekende: geen internet, geen telefoon, niets. En dus installeerden Khaled en zijn medestanders gelijktijdig apparaten op het platteland en in de hoofdstad, en lieten die met elkaar ‘praten’. Zo dirigeerden ze het internet vanuit vijandelijk territorium naar degenen die het het hardst nodig hadden: ziekenhuizen vooral, die op deze manier in contact bleven met elkaar, maar ook met de buitenwereld – als humanitaire stem die kon vertellen wat er zich in Syrië afspeelde.

‘Ondertussen was ik nog altijd maar een parttime activist,’ zegt Shaaban. ‘Ik had mijn baan in Damascus niet opgegeven. Maar dat duurde niet lang meer.’

Afscheid van het parttime activisme

Het tweede kantelpunt deed zich voor na zijn arrestatie bij een checkpoint waar veel mensen op een dag werden opgepakt als vergelding voor de ontvoering van een sluipschutter door rebellen. De behandeling die hij en andere arrestanten in de gevangenis kregen was wreed, maar niet zo gruwelijk als van degenen tegen wie een concrete verdenking bestond. Hij werd geblinddoekt, geslagen, met velen in zo’n krappe ruimte opgesloten dat niemand er een dragelijke houding voor zichzelf kon vinden; hij werd aan psychologische marteling onderworpen met dreigementen van een aanstaande executie; hij voelde dat de dood dichtbij was, zag mensen ook echt doodgaan, of voor zijn ogen gek worden. ‘En toch werd mij moed ingesproken door gevangenen die wisten dat hun lot was bezegeld, dat ze nooit meer vrij zouden komen. Dat was ongelooflijk.’

Nauwelijks minder opzienbarend, voor een buitenstaander, was de conclusie die Khaled Shaaban trok toen hij weer vrijkwam. ‘Ik zei tegen mijn kameraden: goed dat we dit hebben meegemaakt. Nu weten we dat parttime activisme niet genoeg is. Dit bewind krijgen we alleen weg als we ons daar fulltime aan wijden. Dit gaat niet eens meer om vrijheid, het gaat om goed en kwaad. Het gaat niet zozeer meer om politieke eisen, zoals de opheffing van de noodtoestand, of om idealen als vrijheid van meningsuiting, maar om fundamentele menselijkheid. Om alles waar dit regime nietvoor staat. Het gaat om hen die sterven, om menselijk lijden.’

‘Dit gaat niet eens meer om vrijheid, het gaat om goed en kwaad. Het gaat niet zozeer meer om politieke eisen, zoals de opheffing van de noodtoestand, of om idealen als vrijheid van meningsuiting, maar om fundamentele menselijkheid.’

Khaled had nog nooit van mensenrechten gehoord, maar op dat moment werd hij een mensenrechtenactivist. Fulltime, wel te verstaan. Hij zegde zijn baan op, stuurde zijn gezin naar Jordanië, verhuisde naar rebellengebied in de oostelijke Ghouta, ofwel het oostelijke deel van het landelijk gebied dat in het oosten en zuiden aan Damascus grenst. ‘Ik en andere technici zetten er ons eerste officiële project op, het emergency medical system, een telecommunicatiesysteem dat medische hulpdiensten in staat stelt snel te reageren op noodgevallen.’ Er was contact met buitenlandse donoren, terwijl ook de in Istanbul zetelende Syrische Nationale Raad financieel bijsprong.

De angst werd niet minder, integendeel: ‘Ik was nu niet meer bang dat ik zou worden gearresteerd,  maar dat ik zou sterven.’

Shaaban en zijn medewerkers, inmiddels acht man sterk, installeerden zendmasten die internet per satelliet konden ontvangen, waardoor de hele regio online bleef: gratis nog wel. Medio 2013 werd de mast verwoest door het regime, waarop ze die herbouwden, met een reservemast erbij, plus een minder makkelijk detecteerbaar signaal. Het was leven onder extreem gevaarlijke omstandigheden, en misschien dat er juist daarom wat werd afgelachen. ‘Ze bombardeerden niet alleen onze masten, maar ook ons kantoor. Op een nacht viel er een vaatbom vlak naast de ruimte waar we sliepen. We sprongen op, renden naar een aangrenzend vertrek, keken elkaar aan, stelden vast dat iedereen nog leefde, en vielen onmiddellijk weer in slaap, want we verkeerden voortdurend op de rand van uitputting. We hebben er nog vaak hartelijk om gelachen – voor een buitenstaander misschien moeilijk te begrijpen.’

Installatie van zendapparatuur in de oostelijke GhoutaInstallatie van zendapparatuur in de oostelijke Ghouta

Geschapen door behoeften

In 2013 kreeg hij een uitnodiging van Europese donoren om naar Istanbul te komen voor overleg. Bedoeling was de organisatie, die toen nog alleen ‘technisch bureau’ heette, meer handen en voeten te geven. Het was ook een gelegenheid zijn gezin weer eens te zien, want dat zou zonder problemen van Jordanië naar Turkije kunnen reizen. Hem stond een veel gevaarlijker tocht te wachten. De afstand tot de Turkse grens bedroeg zo’n 350 kilometer. Er was een auto beschikbaar, maar het kostte hem uiteindelijk een week om er te komen. Een groot deel van de reis voltrok zich ‘s nachts, te voet. Eén keer liepen hij en zijn escorte  in een hinderlaag van het leger. Ze overleefden het door zich doodstil te houden en de verleiding te weerstaan terug te schieten – dan had de vijand ze precies kunnen lokaliseren.

Eenmaal in Turkije kostte het hem moeite de vervreemdende grauwsluier van de oorlog van zich af te werpen. ‘Het schokte me om mensen onbekommerd over straat te zien lopen, en te ervaren hoe alles op een normale manier werkte.’ In Istanbul leidde het overleg met donoren tot een uitbreiding van activiteiten en tot de naamsverandering in Roia – ‘visie’ in het Arabisch. ‘Die visie kregen we nu ook pas echt. Toen we begonnen, hadden we helemaal geen missie, geen doelstelling, geen vooropgezet  idee, we deden gewoon wat kennelijk nodig was, wat de mensen van ons vroegen. Vandaar dat wij ons geen van allen willen opwerpen als oprichter van de organisatie. Het zijn de behoeften, de omstandigheden, die ons hebben geschapen en gevormd, we zijn er vanzelf ingerold.’

Toen we begonnen, hadden we helemaal geen missie, geen doelstelling, geen vooropgezet  idee, we deden gewoon wat kennelijk nodig was, wat de mensen van ons vroegen.’

In Istanbul leerden professionals in de humanitaire sector Khaled Shaaban om plannen te maken, subsidies aan te vragen, een strategie uit te stippelen. ‘Van een informeel clubje mensen die noodhulp verleenden op basis van de vaardigheden die ze toevallig hadden, werden we een bedrijf dat ICT op zo veel mogelijk manieren wil gebruiken om het leven in een crisis- en conflictgebied te verbeteren. We gingen ICT-opleidingen opzetten om mensen aan een bron van inkomsten te helpen. Het doet er immers niet toe vanuit welke plek IT-freelancers werken, dat kan overal zijn, zelfs Syrië. Met ICT kan bovendien de positie van vrouwen aanzienlijk worden verbeterd. Ze worden er onafhankelijker door. Gendergelijkheid is binnen onze club zelf de gewoonste zaak van de wereld, vandaar dat we niet geneigd zijn ons erop te laten voorstaan. Maar daarom mogen we nog niet vergeten die als speerpunt van ons beleid te presenteren, want met de positie van vrouwen in het Midden-Oosten is het in het algemeen allesbehalve florissant gesteld. Ten slotte zijn we online activisme gaan faciliteren en hebben we managementsoftware ontwikkeld voor lokaal burgerbestuur en ziekenhuizen. We hebben, kortom, geleerd om verder te kijken dan onze neus lang is, om te zorgen voor continuïteit.’

De lokroep van het normale leven

Ondertussen speelde zich in Khaleds hoofd een pijnlijk proces af. ‘Mijn verblijf in Turkije bracht mij weer in aanraking met wat je ‘het normale leven’ zou kunnen noemen. En toen dacht ik: waarom zou ik geen normaal leven mogen hebben? Ik had een gezin, wilde mijzelf verder scholen. Haast mijn hele familie was naar Europa geëmigreerd en spoorde mij aan om ook te komen. Het was een hele aantrekkelijke optie. Tegelijkertijd stuurden mijn vrienden in Syrië, die niets wisten van mijn twijfels, mij voortdurend berichten over wat ze nu weer allemaal voor elkaar hadden gekregen. Uiteindelijk kon ik ze niet in de steek laten. Morele plicht? Zover wil ik niet gaan. Hogere taak? Dat zeker ook niet. Het was uiteindelijk een kwestie van loyaliteit aan een groep individuen. En misschien was Roia ook wel een beetje mijn baby geworden.’

Khaled keerde echter niet terug naar Syrië. Hij bleef vanuit Istanbul sturing geven aan de organisatie, kwam aan het hoofd te staan van een ngo (‘iets waarvan ik vroeger dacht dat je het kon eten’), wierf fondsen, maakte beleid. Zo ging dat een paar jaar door, totdat de oorlog Roia vorig jaar met reusachtige handen optilde en aan barrels smeet: Syrische troepen veroverden met Russische steun de gehele oostelijke Ghouta. Aan alle activiteiten van Khaleds organisatie kwam een einde. De materiële schade was immens. Nog erger was dat een aantal medewerkers omkwam. De rest vluchtte met tienduizenden anderen naar oostelijk Aleppo en Idlib, dat nog in handen was van rebellen en waar Roia zo goed en zo kwaad als het ging zijn programma’s hervatte. ‘Als we iets hebben geleerd, is het om verliezen te incasseren,’ zegt Khaled, waarbij hij ook refereert aan het rebellengezag in het gebied, dat van gematigd tot minder gematigd islamistische snit was en Roia het werken soms onmogelijk maakte wegens vermeende sympathieën voor westerse vijanden.

Verwoestingen in het dorp Arbin, in de oostelijke Ghouta (foto: Qasioun News Agency)Verwoestingen in het dorp Arbin, in de oostelijke Ghouta (foto: Qasioun News Agency)

De actieradius van de organisatie in Syrië is dus aanzienlijk gekrompen. Tegelijkertijd lijkt ze Syrië te zijn ontgroeid. Roia biedt inmiddels de twee miljoen Syrische vluchtelingen in Turkije ook ICT-cursussen aan, alsmede aan armlastige Turkse burgers, om scheve blikken te voorkomen. Zo krijgen beide groepen toegang tot buitenlandse markten die meer perspectief bieden dan de Turkse markt. Verder zijn er plannen om in Jemen en Irak activiteiten te ontplooien, kortom: om in elk ernstig crisisgebied in het Midden-Oosten een positieve bijdrage te leveren.

Zou Roia eventueel bereid zijn te werken in delen van het land die onder controle staan van Assad? Die vraag zou Khaled enkele jaren geleden nog met een ferm ‘nee’ hebben beantwoord, Nu denkt hij er anders over. ‘Sinds ik in Turkije woon, bekijk ik de zaken genuanceerder en besef ik dat de revolutie niet in een religie mag ontaarden. Wij zijn in essentie geen politieke organisatie. Toen ik in nog in Syrië zat, was ik geneigd te denken in termen van goed en kwaad, met vrijwel niets daartussen. Burgers die achter Assad stonden, waren een deel van een probleem.’ En impliciet refererend aan zijn eigen positie, bij het uitbreken van de revolutie: ‘Veel van deze mensen zullen pragmatische redenen hebben voor hun steun. Bovendien: hoe krijg je ze achter je beginselen, als je de deur voor ze dichthoudt? Nee, het voornaamste probleem is dat we het regime niet kunnen vertrouwen.’

Het slechten van de muur van angst

Dat regime lijkt het pleit echter wel te hebben beslecht. Hoe ziet hij de toekomst van Syrië? Hééft het land wel een toekomst? ‘Luister,’ zegt Khaled op indringende toon. ‘Landen als Cambodja en Vietnam hebben ook ontstellende verliezen geleden, en bestaan nog steeds. Als Syrië als land overleeft, is dan geen historisch unicum. En het zal je misschien verbazen wat ik zeg, maar wat mij betreft is de Syrische revolutie ten einde, en is ze een succes geweest. De Syrische revolutie ging namelijk niet alleen om territorium, of om politieke macht, maar vooral ook om de cultuur. Die cultuur van dingen voor lief nemen, daarmee is afgerekend. De revolutie ging om het slechten van de muur van angst. We hebben geleerd om voortaan kritisch te zijn, we durven nu nee te zeggen. Het bewind zal zich nooit meer zo onbedreigd voelen als voorheen.’

Wat mij betreft is de Syrische revolutie ten einde, en is ze een succes geweest.’

Maar betekent dat dan niet de Syriërs nog meer repressie te wachten staat dan voorheen? ‘Op de lange duur zal dat het regime niet helpen. De mensen hebben nu basisbehoeften, en daaraan geven ze prioriteit. Ze hebben eten, drinken, kleding en een dak boven hun hoofd nodig. Zodra in dit alles in redelijke mate is voorzien, keert de roep om politieke vrijheid terug. Ik vergelijk mijn land wel eens met een lichaam: dat is jarenlang vergiftigd. De revolutie heeft dat gif uitgedreven, maar uiteraard ging dat gepaard met zweren, ontstekingen, pus en koorts. Nu krijgt dat lichaam antibiotica en verkeert het in een soort coma, waarin het bezig is zichzelf te helen. Hoe lang dat helingsproces zal duren, weet niemand. Er zijn kolossale bedragen en inspanningen nodig voor de wederopbouw. Dus als je mij vraagt: heeft Syrië een toekomst? Dan zeg ik ja. Maar ik kan je onmogelijk zeggen wanneer die toekomst begint.’