Ieders kameraad

circusvorstin9

DOOR CARL STELLWEG

Niets had mij kunnen voorbereiden op de komst van mijn kameraad, die nazomeravond die ik lang geleden met twee studievrienden doorbracht in Café de Zijsprong in een Brabantse stad. Wie dat dan is, die kameraad? Wat een vraag. Hij is mijn wil, mijn merg, hij is degene die mij dwingt tot daden. Hij is ieders kameraad. Maar die avond, en dan vooral toen ik mij bevend in het rommelhok van Café de Zijsprong had verschanst, liet hij voor het eerst merken ook míjn kameraad te zijn.

Eigenlijk was De Zijsprong in mijn ogen een twijfelachtige gelegenheid, een vergeetput voor gesjochten. Mijn vrienden dachten daar anders over. De reden stond twaalf uur per dag achter de tap en heette José: een forse alleenstaande vrouw van achter in de veertig, niet smaakvol maar wel verzorgd gekleed, met opzichtige armbanden aan haar monumentale polsen, als van een heidense hogepriesteres, een vervaarlijke hoerenmadam. Een tong zo scherp als een scalpel, maar ook een geknecht moederhart – en precies dat laatste was wat mijn twee vrienden aantrok. Met hun achttien jaar waren ze een paar jaar jonger dan ik en net op eigen benen in een vreemde stad. Dus zorgde José voor plaatsvervangende nestwarmte, en ze aanvaardde deze rol met dankbare vanzelfsprekendheid.

Lees meer

Een land zonder jachtluipaarden

jachtluipaard3

DOOR CARL STELLWEG

Een van mijn wonderlijkste herfstmiddagen ooit beleefde ik jaren geleden in lijn drie. Uitgerekend in die suffe, oude vertrouwde, loom voortsukkelende lijn drie, die op dat uur ongebruikelijk vol zat (in vaktaal: ‘veel vlees op de lijn’), toen woedende kreten de inzittenden wakker schudden uit hun lijdzame aanvaarding. Zo begon het.

Een vrouw en een jongen van een jaar of tien stonden in het gangpad. Ze verspreidden meteen een geur van uitheemsheid. Ze hoorden hier niet.

‘Kloot, stuk imbeciel!’ schreeuwde de vrouw. ‘Er was een kind geklemd tussen de deuren! Jij moest beter letten op jouw spiegels, kloot!’

De rug van het stuk imbeciel in kwestie puilde aan weerszijden van de chauffeursstoel uit. Ruige vrijbuiterskrullen bedekten het achterhoofd. Langzaam draaide dat een kwartslag. Daarop verscheen een veelkleurige oorbel, en werd alles opnieuw anders.

‘Tiens, ‘t is nu dat ik het zie,’ zei de vrouw. ‘Wel, dat is mij gelijk. Had u niet gezien dat er nog lui waren die moesten binnenstijgen, mijn schat? Stuk imbeciel, wilde ik zeggen?’

Gelaten, alsof het om een ondraaglijke ambtelijke gemeenplaats ging, antwoordde de bestuurster dat er ‘passagiers bekneld konden raken’ wanneer de buitenknop te kort werd ingedrukt.

Op aandringen van het jongetje gingen hij en de vrouw zitten. Schuin tegenover mij. En niet naast, maar tegenover elkaar.

‘De trams,’ zei ze, en keek of ze voorbijgangers strijdlustig tegen de schenen wilde schoppen. ‘Zij slingeren zich als een serpent door de stad. Zij komen door de bocht rammelen om u te grijpen. Geef mij dus de metro. Men stijgt binnen, men is vertrokken, recta linea het verlossend duister in. Hamdrilla! Het heeft mijn voorkeur.’

Altijd en overal was ze bereid de zeis van haar keiharde standpunten te laten neerkomen, dat leed geen twijfel.

Ze was klein, tenger en donker. Halverwege de dertig, schatte ik. Misschien kwam ze uit Zuid-Europa, of Noord-Afrika. Het Midden-Oosten. Het Middellandse Zeegebied. Een hamdrilla-land dat daar ergens lag.

Mooi? Alweer: misschien. Mooi tegen de keer. Schoonheid ziet niet altijd de zon in het water schijnen. Grote, donkerbruine ogen, nogal dof, maar ook vreemd onverschrokken, waardoor ik haar blik ontweek.

Dark woman

Ze droeg een lichtroze mantelpakje dat niet bij haar paste, dun van stof voor het seizoen. Een recalcitrant kind in zondagskleren. Als kunstcriticus had ik haar misschien ‘niet makkelijk, maar wel belangwekkend’ gevonden. Godlof ben ik nooit kunstcriticus geweest.

Het jongetje had een schuwe motoriek en ernstige ogen. Hij leek niet op de vrouw, waardoor ik ging twijfelen of ze zijn moeder was.

De lucht hing als vuil wasgoed boven de stad. Het was een dag om je in een of ander troosthol langzaam en aandachtig te bedrinken. Ik was net bezig me tegen deze verlokking te verzetten toen het tweetal instapte.

jacht

‘Wat voelt dat zwak, Thomas,’ zei de vrouw, terwijl ze hem onzachtzinnig betastte. ‘Altijd nog dit aversie tegen wat oefening?’

Thomas zei lusteloos dat Papa en Yvon wilden dat hij op tafeltennis ging. Het onderwerp was misschien al uitputtend behandeld door Papa en Yvon. Mogelijk beoefenden Papa en Yvon de tafeltennissport zelf met overgave.

‘Tafeltennis,’ zei de vrouw bitter, waarop de zeis van haar oordeel andermaal neerkwam. ‘Het querulantsport bij uitstek. Boze balletjes op tafeltjes heen en terug kletsen. Geef mij de voetbal dan maar. Zoveel tackles en slidings. Spelen voor dikke centen. Elkaar op de grond schoppen en helpen opstaan. De voetbal heeft mijn voorkeur, Thomas.’

Ik verbaasde me over ‘querulantsport’ en ‘tackles en slidings’. Ze was van meer markten thuis.

Thomas zei na zeker een minuut dat hij niet hield van ballen die hard op hem afkwamen. Een verlate, maar afgewogen conclusie, die het onderwerp definitief afrondde.

Toen wees hij, opeens geestdriftig, naar gekantelde bouwsels op palen die schuin boven hem opdoemden. Dat waren de kubuswoningen, waarin echt mensen woonden. Er was ook een kijk-kubus, waar hij met pappa en Yvon in was geweest. Hij wilde dat ook een keer met mamma doen.

‘Mamma’ had hij gezegd met een blik die ik als hoopvol tegen beter weten in taxeerde.

kubus2

‘Wat ziet men daar dan, als ik het mag vragen?’ vroeg Mamma die geen mamma uit de mamma-mal was.

Het was vreemd, oordeelde Thomas. Als je niet uitkeek viel je uit het raam, dat scheef was, net als de muren. Vooral voor kleine kinderen was het gevaarlijk. Snapte Mamma dat?

‘Of ik dat snap?’ zei ze. ‘Er is niets anders dat ik beter snap. Scheve huizen waar kinderen uit vallen – ik ben er compleet van op de hoogte.’

Haar ellenboog rustte op de rand van het raam, haar hoofd op de palm van haar hand. Zo gaf ze onverschillig tegenwicht aan het dreinerig schokken van de tram, een puberale uitdrukking van opstandige verveling op haar gezicht. Ze keek naar buiten, gaf geen teken dat ze geboeid werd door wat ze zag. Wat boeide haar?

 

‘Dus, Thomas, wat hoor ik?’ zei ze na enige tijd. ‘Nog steeds zo weinig toegewijd op de school?’ Deze mamma was matig geïnformeerd, dat was me al opgevallen.

Thomas zei dat hij zich tegenwoordig interesseerde in de geschiedenis der aarde. In de oude landen en beschavingen. Dat gaven ze niet op school. Dus had hij er een boek over geschreven. Tot enthousiasme van zijn pappa, die niet wist dat Yvon hem had geholpen.

Uit zijn rugzakje haalde hij een boek in A4-formaat, met een gemarmerde leren kaft. Titel en auteursnaam waren goudkleurig beletterd. Papa en Yvon hadden het werk vast voor veel geld laten binden.

‘Het Geschenk der Eeuwen, door Thomas Zoeteman,’ las de moeder op. Ze sloeg het boek open. Het telde enkele tientallen bladzijden, licht beduimeld en enkelzijdig getypt.

Ze las opnieuw: ‘Voorwoord. De overgang van Mesolithicum naar Neolithicum is de grootste sprong der mensheid ooit. Wij danken veel aan het Neolithicum, namelijk brood, het huisdier en vaste verblijfplaatsen.’

‘Vaste verblijfplaatsen,’ herhaalde ze. Ze gaf het boek terug, en streek Thomas over zijn schouder. ‘Dit materie boeit me, Thomas,’ zei ze, en knikte genadig, maar met verbeten mond.

Daarop trok ze de rok van haar mantelpakje recht, bijna geërgerd, alsof ze iets van zichzelf prijsgaf en hoopte dat niemand het zag. Maar ik had het gezien.

Ondertussen vroeg ik mij af waarom Thomas hier en nu zijn levenswerk wilde tonen. Tijd dit te overdenken kreeg ik nauwelijks: het bleek dat hij alweer met een níeuw project bezig was. Een boek over het jachtluipaard, het snelste landdier ter wereld, dat solitair leefde in woestijnen en savannen. Honderdtien kilometer per uur haalde het jachtluipaard, al hield het dat lang geen uur vol.

Saillant was dat het jachtluipaard miauwde als een poes, maar ook kenmerken bezat van de hond: het kon zijn klauwen niet intrekken.

‘Dus een slecht geadapteerd type,’ concludeerde zijn moeder, ‘maar merkwaardig sympa.’

Mijn blik viel op haar smoezelige witte sokjes en goedkope zomersandalen. Anders dan haar gezicht oogden haar kuiten vaal. Ze moest zich warmer kleden.

Thomas had haastig gesproken, alsof de legendarische snelheid van het jachtluipaard hem daartoe had aangespoord, en was nu buiten adem.

‘Thomas, ga toch wat sport doen,’ zei de moeder.  ‘De voetbal. En de meisjes aan de tresjes trekken. Tiens, hebben de meisjes vandaag geen tresjes? Hoe kan ik het weten, Thomas? Het is al zo lang dat ik niet buiten kom.’

Ze boog naar hem toe: ‘En als ik al buiten kom, dan ben ik in een bos, een grote merkwaardige bos waar men geen enkel normaal mens ontmoet.’ Grijnzend trok ze haar hoofd terug.

astronaut8

Thomas keek of hij wist wanneer zich doof voor haar te houden, en kwam met een eigen onthulling: die van een geheim land. ‘Nonabilia’ heette het. Een mooie naam, vond ik, die iets speciaals moest betekenen. Eerst zat Nonabilia vast aan Noorwegen, maar toen zei Yvon dat is zonde, dan is Noorwegen zijn fjorden kwijt. Dus nu was het een ar-chi-pel, ergens ten noorden van de Noordzee.

Voordat ik aan Atlantis kon denken, ontzenuwde Thomas dat Nonabilia het oude Atlantis was. Atlantis had nooit bestaan.

‘Thomas, word alsjeblieft een ordinaire kind,’ zei zijn moeder achteloos, zijn glimlach negerend.

Zonder een spoor van verwaandheid zei Thomas dat men hem geen ordinair maar een ‘ongemeen intelligent’ kind vond. Het was schrijnend om niet te weten maar wel te vermoeden wat hem werd aangedaan.

‘Een land verzinnen zegt niets over de intelligentie, Thomas,’ antwoordde de moeder ongenadig. ‘De intelligentie accepteert juist niet te veel verbeelding.’

Thomas wierp tegen dat pappa en zij toch ook ongemeen intelligent waren.

Ze zuchtte. ‘Zoals jij wil, pappa en mamma zijn ook ongemeen intelligent. Zeker pappa, die voor al die kranten en magazines werkt. Ja, die is intelligent. Diabolisch intelligent.’

Thomas vroeg of ze nog van pappa hield, onsentimenteel, alsof hij informeerde naar een laatste stand van zaken.

‘Houdt pappa nog van mamma? ‘t Is die vraag die je misschien moet stellen,’ antwoordde ze. ‘Pappa is een ongemeen belezen, bereisde correspondent. En hoe gaat dat? In elke stadje een andere schatje. Voor de ongemeen belezen, bereisde correspondent.’

En na een korte stilte: ‘Een enkele belezen schatje mag mee met de correspondent, maar de ander schatjes, maak u niet gek: u blijft standby.’

Odalisque

Heel even staarden haar donkere ogen me aan, zo uitdrukkingsloos en toch zo nadrukkelijk dat ik een al te vertrouwde bekende leek te zijn. Toen schoten ze weg, flitsend en gedachteloos als een reptiel.

Daarop vroeg ze: ‘De naam Nadine Nasser. Ze zegt je niets?’

Thomas draaide zijn hoofd weg, keek uit het raam. Natte straten gleden voorbij, natte straat op natte straat in een grote, gemelijke stad waar Thomas waarschijnlijk woonde, maar zijn moeder niet, die woonde immers in een merkwaardig bos. Hij keek ingespannen of dromerig, zag er heel jong uit nu, een hele kleine jongen in een eigen, eenzame, rijke wereld.

Ze trok aan zijn mouw: ‘Nadine Nasser. Jij hebt nooit van haar horen praten?’

Thomas leek op zijn lip te bijten. Het was of hij zich schuilhield in zijn eigen rijke wereld.

‘Wie is dat dan?’ zei hij ineens scherp, met afgewende blik, en ineens klonk hij precies als zijn moeder.

‘Een hele leuke schatje. Ongemeen belezen bovendien. Helaas, zij bleef niet stand-by. Dat wilde Nadine  niet. Dat kon zij niet.’

Ze liet zijn mouw los. ‘Je hebt van haar gehoord. De naam van de schatje is niet vergeten. Op een dag zal jij ook weten wie zij was.’

Nu pas zag ik dat ze geen make-up op had of sieraden droeg. Ooit hadden zalfjes en crèmes en opschik haar misschien beschermd, troost geschonken, haar ware aard getemperd, haar voor de ergste uitwassen behoed.

Ze waren niet allemaal onbemiddeld in het Middellandse Zeegebied. En ook niet onbelezen. Zelfs niet in het Midden-Oosten. Het handvol schatjes dat daar, tegen de keer, belezen en bereisd was: ik had wel eens van ze gehoord, misschien zelfs van ze gedroomd.

Maar nu, afgeschminkt, berooid, veroordeeld tot een geleend mantelpakje, niet langer stand-by maar weggestopt in een merkwaardig bos, was ze waarschijnlijk vervaarlijker dan ooit. Wie haar blik probeerde te vangen, deed dat op eigen risico.

‘Yvon, is ze goed?’ De vraag leek uit een ander landschap in haar hoofd te komen.

Thomas vertelde dat Yvon van Beethoven en Brahms hield, net als Papa, maar ook van André Hazes, dat ze die geil vond. Hij wist niet goed wat geil was.

‘Dit type zingt als een huilend baby,’ zei de moeder. ‘Baby’s hebben hele lelijke stemmen. Babymannen, altijd huilende, schuldig, altijd rekenende op vergeving.’

En met theatrale verheffing van haar kinderlijke en indringende maar in de hogere registers soms raspende stem: ‘Babymannen schrijven het historie der aarde.’

Niet voor het eerst keek een deel van het vlees op de lijn versuft op.

Ze tikte Thomas op zijn knie: ‘Thomas, vertel weer over de jachtluipaarden en – wat was het weer? – Nonabilia. Vertel toch.’

Nonabilia bleek veel groter dan Nederland. De inwoners hadden ook een veel oudere beschaving. Ze waren trouwens nog steeds bijzonder geciviliseerd. En goed gekleed en gebouwd, volgens Yvon. Het kon ze verder niets schelen wat er buiten hun eigen land gebeurde.

‘Hamdrilla, dat is goed,’ zei de moeder. ‘Maar ik  interrumpeer. Hoe ziet dit Nonabilia eruit?’

Thomas zweeg.

‘Hoe ziet het eruit op de wereldbol? Nederland is als een kleine insect. Met het naakte oog een vlekje, onder het loep een wriemelende beest met poten en tentakels.’

Nonabilia was een grote vis, viel Thomas in. De kop, het middenstuk, de staart, de vinnen waren allemaal aparte eilanden. Nonabilia lag niet ver van de Poolcirkel. Het was er koud, ook door de hoge bergen, maar in het zuiden had je de Warme Golfstroom. Daar was ook de hoofdstad, Foenizia.

Die naam zei me iets. Het was niet zomaar een naam. Er klonk iets oerouds in door.

‘Foenizia, natuurlijk’ zei de moeder verveeld, alsof Foenizia een flauwe grap was.

In Foenizia was alles groot. Grote bioscopen, grote hotels. Zelfs de wolkenkrabbers waren voor wolkenkrabbers groot. De mensen hadden geen hoogtevrees.

Nog niet zo lang geleden waren er veel soldaten in Foenizia, vervolgde Thomas. De hele dag reden ze door de stad. Soms schoten ze mensen neer. Die bleven dan een tijd liggen. Ook stond er wel eens een hotel of bioscoop of wolkenkrabber in brand. Maar die werden gewoon weer opgebouwd.

jacht4

‘Tiens,’ zei de moeder  ‘Gewoon weer opgebouwd. Maar ben jij zeker dat jouw Nonabieltje bij het Poolcirkel ligt? Het schieten van soldaten is naar mijn weten allang gelimiteerd tot regionen ver van het Poolcirkel. Vraag het de bereisde correspondent. Maar dat wilde je de jachtluipaarden niet aandoen. Dat is sympa. Appreciabel. Reuzeleuk voor die beesten te weten dat iemand het goed met ze voor heeft. Dan rest mij nog één hele belangrijk vraag.’

Ze klonk ineens dwingend: ‘Vertel me, Thomas, wat zijn de middelen van bestaan in jouw Nonabilia?’

‘Weet ik niet,’ zei Thomas nonchalant, niet van zijn stuk gebracht door deze lacune in zijn informatievoorziening.

‘Jij weet nog niet misschien wat dat zijn. Laat ik jou daar dan iets over vertellen. Laat ik jou vertellen over hoe een zeker mij bekend iemand zorgde voor zijn of haar – ‘t is mij even – bestaan. Die persoon was van de regen in de drop beland. Was eens opgetild, en weer gevallen, en at uit de vuilnisbakken. Als men erop kon kauwen, was het eetbaar, vond kennelijk deze persoon, die altijd in een oud overall liep, met daaronder dikke pakken kranten tegen de kou. Het was net een prehistorisch astronaut. Onder die kranten was een zwart korst vuil en daarover liepen – schrik je niet – beesten. Kleine, nauwelijks zichtbare beesten, maar ook wat grotere, vrij goed observabele beesten. Die dingen bestaan, vlakbij ons. Je kunt me geloven. Ik vertel het niet voor niets.’

Thomas knikte.

‘Het gezicht en de haren waren ook zwart. Alleen de ogen, die niet. Die waren het enige dat je mooi en wel kon opmerken in dat zwart gezicht.’

Ze laste een pauze in. Thomas zei niets.

‘Ongeveer één keer per jaar,’ hervatte ze, ‘werd dat wezen heel ziek en kwam het in de hospitaal. De eerste keer deden de verpleegsters het in het bad, maar toen begon het al snel te zuchten, te steunen, te kreunen, zelfs verschrikt te roepen. Weet jij waarom, Thomas?’

Hij opperde dat het bang was van water.

‘Nee, er was een andere probleem. Als jij heel lang niet hebt gegeten, kun jij niet ineens een heel maaltijd digesteren. Hetzelfde als jij je heel lang niet hebt gewassen: dan kun jij niet ineens veel water en zeep verdragen. Het wezen begon zo te zuchten, te steunen, etcetera, omdat de korst een pap werd, en de poriën en alle andere lichaamsopeningen dichtzogen met dat pap. Daardoor kreeg het wezen ademnood. De neus, mond, andere openingen, de poriën, vergeet de poriën niet: allen sloten zich, er kon geen lucht bij. Ze hebben het er dus uitgehaald en chemisch gereinigd. Er was geen ander middel. Die dingen bestaan, Thomas. Rondom ons. Het zijn geen verhalen.’

Thomas vroeg wat ze verder hadden gedaan met dit wezen.

‘Ze hebben het weken verpleegd. Het knapte op. Het vond het, geloof ik, fijn om verzorgd en verpleegd te worden, heel fijn. Maar op een dag moest het zijn zwerversleven weer beginnen. De vuilnisbakken zeiden: u bent weer daar? Hamdrilla, bedien u toch.’

Thomas wilde weten of het wezen nog leefde.

‘Geen  idee. Het wil misschien geen chemisch reiniging meer. Prefereert vies en ziek te blijven, zichzelf.’

De tram naderde het centraal station, met de twee hoge kantoortorens. De regen plakte tegen de ramen. Hier zit je hoog en droog, zeiden de torens, maar jij komt er niet in.

‘Het tempel van de architectengod,’ stelde Thomas’ moeder vast.

De tram  ontdeed zich van het meeste vlees. Thomas hield zijn pas in en keek op naar de tempel van de architectengod. Ik had het beeld willen vastleggen: kleine jongen versus monolietenpaar. Kleine jongen die het niet is vergund dat zijn stem wordt gehoord.

jacht3

Ik had hen op korte afstand gevolgd. De gedachte viel mij in dat ze niet konden bestaan buiten het kader van mijn waarnemingen, en me daarom negeerden. Voelde God zich ook wel eens door zijn schepping genegeerd?

Thomas’ moeder bleef staan toen ze de gebruikelijke groep zwervers en junks voor de stationsingang zag.

‘Ga maar terug naar pappa,’ zei ze. ‘En naar het geile Yvon.’

‘Vertel je’t me als je de vuile man weer ziet?’

‘Het was geen man. Alleen een wezen.’

Ze boog voorover, wees naar de zwervers en junks. Ik verstond pas wat ze zei toen ze zich weer oprichtte: ‘Nee, ik zie niemand die erop lijkt.’

Er ging me een licht op. Een licht dat me deed wankelen.

Ik keek nog eens naar degenen die vies en ziek en zichzelf moesten of wilden blijven. Toen begreep ik wat Thomas niet begreep omdat zijn kennis noodzakelijkerwijs niet verder reikte dan gekantelde huizen waar kinderen uit vallen.

Ze diende Thomas twee bruuske kussen toe. Daarop gaven ze elkaar nog een hand, alsof de kussen moesten worden afgeboekt.

En toen ze met stijve passen naar de stationsdeuren liep, vroeg ik me af of dit belezen schatje een mantelpakje voor de diabolische correspondent had aangedaan. En of hij in dat geval naar haar sokjes en sandalen had gekeken.

Iraanse Nederlanders voelen zich gekneveld en gediscrimineerd door Nederlandse banken

Iraniërs in Nederland vieren het Perzisch Natuurfeest. 2011, locatie onbekend

Geld overmaken naar Iran is praktisch onmogelijk vanuit Nederland. Nederlandse banken staan dit niet toe. Een handelwijze die vooral de 50.000 Iraanse ingezetenen in Nederland benadeelt. Bovendien moeten zij zich verantwoorden bij de kleinste verdenking van financieel contact met het moederland, en mogen zij soms geen zakelijke rekening openen. Is het optreden van de Nederlandse banken wettig? In ieder geval niet naar de geest. Zijn de gedupeerden dan collateral damage in een sanctieregime dat moet leiden tot een fatsoenlijker bewind in Teheran? Daar ziet het vooralsnog helemaal niet naar uit. De gedupeerden lijken vooral slachtoffer te zijn van zakelijke belangen, symboolpolitiek en – dat vooral – een tandeloze EU. 

Carl Stellweg

Een wat merkwaardig maar eenvoudig op te lossen akkefietje. Waarschijnlijk een soort misverstand. Dat was het eerste wat Farzaneh dacht nadat ze een brief van ING had ontvangen. Ze had net 500 euro overgemaakt naar haar zuster in Duitsland. Kort daarop kwam het bericht van haar bank: transactie geblokkeerd, vriendelijk verzoek een paar vragen te beantwoorden.

Zoals: waarom stond het woord ‘Iran’ in de omschrijving? Waar was het geld voor bedoeld? En had mevrouw direct of indirect bemoeienis met ‘Iraanse partijen’?

Farzaneh, een in Noord-Holland wonende sociaal werker van Iraanse afkomst, had het geld overgemaakt om bij te dragen in de aanschafkosten van een tweedehands zuurstofapparaat voor een derde zuster, die in Teheran woont. Zij lijdt aan een ernstige longziekte. Het toestel dat die zuster nu had deed het niet goed meer, en ze kon geen nieuwe betalen. Bovendien werkte het niet op batterijen. Aangezien de stroom in Teheran steeds vaker uitvalt, kon dat levensbedreigend zijn. Ook was het apparaat niet draagbaar, waardoor de gebruikster aan huis was gekluisterd. Het exemplaar dat de zuster in Duitsland had gevonden, was dat wel, dankzij die batterijfunctie.

Farzaneh liet ING weten dat het geld bedoeld was voor de aankoop van een medisch apparaat, te versturen naar familie in Teheran. Ze ging ervanuit dat die verklaring volstond. Wat de andere vragen betrof: de vermelding van de naam ‘Iran’ was om duidelijkheid te scheppen voor de boekhouder die haar administratie bijhield. Bemoeienis met Iraanse partijen? Nou, nee.

Mailtje verstuurd, zaak opgehelderd. Dacht ze.

Niet dus. ING ontpopte zich tot een rupsje-nooit-genoeg. Althans volgens Farzaneh. Er volgden tal van e-mails met verzoeken om steeds gedetailleerdere, steeds persoonlijkere informatie.

Wat voor bedrijf had mevrouw?

Ze legde uit dat ze een zzp’er was die sociaal werk verrichtte. Ze regelde PGB-hulp voor Perzisch sprekenden. Daarvoor huurde de gemeente haar in.

Aha. Maar waarom waren al haar klanten Perzisch sprekenden?

Nou, omdat ze dat zelf was. Dat was handig voor die klanten.

Goed, maar waarom betaalde de Sociale Verzekeringsbank haar uit? Wat voor ‘tegenprestatie’ leverde ze?

Simpel: als het om PGB gaat, ontvangen zorgverleners hun honorarium van de Sociale Verzekeringsbank.

Was zij dan ook in staat ‘bewijsstukken’ te overleggen? Kon ze inzage geven in haar bedrijfsvoering?

Beetje bezwaarlijk, antwoordde Farzaneh, want dan kreeg de bank ook privégegevens van cliënten te zien, en dat leek haar niet correct.

Maar als mevrouw een eigen bedrijf had, waarom beschikte ze dan niet over een zakelijke rekening?

Omdat een ING-medewerker haar zelf had gezegd dat dit voor zzp’ers niet nodig was.

Het was de bank inmiddels ook opgevallen dat ze met enige regelmaat kleine bedragen overmaakte naar mensen met Iraanse namen in Nederland. Hoe zat dat?

Farzaneh en haar man, legde ze uit, zijn in hun Noord-Hollandse woonplaats actief in een Perzische christelijke huisgemeente. Die bedragen waren kleine tegemoetkomingen in de reiskosten voor leden die wat ver weg wonen. Kortom: christelijke liefdadigheid.

Enzovoorts, enzovoorts. De informatiehonger van de bank drong de levensbedreigende omstandigheden van haar zuster in Teheran naar de achtergrond. En dus kwam onvermijdelijk het moment dat de sociaal werker haar zelfbeheersing verloor en huilend bij ING aan de telefoon hing: ‘Ik werd er verdrietig van. Ik ben een zorgverlener en ik probeer alles zo netjes mogelijk af te handelen. Ik voelde me als een crimineel behandeld.’

De ING-medewerker reageerde meelevend, zoals ING in de hele correspondentie een hoffelijke toon handhaafde. Zwaarwegender was echter dat de bank volgens Farzaneh naliet de kwestie op een bevredigende manier af te ronden. De stroom e-mails stopte op zeker moment, en dat was het. Toen Farzaneh na een maand of twee nog eens contact opnam om te vragen of alles nu in orde was, luidde het opmerkelijke antwoord: ‘Op dit moment wel.’

Ondertussen zijn die 500 euro nooit bij de zuster in Duitsland aangekomen. Een tweede poging, nu zonder vermelding van Iran in de omschrijving van de transactie, werd opnieuw geblokkeerd. Het nieuwe apparaat kost in totaal 1200 euro, de zuster in Duitsland kan dat bedrag niet in haar eentje ophoesten, en dus is er ook geen verandering gekomen in de benarde situatie van de zuster in Teheran.

Het verhaal van Farzaneh is moeilijk te verifiëren. Maar wat voor reden zou ze hebben om niet de waarheid te vertellen? Iraniërs in Nederland zijn mediaschuw. Farzaneh, die in 2002 als politiek vluchteling naar Nederland kwam, wil niet dat haar achternaam wordt vermeld, en dat geldt voor de meeste Iraniërs met wie contact is geweest in verband met dit verhaal. Velen aarzelen om met hun ervaringen over de brug komen, sommigen trekken zich terug. De reden is dat ze niet op de radar van het bewind waarvoor ze ooit vluchtten willen verschijnen. Zelfs niet als wat ze te zeggen hebben niet bezwarend is voor dat bewind.

Een antwoord van ING op vragen – niet over het specifieke geval van Farzaneh, maar wel over dit soort praktijken – blijft na een volle werkweek uit, ondanks de toezegging dat het binnen die termijn zou komen.

Het gaat echter niet alleen om ING. Geen enkele grootbank in Nederland staat geldverkeer met Iran toe, of slechts zeer mondjesmaat. Dit betekent dat het voor de pakweg 50.000 ingezetenen van Iraanse afkomst in Nederland onmogelijk is om een veilige financiële relatie met familie in Iran te onderhouden.

Dat is tot daaraan toe: ook bij overboekingen die niets met hun land van herkomst te maken hebben, ondervinden Iraniërs hinder: kwestie van een algoritme bij de banken dat aanslaat zodra in een omschrijving een ‘verdacht’ woord opduikt.

De gevolgen zijn soms verstrekkend, zoals hierboven geschetst. Soms zijn ze wat subtieler. Zo vroeg Farid Sheek (27), een succesvolle muzikant die tien jaar geleden naar Nederland kwam, een zakelijke rekening aan bij ABN/AMRO. Na een week had hij nog geen antwoord. Toen hij belde, werd hem verzocht om op kantoor te komen. Waarvoor hij zo’n rekening nodig had, vroeg een medewerker hem. Voor zijn muzikantenbedrijf, zei Farid, de Kamer van Koophandel had hem dat aangeraden. Sorry, was het antwoord, wij doen niet aan zakelijke rekeningen voor Iraniërs.

En waarom niet? Vanwege de internationale sancties die al jaren tegen Iran van kracht zijn. Sancties die bestaan vanwege de slechte naam van het land op het gebied van mensenrechten, de steun aan allerlei terroristische of semi-terroristische entiteiten zoals de sjiitische beweging Hezbollah in Libanon, en de alliantie met Bashar al-Assad, de slager van Syrië.

Last but not least: Iran wordt er al jaren van verdacht kernwapens te willen maken.

Alle banken wijzen erop dat het zelfstandige ondernemingen zijn die zelf mogen bepalen met wie ze in zee gaan. Hun risk appetite – jargon voor risicobereidheid – ten aanzien van mensen die banden hebben met landen als Iran is relatief laag. Het is niet anders.

Dit is de standaarduitleg als er verhaal bij de banken wordt gehaald over hun discriminerende gedrag jegens Iraniërs.

Ondertussen is er iets dat Farid niet snapt. ‘Mijn familie is juist gevlucht voor dit regime. Nu hebben uitgerekend wij te lijden van de politiek tegen datzelfde regime. Daarnaast: ik heb de Nederlandse nationaliteit, ik heb een werkvergunning, ik sta ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als muzikant. Mijn muziek is overwegend instrumentaal. Mijn motto is: muziek verbindt, politiek ontbindt. Ben ik dan een risico?’

Probeer het bij een andere bank, was het advies van ABN/AMRO, en inderdaad: bij ING (!) kon hij wel een zakelijke rekening openen. Sindsdien heeft hij geen problemen meer gekend. Het gevoel van ongelijke behandeling is echter gebleven. Voor hetzelfde geld had ING hem ook geweigerd. Dat valt op geen enkele manier te voorspellen. Voor de risk appetite bestaat geen betrouwbare graadmeter.

Nog een voorbeeld. Op een dag merkte Foozhan, een 24-jarige studente internationaal recht die ook al tien jaar in Nederland woont, dat haar rekening was geblokkeerd toen ze een keer wilde pinnen. Ze ging naar een Rabobank-kantoor in Den Haag, maar daar kon niemand haar uitsluitsel geven. Bij een vestiging in Rotterdam die ze zonder afspraak binnenliep, wist een medewerker haar na lang wachten te vertellen dat het ging om een ‘onderzoek’. Vanwege wat? Vanwege het feit dat ze uit Iran kwam en er sancties golden tegen Iran, kreeg ze te horen.

‘Dat vond ik maar raar,’ zegt Foozhan, ‘ik ben een student, ik doe niks. Maar ik raak wel snel in de problemen als mijn bankrekening wordt geblokkeerd.’

Met andere woorden: wat is belangrijker? De risk appetite van een bank, of het financiële gevaar waaraan een vermoedelijk volstrekt onschadelijke studente als gevolg van die appetite wordt blootgesteld? Iedere volwassene in Nederland heeft een bankrekening nodig. Banken zijn dus niet zomaar ondernemingen, ze hebben ook maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Na twee weken kon Foozhan weer pinnen. Wat het onderzoek behelsde is haar nooit verteld. ‘Een jaar eerder ben ik op vakantie geweest in Iran. Ik heb me vaak afgevraagd of het daar iets mee te maken had. Anderzijds: ik heb daar mijn bankpas niet gebruikt, die werkt niet eens in Iran, dus hoe konden ze dan weten dat ik er was geweest?’

Een woordvoerder van de Rabobank zegt dat een rekening nooit zomaar wordt geblokkeerd. Hij wijst er verder op dat na klachten in 2017, die tot enige mediapubliciteit leidden, ‘de instructies zijn aangescherpt’, waardoor wat Foozhan zegt te hebben meegemaakt, niet meer had mogen voorkomen. Overigens stelt een woordvoerder dat de Rabobank alleen zakelijk financieel verkeer met Iran zonder meer blokkeert.

Foozhans ervaringen lijken echter niet heel bijzonder. Neem Sohail Shirazi (44, niet zijn echte naam), die in 2002 aan een internationaal schermtoernooi in Oostenrijk deelnam en niet meer naar Iran terugkeerde. Hij maakte enkele jaren geleden 25 euro over naar een relatie in Nederland. ‘Die deed inderdaad zaken in Iran, maar ik vond het toch bizar hoe ik wekenlang hierover met vragen werd bestookt door de Rabobank. Om 25 euro. En ze vielen niet alleen mij lastig– ook mijn vrouw.’

Zuurder voor Sohail was dat zijn pogingen om met een Nederlandse en een Duitse compagnon medische middelen – vooral bloedtransfusiesystemen – naar Iran te exporteren, op niets uitdraaiden. ‘We hebben het tussen 2016 en 2019 geprobeerd, maar het was onmogelijk om geld uit Iran hiernaartoe overgemaakt te krijgen. ING werkte niet mee. We hadden omwegen via tussenpersonen in Dubai en Turkije kunnen proberen, maar het risico dat je dan wordt opgelicht of uitgekleed via dubieuze zwarte valutakoersen was simpelweg te groot. Dus gaven we het op. Het kostte ons 50.000 euro, want dat bedrag hadden we nodig om een Duitse BV op te richten. Daar komt bij dat als onze onderneming was gelukt, we misschien wel een jaaromzet van 400.00 euro hadden kunnen maken. Dat was in ieder geval onze raming. Dat is dus allemaal niet doorgegaan.’

Een laatste voorbeeld. We noemen de succesvolle en vrij bekende Iraans-Nederlandse ondernemer die we spreken ‘Reza Pavlavi’. Daar moet hij erg om lachen, want zo heette de laatste sjah van Perzië, na wiens val de familie van ‘onze’ Reza naar Nederland vluchtte. Hij was toen vier jaar oud. Pas een jaar of negen geleden keerde hij naar zijn geboorteland terug: om er een partij contactlenzen te verkopen waarvoor hij om allerlei redenen geen afnemers in westerse landen had. Daarnaast vatte hij het plan op om, laten we zeggen, tapijten uit Iran te importeren – het echte product kan ook maar beter niet worden genoemd, omdat het vrij bijzonder is en hij dus aan de hand daarvan kan worden geïdentificeerd.

Reza boekte een bestelling van 30.000 euro, maar kon zijn leverancier in Iran niet betalen toen het land in 2012 op initiatief van de Verenigde Staten uit de internationale bancaire berichtenservice SWIFT en het bijbehorende betalingssysteem target-2 werd gestoten. Dit noopte hem ertoe vrachtwagenchauffeurs uit Iran aan de Nederlandse grens een hoop cash voor de terugreis toe te stoppen, in ruil voor de tapijten. Voor de goede orde: in geen geval mocht de bank weten dat die tapijten uit Iran afkomstig waren. Ze kwamen ‘uit Italië’.

Na verloop van tijd vroeg de bank Reza natuurlijk waarom hij zo vaak en zo veel contant geld opnam. Hij wist dat de héle waarheid opbiechten het einde van zijn handel betekende, en dus vertelde hij een hálve waarheid: dat hij de waar eerst aan de grens keurde, en als alles in orde was, het geld contant meegaf.  Uiteindelijk liet de bank hem weten dat het door wijzigingen in het compliance-beleid niet langer mogelijk was zo veel cash geld op te nemen. ‘Eerlijk gezegd denk ik dat sommige mensen bij de bank allang wisten hoe de vork in de steel zat, en al die tijd een oogje dichtknepen,’ aldus Reza. ‘Banken zijn ook hypocriet. Als kapitaalkrachtige klant vertegenwoordig ik een bepaalde waarde voor ze.’

Toch moest hij op den duur iets nieuws bedenken om zaken met Iran te kunnen blijven doen: een ingewikkeld systeem waarbij zijn bedrijf de factuur betaalde van een Duitse exporteur van landbouwwerktuigen naar Iran, en die exporteur weer zíjn factuur betaalde. De Iraanse importeur van landbouwwerktuigen keerde dan weer aan de Iraanse leverancier van tapijten het bedrag uit dat deze nog kreeg van Reza.

Deze methode kon niet anders dan gebrekkig werken omdat de transacties heel moeilijk te harmoniseren waren. En dus gaat Reza’s handel tegenwoordig weer met cash, maar ook door betaling in natura met onder meer Rolexen. Wat op den duur weer kan leiden tot verwondering bij de bank over al die Rolexen die een importeur van tapijten inslaat.

De enige manier voor Iraniërs aan wie banken niet veel kunnen verdienen om toch geld over te maken naar hun moederland is het zogeheten Hawala-bankieren, een informeel betalingssysteem dat in grote delen van het Midden-Oosten en Azië tamelijk gemeengoed is. Volgens Reza wordt het ook op grote schaal door Iraniërs in Nederland gepraktiseerd, zonder dat ze daar ruchtbaarheid aan geven. ‘Ze moeten wel. Het werkt als volgt: ik wil mijn oma in Iran honderd euro geven. Die geef ik dan aan jou, hier in Nederland, omdat jij als Hawaladar een contactpersoon hebt in Iran die jij kunt opdragen honderd euro aan mijn oma te geven. Te zijner tijd verreken jij dat bedrag weer met je contactpersoon. Het gaat meestal om kleine bedragen.’

Sommige Iraanse supermarkthouders in Nederland zijn Hawala-bankiers, maar hangen dat niet aan de grote klok, omdat er rond het mechanisme een sfeer hangt van misbruik en criminaliteit. ‘Het biedt de meeste Iraniërs weinig verlichting omdat het een grijsgebied is,’ zegt Reza. ‘Het onttrekt zich aan het zicht van de fiscus, het biedt geen constructieve, duurzame oplossing.’

Feitelijk zijn de banken onrechtmatig bezig. Ze gaan in tegen het beleid van de EU, die handel met Iran aanmoedigt, uitgezonderd de partijen die op een Europese sanctielijst staan (en dat zijn er nog redelijk wat). Op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland staat uitgebreide informatie over handelsmogelijkheden met Iran. Die zijn er in de praktijk echter nauwelijks, omdat Nederlandse banken geen relaties willen met Iraanse banken.

iran_NL

De Nederlandse en Iraanse vlag wapperen hier fier zij aan zij, in werkelijkheid is de relatie zeer problematisch.

Handeldrijven met Iran staat de EU weer toe sinds de ondertekening op 14 juli 2015 van de Joint Comprehensive Plan of Action, ofwel de nucleaire deal tussen Iran enerzijds, en de VS, de overige vier vaste leden van de VN-Veiligheidsraad en de EU anderzijds. Krachtens deze deal staakt Iran zijn kernwapenprogramma in ruil voor een afbouw van sancties.

Het punt is dat de Verenigde Staten in 2018 uit deze overeenkomst zijn gestapt, maar de EU niet. De VS hebben de sancties weer ingesteld, en op schending hiervan staan zware boetes. Niet alleen voor Amerikanen (‘primary sanctions’), maar opmerkelijk genoeg ook voor buitenlanders (‘secondary sanctions’).

Die laatste bepaling is juridisch uiterst omstreden, want hoezo heeft de Amerikaanse rechter iets te zeggen over het economisch beleid van niet-Amerikanen? Feitelijk heeft hij die rechtsmacht niet. De EU weigert de secondary sanctions dan ook te erkennen, sterker: conformering door Europeanen aan deze sancties is strafbaar op grond van het blocking statute, een stuk Europese wetgeving dat al van 1996 stamt, en sinds 2018 ook van toepassing is op het Amerikaanse sanctiebeleid jegens Iran (eerder gold dat al voor sancties tegen Libië en Cuba).

Van dat blocking statute trekken Nederlandse en andere Europese banken zich dus bijzonder weinig aan, hun zakelijke relatie met Uncle Sam is hun daarvoor te dierbaar. Uncle Sam kan het banken juridisch ook heel moeilijk maken als ze een Amerikaanse tak (‘nexus’) hebben. Blijft niettemin de vraag is hoe de banken het Europese Blocking Statute zo eenvoudig kunnen ontduiken. Het antwoord is volgens de Nederlandse advocaat en sanctierechtdeskundige Yvo Amar dat het blocking statute in de praktijk een dode letter is. Om het nog onvriendelijker te stellen: een wassen neus.

‘Je kunt niemand dwingen om handel te drijven met Iran, en dat wordt ook als clausule bij dat blocking statute vermeld,’ zegt de jurist, die in 2017 door het toonaangevende online magazine WorldECR werd verkozen tot beste jonge advocaat ter wereld op het gebied van sanctierecht en exportcontrole. ‘Verder is het zo dat bedrijven uit eigen beweging kunnen verkiezen geen handel te drijven met Iran. Dus niet omdat de Amerikanen het zeggen, maar omdat het hun eigen beleid is. Als zij hadden gezegd: wij kunnen niet anders dan voldoen aan de Amerikaanse sancties, hadden zij strafbaar gehandeld. Maar als ze de zaken anders voorstellen, zijn ze ineens niet strafbaar. Het is dan wel opvallend, om niet te zeggen behoorlijk doorzichtig, dat banken tot deze zogenaamd vrijwillige beleidswijziging kwamen, onmiddellijk nadat Amerika in 2018 uit de nucleaire deal was gestapt. Na de totstandkoming van die deal in 2015 namen ING en Rabobank juist deel aan een Nederlandse handelsmissie naar Iran. Ik was daar zelf bij. Toen was er dus wel animo voor handel met Iran.’

Yvo Amar

Yvo Amar, specialist in sanctierecht.

Het blocking statute beschermt bedrijven ook onvoldoende tegen Amerikaanse represailles. ‘Stel dat de Amerikanen je geen boetes kunnen opleggen – dan kunnen ze je nog wel op een zwarte lijst zetten, dat wil zeggen: Amerikaanse bedrijven verbieden zaken met je te doen. Dat is volkomen legaal.’

Wat dan de bedoeling is van zo’n ineffectief instrument als het blocking statute? ‘Om een politiek signaal af te geven. Er zitten in principe wel grenzen aan hoe ver je kunt gaan met de omzeiling ervan. Zeker in 2018 had je in een gerechtelijke procedure kunnen aanvoeren dat de banken de facto gehoorzaamden aan de Amerikaanse secondary sanctions. Dan had je beslist wel een zaak gehad. Dat is niet gebeurd, en nu hebben de meeste bedrijven zich neergelegd bij de situatie.’

Wel was er volgens Amar een andere zaak in 2019 die weliswaar niets met Iran te maken heeft, maar toch een aardige analogie oplevert. Het betrof de bedrijven PAM en Exact, die lange tijd gezamenlijk miljoenen verdienden aan klanten uit Cuba. PAM leverde software van Exact aan Cubaanse staatsbedrijven. De samenwerking stopte nadat Exact in februari 2019 werd overgenomen door een Amerikaanse investeringsmaatschappij en dus een Amerikaans bedrijf werd.

PAM vocht de opzegging aan bij de Nederlandse rechter, en met succes. ‘En dat terwijl Exact als Amerikaans bedrijf moet voldoen aan primary sanctions, en het blocking statute alleen op secondary sanctions van toepassing is,’ aldus Amer. ‘Toch verwees de Nederlandse voorzieningenrechter in zijn vonnis expliciet naar het blocking statute. Dat kan in contractuele verhoudingen dus wel een rol spelen.’

Een interessante vraag aan de banken is of ze hun beleid jegens Iran zullen herzien indien de Verenigde Staten weer toetreden tot het nucleair akkoord. Het is een strikvraag, want als ze die bevestigend beantwoorden, blijkt daaruit dat ze zich wel degelijk door Uncle Sam laten leiden, en niet door eigen afwegingen. Ze houden zich echter op de vlakte.

Heeft het voor Iraniërs of mensen die zaken willen doen met Iran dan toch nog zin te procederen? Dat is twijfelachtig, al was het maar omdat particulieren niet opgewassen zijn tegen banken met hun budget en batterijen advocaten.

In Engeland – het probleem speelt niet alleen in Nederland – wordt in ieder geval een poging gedaan, zo valt te lezen op de website van het Londense advocatenkantoor Ronald Fletcher Baker LLP. Het stelt dat Metro Bank de bankrekeningen van Iraanse en Britse staatsburgers, en van Britse bedrijven met Iraanse leidinggevenden, zonder kennisgeving en/of uitleg heeft beperkt.  Tussen eind mei en begin september 2019 zouden er 17 gevallen zijn onderzocht waarbij eisers geen toegang hadden tot fondsen of bankdiensten. Geen klant bleek onrechtmatig te hebben gehandeld, Niettemin bleven de rekeningen van veel eisers gesloten.

De advocate van Amerikaans-Perzische afkomst Rokhsareh Vahid, die als sanctie- en bankenspecialist bij Ronald Fletcher Baker werkt, zegt op de hoogte te zijn van meer dan vijftig andere gevallen waarbij Metro Bank de rekeningen van individuen en bedrijven die banden hebben met Iran, heeft beperkt en gesloten. ‘Ik heb,’ zo valt op de website van het advocatenkantoor te lezen, ‘met duizenden Iraniërs gesproken en maar al te vaak kon ik mijn tranen niet bedwingen. Van kankerpatiënten die moeite hebben om behandelingen te betalen, tot studenten die zich zorgen maken over de betaling van hun collegegeld, tot bedrijven die enorme kansen mislopen – stuk voor stuk onschuldige mensen die de gevolgen ondervinden van het plotselinge verlies van hun bankvoorzieningen vanwege hun Iraanse etniciteit of andere, al dan niet vermeende banden met Iran.’

Inmiddels telt de zaak 26 eisers, maar veel schot lijkt er nog niet in te zitten. Desgevraagd zegt Rokhsareh Vahid, op dit moment ‘helaas’ geen enkel commentaar te kunnen geven. Wel hoopt ze binnenkort met een persbericht naar buiten te komen.

Aangezien Groot-Brittannië op 1 februari 2020 uit de Europese Unie is gestapt, is het twijfelachtig of het blocking statute van de EU een belangrijke rol zal spelen in de zaak tegen de Metro Bank, ook al noemt Rokhsareh Vahid die regel wel. Het is echter evenzeer de vraag hoe belangrijk dat is. De Metro Bank maakt zich volgens haar namelijk ook schuldig aan discriminatie op basis van ras, en van schending van het Britse recht op gelijke behandeling.

Ondertussen is er een interessante parallelle ontwikkeling gaande, zo betoogt Jasper Schnezler van RWV advocaten. ‘De laatste twee jaar heeft naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme veel meer aandacht gekregen. Met name vanwege de witwasschandalen waarbij ING en recentelijk ook ABN/AMRO betrokken waren, en waarvoor ze inmiddels honderden miljoenen euro’s boete hebben moeten betalen, zitten de toezichthouders en het OM er tegenwoordig veel feller op. En dit betekent weer dat banken hun klanten veel nauwlettender in de gaten houden, en een steeds strenger beleid voeren ten aanzien van wat zij high-risk countries noemen. Ze zijn ook verplicht tot cliëntonderzoek, zij het met ‘’gepaste zorgvuldigheid”. Zoiets heet customer due diligence.’

Dat maakt het dus nog lastiger om aan te tonen dat de Nederlandse banken naar het pijpen van de Amerikanen dansen. Anderzijds verwacht Schnezler dat de wijze waarop banken verdachte klanten behandelen, de komende jaren tot meer processen zal leiden. ‘Het is het afgelopen jaar dagelijks werk geworden voor ons: mensen beschermen tegen al te stringent klantenonderzoek door banken – dus onderzoek dat kan uitmonden in het onterecht opzeggen van rekeningen. Banken hebben tegenwoordig enorme KYC-afdelingen: Know Your Customer. Wij stellen daar inmiddels een KYB-team tegenover: Know Your Bank.’

Uiteindelijk draait het, wat Iran betreft, om de vraag of het doel de middelen heiligt. Het verhaal tot een strikt juridisch kader beperken is onbevredigend. Uiteindelijk gaat het hier om internationale politiek. Is er kans dat de sancties leiden tot een vriendelijker, democratischer, menslievender bewind in Teheran? Of zelfs tot – toverwoord in Washington – regime change? Zo ja, dan zijn de problemen van de in dit artikel opgevoerde Iraniërs, en van de mensen voor wie de juriste van het Britse advocatenkantoor het opneemt, wellicht op te vatten als ‘collateral damage’. Er spelen grotere belangen: de val van de Islamitische Republiek. Eén Iraniër die ik spreek, en die nog niet zo lang geleden die republiek is ontvlucht, zegt zelfs het offer van geblokkeerd betalingsverkeer te willen brenger, als dit het einde van het mullah-regime dichterbij brengt.

Is daar met dit sanctiebeleid kans op? Op zijn minst twee deskundigen zeggen, apart van elkaar, heel ferm van niet. Toen de VS in 2018 uit de nucleaire deal stapten, presenteerde minister van Buitenlandse Zaken Mike Pompeo twaalf voorwaarden voor opschorting van de sancties. Aan geen van die eisen is tot op heden in de verste verten voldaan. Integendeel, zo valt uit de woorden van Midden-Oostendeskundige Erwin van Veen van het Instituut Clingendael op te maken. ‘Tezamen kon je de punten van Pompeo opvatten als regime change. Maar de logica dat je regime change kunt bewerkstelligen door economische ellende te veroorzaken, is nogal gebrekkig. In ieder geval wat Iran betreft. Dit regime zit stevig in het zadel, het controleert alle machtsmiddelen, het drukt elk verzet keihard de kop in, er is geen oppositie van betekenis. Met name dat laatste is zwaarwegend. Stel dat het bewind uit elkaar valt: krijgen we dan zomaar een nieuw, mooier bewind, als een Deus Ex Machina? Chaos en geweld, zoals we in Irak hebben gezien, liggen meer voor de hand.’

Sancties vervullen vooral een symbolische functie, betoogt Van Veen. ‘Ze suggereren dat je een krachtige politiek voert. In werkelijkheid is het niet heel moeilijk sancties te ontduiken. Het sanctieregime tegen Iran is volgens mij het meest veelomvattende dat ooit aan een land is opgelegd. Als je alle economische sectoren een voor een afsluit, en ook nog eens overheidsinstellingen op de zwarte lijst zet – dat gaat ver. Dat druist in tegen de grondslag van interstatelijk verkeer. De regel is: je kunt sancties opleggen, maar staten blijven wel met elkaar praten. Als gevolg van dit alles heeft de Iraanse economie forse klappen gekregen, maar op termijn zien we juist dat die zich herstelt. Dat komt ook omdat Iran veel minder afhankelijk is van olie en gas dan sommige Golfstaten, een veel diversere economie heeft. Terwijl het blokkeren van de olie- en gastoevoer toch de voornaamste Amerikaanse strategie is.’

De Iraans-Nederlandse historicus Peyman Jafari ziet economische sancties op dit niveau – waarbij niet alleen Iran maar ook landen die handel drijven met Iran sancties wordt opgelegd – als een vorm van oorlogvoering. En juist daarom werken ze averechts. ‘Iran kan de VS niet met gelijke munt terugbetalen. Het kan niet zelf sancties opleggen. Dus gaat het andere manieren zoeken om terug te slaan. Bijvoorbeeld door onrust te stoken in het Midden-Oosten, onder andere in Jemen en Irak. Dat maakt de Iraniërs in de ogen van de Westerse publieke opinie “agressief”. Sancties worden veel minder als daad van agressie gezien. Hoe dan ook is het streven van de Amerikanen om de Iraniërs een toontje lager te laten zingen in het Midden-Oosten totaal niet verwezenlijkt.’

Peyman_Jafari Lambert Meertens

De Iraans-Nederlandse historicus Peyman Jafaari. Foto Lambert Meertens

Daarnaast begint het Amerikaanse sanctiewapen volgens Jafari behoorlijk bot te worden. ‘Iran heeft geleerd van twintig jaar sancties. Ze jagen het land op kosten, dat wel, maar het heeft ook zijpaden gevonden, en een zogeheten verzetseconomie op poten weten te zetten, geholpen door de relatieve diversiteit van de economie. Iran is steeds meer goederen zelf gaan maken. Daarnaast hebben de sancties de elementen in het bewind versterkt die je juist weg wil hebben. Zoals de Revolutionaire Garde, die de grenzen controleert. Grenzen zijn zeer belangrijk voor het beheer van die eerder genoemde zijpaden. Daarnaast zijn corrupte elites het best toegerust om te profiteren van een informele economie die door sancties ontstaat.’

Zou de EU dan niet meer kunnen doen om de door haar beoogde, gematigder koers door te drukken? Weer zijn de deskundigen het eens: ja. ‘Ik denk dat het voor het Europese politieke leiderschap heel lastig is om de banken mee te krijgen, maar het had feller afstand kunnen nemen van – en meer bescherming kunnen bieden tegen – die secondary sanctions,’ zegt Yvo Amar. ‘Het beboeten van Europese bedrijven is de afgelopen tien jaar een soort verdienmodel geworden. Andersom heeft Europa dat nooit bij de VS gedaan. Dat mag best wat agressiever. Europa is geneigd zichzelf als kleine speler te zien op dit vlak, terwijl het dat helemaal niet is. Volgens mij zijn wij een belangrijker afzetmarkt voor China dan de VS. Dus als de EU zelf ook met secondary sanctions komt om de Amerikanen in het gareel te houden, zou dat over de hele linie effect kunnen hebben.’

Erwin van Veen vult aan: ‘Over de private sector heeft de EU weinig te zeggen, maar er zijn genoeg overheidsinstanties, zoals staatsbanken in bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland, of publieke kanalen waarmee, bijvoorbeeld, Iraanse olie had kunnen worden gekocht. Bedenk dat Europese overheden niet gevoelig zijn voor het Amerikaanse sanctieapparaat, aangezien ze niet op de Amerikaanse markt opereren. De politieke wil ontbreekt echter, en dat heeft natuurlijk ook te maken met de reputatie van Iran. Ook al sta je een andere politiek voor, Iran is niet echt een ruzie met de Amerikanen waard.’

De nieuwe wind die sinds de verkiezing van Joe Biden vanuit Washington waait zal zeer waarschijnlijk wel tot gevolg hebben dat de nucleaire deal nieuw leven wordt ingeblazen –  ook al waait er sinds de Iraanse presidentsverkiezingen op 18 juni een nóg guurdere wind uit Teheran. Ook het conservatieve presidentschap dat Iran sinds deze verkiezingen kent, heeft baat bij zo’n overeenkomst. Maar of dat op korte termijn tot een verbetering van het geldverkeer zal leiden, is niet zo heel waarschijnlijk. ‘Er moeten bankrelaties worden opgebouwd, en dat kost tijd,’ zegt Amar, ‘Europese banken moeten van de Europese Centrale Bank aan allerlei compliance-regelgeving voldoen, bepaalde reserves aanhouden, en dan moeten Iraanse banken die ook hebben. Probleem is dat Iran gewoon een arm land is. Dus is het zeer de vraag of die banken die reserves kunnen aanleggen.’

Voor je het weet is het dan alweer vier jaar later, en is Trump of een Trump-achtige opnieuw aan de macht, en geldt dan weer alleen de macht van de dollar, nog altijd het dominante internationale betaalmiddel. ‘De dollar’, analyseert zakenman ‘Reza Pavlavi’, ‘is een enorme monetaire olieplas. Zonder bodem, welteverstaan. Iedereen wil dollars hebben, en de Amerikanen hebben ze. Als ze even wat tekort komen, drukken ze gewoon wat bij.’

Toch denkt Amar dat de VS hun hand kunnen overspelen. ‘De macht van de dollar valt niet eindeloos uit te rekken. China, waartegen de VS ook sancties hebben lopen, heeft sinds kort eveneens een blocking statute. Daar heeft het nog niets mee gedaan, maar als het dat wel doet, kan het interessant worden. Het kan bedrijven straffen die aan Amerikaanse sancties tegen China voldoen. En dan zal het misschien lastig kiezen zijn tussen twee wereldmachten die zo zoetjes aan behoorlijk aan elkaar gewaagd zijn.’

Iran China deal_Tasnim News Agency

De Chinese minister van Buitenlandse Zaken Wang Yi (links) en zijn Iraanse collega Mohammad Javad Zarif geven elkaar een elleboogje nadat ze een overeenkomst voor een 25-jarig strategisch samenwerkingsprogramma hebben beklonken. Foto Tasnim News Agency

Dan heeft Iran misschien de toekomst aan zijn zijde. Want het heeft twee maanden geleden met China een samenwerkingsovereenkomst voor de komende 25 jaar getekend, waarbij China 400 miljard dollar zal investeren in Iraanse havens, spoorwegen, zorg en telecommunicatie, in ruil voor goedkope Iraanse olie.

Of dit de zuster van Farzaneh sneller aan een beter zuurstofapparaat zal helpen, is hoogstwaarschijnlijk te veel gehoopt. Zij blijft het slachtoffer van een overijverige Nederlandse bank. En van Amerikaanse symboolpolitiek waaraan weinigen geloof hechten, waaraan iedereen zich ergert, maar waaraan niemand paal en perk kan of wil stellen. Het is een typisch geval van hoe gewone burgers op onnavolgbare wijze door internationale politiek worden gemangeld, zonder enige aanwijzing dat dit tot een betere, veligere wereld zal lijden.

Bijschrift hoofdfoto: Nederlandse Iraniërs vieren het Perzisch natuurfeest (2011, locatie onbekend).