Een misverstand over Baudelaire

baudelaire9

DOOR CARL STELLWEG

Het eerste wat me opviel toen ik het douanekantoor betrad, was de muziek. Een zoetgevooisde Franse mannenstem zong: Mon enfant, ma soeur/Songe à la douceur/D’aller là-bas vivre ensemble. Ik kende het: Baudelaires bloemen van het kwaad, op muziek gezet en ten gehore gebracht door Leo Ferré. Op de valreep een lichtpunt van beschaving in de afvalbak van Europa.

YouTube voorvertoningsafbeelding

‘Mooie muziek,’ zei ik tegen de beambte. Hij zat achter een aftands bureau, waarop een computer stond die er opmerkelijk nieuw uitzag. Onder zijn reusachtige politiepet zag ik zachte, grijsblauwe ogen. Ik vond ze niet erg bij de pet passen. Er was niemand anders in het kantoor. Hij was hier op zichzelf aangewezen. En het was hier al zo afgelegen, op deze slecht begaanbare bergpas.

Hij glimlachte en zei: ‘Paspoort.’

Ik overhandigde hem mijn gewone paspoort maar. Een diplomatiek paspoort wekt soms argwaan. Hij bladerde erin en keek mij verrast aan.

‘Nederlander,’ zei hij. ‘Dan zal dit u wel aanspreken.’

Hij wees naar de kleine stereo-installatie op een wankel kastje in een hoek van het sobere vertrek. Uiteraard doelde hij niet op de installatie zelf, maar op de klanken die eruit kwamen.

De douanier had Frans gesproken. De taal van de diplomatie, die ik perfect beheers. Perfecte beheersing van op zijn minst vier Europese talen is een van de vereisten van mijn vak. En dan bedoel ik niet het vak waarmee ik naar buiten treedt, maar het vak dat ik in werkelijkheid en in alle discretie beoefen, en dat voor weinigen is weggelegd. Sommige beroepen zijn onzichtbaar, sommige prioriteiten en methodes even noodzakelijk als niet uit te leggen.

Aimer à loisir/Aimer et mourir/Au pays qui te ressemble, zong de Franse Bard Leo Ferré.

YouTube voorvertoningsafbeelding

‘l’ Invitation au voyage,zei ik. ‘Uit Les Fleurs du Mal van Baudelaire. Mooie muzikale interpretatie.’

‘Ah, een kenner!’ zei de douanier opgetogen. ‘l’ Invitation au voyage schijnt over uw land te gaan.’

‘Dat heb ik ook gehoord. Vanwege de soleils mouillés en de ciels brouillés. En de canaux en de vaissaus en zo.’

‘Ik ken weinig dichters die hun eigen land zo lyrisch en tegelijkertijd zo afstandelijk bezingen.’

Ongebruikelijke tekst voor een douaneambtenaar. Maar wat bedoelde hij?

‘Wat bedoelt u?’ vroeg ik.

‘Baudelaire was toch – een Nederlands dichter?’

Ik lachte. ‘Hoe komt u daarbij? Baudelaire was een Fransman. Hij schreef toch in het Frans?’

‘Frans is toch ook de taal van uw land?’

‘Ik kan u met gepaste trots melden dat wij Nederlanders een eigen taal hebben.’

De man schoof zijn pet iets naar achteren.

‘Grenst Nederland dan niet aan Frankrijk?’

Ik zei hem dat Nederland aan Duitsland en België grenst. En dat die twee landen wél aan Frankrijk grenzen.

En na een korte stilte: ‘U bent waarschijnlijk in de war met België. Dat is ongeveer zo groot als Nederland. En daar is Frans wel een nationale taal.’ Ik kon het niet laten eraan toe te voegen: ‘Naast het Nederlands.’

‘Ach,’ zei hij. ‘Zo ziet men maar weer. Af en toe denken wij er in dit land iets van te begrijpen. Steeds blijkt dan hoe groot onze achterstand nog is. Misschien overbruggen we die wel nooit.’

Les soleils mouillés/de ces ciels brouillés/pour mon esprit ont les charmes/si mystérieux/ de tes traîtres yeux/brillant à travers leurs larmes, ging Leo Ferré verder.

‘Niet zo pessimistisch,’ zei ik.

De man inspecteerde mijn paspoort weer en tikte mijn gegevens in zijn computer. Dat beviel me niet.

Ik luisterde naar Ferré: …Là, tout n’est qu’ordre et beauté/luxe, calme et volupté…

YouTube voorvertoningsafbeelding

‘Houdt u van poëzie?’ vroeg ik.

‘Ik had docent Europese literatuurgeschiedenis willen worden,’ zei hij afwezig, nog steeds turend naar het scherm.

Wie niet, dacht ik. ‘Dan neem ik aan dat u van poëzie houdt,’ zei ik.

Zijn blik verscherpte zich. Hij had iets op zijn computer ontdekt.

‘Ik moet u iets zeggen,’ zei hij.

‘Zegt u maar,’ zei ik,  iets te afgemeten, iets te beheerst.

‘Er heeft eergisteren een dodelijk incident plaatsgevonden in onze hoofdstad.’

‘Dat komt helaas nogal eens voor in uw hoofdstad, heb ik begrepen.’

Ik had, met mijn ervaring, een verstandiger antwoord kunnen geven.

‘Drie mensen zijn op een niet-natuurlijke wijze om het leven gekomen.’

‘Dat valt altijd te betreuren,’ zei ik.

Des meubles luisants/polis par les ans/décoreraient notre chambre, klonk het vanuit een hoek van het kantoor.

YouTube voorvertoningsafbeelding

‘Er was een afscheidsbrief. De politie heeft haar twijfels. Zelfmoorden voltrekken zich meestal op een wat… andere wijze.’

‘Wilt u zo vriendelijk zijn mij ogenblikkelijk uiteen te zetten wat ik in vredesnaam hiermee te maken heb?’

De beambte zette zijn pet af. Een gebaar dat ons in één keer tot gelijken leek te maken, alsof we nu een eerlijk, open vuistgevecht konden aangaan. Hij had kort geknipt, grijs haar. Gesoigneerd. Hij boog iets voorover. Zijn ogen richtten zich op de mijne. Zijn uitdrukking was er een van droevige bezorgdheid.

‘Meneer,’ zei hij zacht. ‘Meneer, luister. U was in de buurt. Heel dicht in de buurt. Dat staat vast. En de dag daarvoor hebt u in een andere stad vreemde vragen gesteld over de slachtoffers. Dat zijn de feiten.’

Hij zette zijn pet weer op. Gelijktijdig schoof het doek van mijn innerlijke bioscoop open. Ik was weer in de andere stad, in Ilie’s Mercedes, die van hetzelfde blauw was als zijn pak. Geen hemelsblauw, eerder het blauw dat je aantreft in babykamers voor jongetjes: een simpel lichtblauw zonder diepte dat past bij elk mannetje dat de babykamer niet is ontgroeid, met alle gruwelijke gevolgen van dien.

Ik mocht naast hem zitten, twee begeleiders namen achterin plaats. Hij drukte op een knop, beukende turbofolk begeleidde ons op een kleine excursie langs zijn goede werken.

Een sportveldje met lage tribunes. ‘Stadion,’ riep hij boven de muziek uit. ‘Geld van Ilie.’  Een gelijkvloers wit gebouwtje. ‘Kliniek,’ meldde hij, en wees naar zichzelf.

We stopten bij een groot, vervallen gebouw op een heuveltop. Binnen omspoelden haveloze kinderen ons. Verder alleen lege gangen en vertrekken. Geen volwassenen. Ilie streek kinderen over het hoofd en vroeg iets aan één van zijn begeleiders. Die richtte voor het eerst het woord tot me: ‘Ilie wants to say this is an orphanage. He paid for a part of it.’

‘I see,’ antwoordde ik. A part of it.

‘He’s the main stakeholder.’

Aandeelhouder in een weeshuis. Ik had het goed gehoord.

‘I work for the municipality,’ voegde de man eraan toe.

‘Really,’ zei ik.

‘Ilie is a terrific guy,’ zei hij berustend. ‘Remember that.’

We reden terug naar de stad. Er was veel verkeer, maar een man met Ilie’s status kon het zich kennelijk niet permitteren te remmen. Of misschien kwam remmen niet als mogelijkheid in hem op. Hij toeterde onophoudelijk, als een robot, iedereen moest opzij voor Ilies babykamerblauwe bolide. Niemand keek verontwaardigd op. Een enkele keer ontmoetten we de schichtige blik van een in lompen gehulde bejaarde die zich nog net in veiligheid wist te brengen.

Ik observeerde Ilie zijdelings. Hij had een bijzonder hoofd. Het hoofd van een ouderwetse sociaal werker. Of van een moderne hippie. Het lange haar en de onzorgvuldig getrimde ringbaard vormden een boeiend contrast met zijn blauwe pak en auto, het wapen dat in zijn broekzak bolde, en vooral de versteende, gekwelde uitdrukking op zijn gezicht. Een gangster was een hele aparte, voor hele andere zaken dan geluk bestemde mensensoort. Ook besefte ik, zonder concrete aanwijzing, dat ik volkomen veilig bij hem was. En niet alleen vanwege het geld.

Ik wist wat Ilie deed. Hij smokkelde. Het maakte niet uit wat, als het maar genoeg opleverde. Mensensmokkel leverde het meeste op. Hij liquideerde soms. De slachtoffers waren niet altijd zorgvuldig gekozen. Hij bezat ook een aantal hotels. Etnisch verwante vluchtelingen uit een officieus buurstaatje had hij er kosteloos ondergebracht. Hij zag zichzelf in de eerste plaats als entrepreneur, maar speelde met de gedachte de politiek in te gaan. Hij werkte heel hard, maar begon de dag met cognac, en besloot de dag ermee. Gisteravond had hij mij aan de borst gedrukt, een paar klapzoenen gegeven, en ‘I love you’ tegen me gezegd.

Ik hield ook van Ilie, op een bepaalde manier, al kende ik hem nog maar kort. Ik kon het niet helpen. We hadden elkaar nodig.

*

In het douanekantoor verhief ik mijn stem: ‘Ik weet niet wat ik hoor! Dit is een schandaal! Als uw overheid buitenlanders nog steeds schaduwt, zoals in de slechte oude tijd, laat ze zich dan in ieder geval beter van haar taken kwijten! Want hier klopt niets van! Ik heb hier niets mee te maken!’

De beambte leunde weer achterover en produceerde een flauwe glimlach. Hij nam mijn paspoort in zijn hand, leek het me heel even te willen overhandigen, om zich op het laatste moment te bedenken.

‘Blijft u kalm, alstublieft,’ zei hij. ‘Er is een verdachte aangehouden. Ze schijnt al een bekentenis te hebben afgelegd. Over u repte ze met geen woord. Dus…’

Ze? Is het – een vrouw?’

Les plus rares fleurs/Mêlant leurs odeurs/Aux vagues senteurs de l’ambre, klonk het ondertussen.

‘Zij zou hebben samengewerkt met moslim-extremisten. De slachtoffers beheerden een buitenlandse stichting ten behoeve van weeskinderen. Christelijk. Vandaar, misschien. De motieven van de vrouw zijn nog wat onduidelijk. Misschien was het iets persoonlijks. Dit is alles wat ik u over deze zaak kan mededelen.’

Les riches plafonds/les miroirs profonds/la splendeur oriëntale…

YouTube voorvertoningsafbeelding

‘Moslim-extremisten…’ vervolgde de beambte.

‘Wat is ermee?’ vroeg ik.

‘Het lijkt soms alsof ze vrij spel hebben. De gekoesterde vijand zijn.’

‘Ik kan u niet volgen.’

‘Nee?’ Hij klonk teleurgesteld, alsof ik niet zo schrander was als hij had gedacht.

‘Ik heb wel eens het idee dat ze een dekmantel zijn,’ vervolgde hij. ‘Of een voorwendsel om de argeloze burger koest te houden. Aan de andere kant…’ – hij maakte een vergoelijkend gebaar – zijn stichtingen voor weeskinderen ook niet allemaal te vertrouwen. Kunnen ook zij dekmantels zijn. U kent de verhalen wel.’

‘Niet echt.’

‘Laat ik het zo zeggen: de huidige wereld is er niet een van blokken, waarvan men het een als ‘goed’ en het ander als ‘fout’ kan bestempelen, al naar gelang heersende humeuren, nee, de huidige wereld wordt bijeengehouden door netwerken, die nergens beginnen, nergens eindigen, niet uiteen te rafelen zijn en waarvan men het bestaan soms niet eens kent, omdat ze zich grotendeels onder de oppervlakte ontwikkelen,’ zei hij. ‘Waar begint ‘goed’ dan, en waar ‘fout’? Ik verlang niet terug naar de slechte oude tijd, zoals u het zo-even snedig formuleerde, maar die was wel iets overzichtelijker. De goede nieuwe tijd is niet altijd even goed gebleken als we hier hadden gehoopt. Ze stelt ons voor raadselen, en niet altijd aangename raadselen. Weet u hoe de vrouw heet die is aangehouden?’

‘Hoe moet ik dat weten?’

‘Hoe moet ik weten wat u moet weten? Liridona heet ze. Enig idee wat dat betekent?’

Hij boog voorover, de rand van zijn pet raakte bijna mijn voorhoofd. Zijn adem rook naar slechte sigaretten.

Ik zweeg. Een paar tellen keken we elkaar bloedernstig in de ogen.

‘Dat betekent: Geef ons vrijheid.’

*

Een bobbelig plaveisel van vastgekoekt vuil bedekte de weg naar een meertje buiten de stad waarin ik de betonnen brokstukken van geschutskoepeltjes zag ronddrijven. We sloegen  een onberispelijke oprijlaan met kitschlantaarns in. Voor ons doemde een groot, luguber uitgelicht roze bouwsel op, met zuilengalerijen en waterpartijen. Ilie’s roverspaleis.

Er was een feest gaande. Het merendeel van de gasten bestond uit smaakvol geklede vrouwen, van wie de meesten hier geboren en getogen bleken, en uit een groot aantal weeshuiskinderen.

Samen met mij dronk Ilie in korte tijd een fles lokale cognac op en ging toen met de weeskinderen dansen op luidruchtige turbo-folk. Hij nam een klein meisje op de schouders, hield haar handjes vast. Hij straalde. Het kleine meisje ook. Hoog op Ilie gezeten voelde ook zij zich volmaakt veilig. De andere kinderen stuiterden uitgelaten om hem heen. In het ruime vertrek waren de protserige meubels aan de kant geschoven.

Het bleek dat weeshuiskinderen elke week wel een avond bij Ilie te gast waren. Verder hield hij regelmatig audiëntie voor mensen die om een gunst kwamen vragen. Deze avond waren dat vooral vrouwen die leiding gaven aan non-gouvernementele humanitaire organisaties in dit district – mannen leken zich hier niet met humanitair werk bezig te houden.

De vrouwen hoopten, na Ilie’s bemoeienis met een weeshuis, op nog meer geld voor goede doelen. Weliswaar had hij de stad al veel gegeven, maar dat weeshuis leek toch een keerpunt te zijn: voor het eerst had Ilie geld gestoken in een project zonder enige voorwaarden vooraf.

Nog maar een paar duwtjes had Ilie nodig, dan zat hij definitief op het rechte pad.

Dat vertelde Liridona me. Ze stelde zich aan mij voor als directeur van een ngo. Ze gaf ook les aan de universiteit. Ze had donker haar en blauwe ogen en was onwaarschijnlijk aantrekkelijk. Ik zei dat ik hier was namens een Nederlands ontwikkelingsorganisatie. Ze onderbrak me: ‘Ik weet waarvoor je hier bent.’

Later op de avond waren alle weeskinderen in slaap gevallen, op banken, stoelen, op de grond, soms onder een dekentje, en waren alle vrouwen dronken, dus ook Liridona. En dronken was ze nog begeerlijker dan nuchter. Geil en zwaarmoedig hing ze om mijn nek, drukte haar borsten tegen me aan, terwijl we in het schemerduister op Neneh Cherry en Youssou N’Dour dansten. ‘Neen me mee, schoft,’ fluisterde ze met een vochtige mond in mijn oor. ‘Ik wil wel eens een keer beginnen met leven.’

Aan de muur hingen grote foto’s van Ilie met de huidige president – en met de vorige, die nu in de gevangenis zat.

‘Ilie is onze enige hoop,’ had Liridona gezegd. ‘Van welke kant je het ook bekijkt.’

Ze kende hem van kindsbeen af. Een gewone jongen, zeker geen hoogvlieger, wat hoekig en verlegen. Toen hij veertien was, werd zijn vader gearresteerd. Niets zou men ooit nog van hem vernemen. Met zijn moeder gebeurde drie jaar later hetzelfde. Vanaf dat moment stond Ilie er alleen voor. Zijn broers en zussen waren allemaal jonger. Andere familieleden woonden in andere steden. Contact met hen was niet mogelijk. Om van district naar district te reizen was toestemming nodig van de autoriteiten. Interlokaal bellen bestond niet en brieven kwamen meestal niet aan. Als men al wist naar welk adres een brief moest. Mensen wisten bijna niets van elkaar, wantrouwden elkaar, losten in het luchtledig op. Hele families werden uiteengereten. Het lot van tienduizenden burgers bleef onopgehelderd. De slechte oude tijd.

‘Liridona very good lady,’ zei Ilie tegen me, toen we buiten stonden, aan het begin van de oprijlaan. Tien meter verderop begon het meertje. Het werd spaarzaam verlicht door Ilie’s kitschlantaarns, verder was het donker. In de stad was al nauwelijks straatverlichting, laat staan buiten de bebouwde kom.

Ik zag de contouren van een autowrak dat op zijn rug in het water ronddobberde. In de verte, vermoedelijk uit andere roverspaleizen, klonk ook beukende turbofolk. Het stonk uit alle windrichtingen.

Ilie had me naar buiten genood omdat hij iets met mij wilde bespreken. Maar nu was hij stilgevallen. Hij leek te aarzelen. Dus begon ik er zelf maar over.

‘Ilie,’ zei ik. ‘Jij kent de stichting. Je weet wat ze doen.’

Hij knikte. ‘Zijn geen goede mensen. Helemaal geen goede mensen.’

Even later voegde hij eraan toe: ‘Zij moeten zelf weten wat zij willen. En wat er dan gebeurt.’

Ik knikte. Een waar woord.

‘Ik breng jou,’ zei Ilie.

‘Wanneer?’ zei ik.

‘Morgen. Ik breng jou. Ik haal jou. Alles geregeld. Mijn gast is altijd honderd procent veilig.’

‘Het zijn er toch drie, hè?’

‘Drie,’ zei hij, en stak ten overvloede drie vingers op.

Het speet Ilie dat hij niet meer kon doen. Op dit moment kwam het slecht uit. Toch moest het nu gebeuren. Hij haalde zijn pistool uit zijn broekzak en hield me dat voor.

‘Nee, Ilie. Dankje.’

‘Hoe?’

‘Anders.’

‘Liridona denkt dat het is om geld,’ zei hij. ‘Maar Liridona weet niet alles.’

‘Heb jij kinderen, Ilie?’

‘Jongen van vier, meisje van zes. Zijn met mama bij oma, in de bergen. In de bergen is het beter.’

‘Jammer dat ik je vrouw niet heb ontmoet.’

‘Vrouw is Grieks,’ antwoordde hij. ‘Niemand aardig voor vieze vluchteling in Saloniki. Behalve één meisje. Zij werd mijn vrouw. Familie was tegen, maar zei zij: hij is de man met wie ik trouw. Ik trouw met de vieze vluchteling. En toen ik dus getrouwd was met Griekse, en geld ging verdienen, veel geld…’ Hij knipte met zijn vingers: ‘Magic trick. Iedereen aardig.’

Een effectvolle pauze, en daarop: ‘Mijn hart werd zwart, ja? Zwart.’

Toen we weer naar binnen gingen, lag zijn hand op mijn schouder.

*

‘Zijn de straffen in uw land streng?’ vroeg ik de douanebeambte.

…Tout y parlerait/à l’âme en secret/sa douce langue natale…

‘Wat interesseert dat u? De straffen in mijn land zijn soms streng, soms zeer coulant. Het hangt er vanaf…’

Hij speelde met mijn paspoort tussen zijn vingers.

Even klonk alleen nog de stem van Ferré in het vertrek: …Là, tout n’est qu’ordre et beauté/luxe, calme et volupté…

YouTube voorvertoningsafbeelding

‘U bent maar vijf dagen in ons land geweest,’ hervatte de man.

‘Ik geef toe, dat is niet lang genoeg om het ook maar bij benadering te leren kennen.’

‘Hebt u uw tijd toch nog zinvol kunnen besteden?’

‘Ik heb een aantal zeer hartelijke ontmoetingen gehad.’

‘Dat doet me plezier. Het is altijd prettig om in een vreemd land mensen tegen te komen die de weg weten. Die de bezoeker ook kunnen behoeden voor onverwachte problemen en gevaren. Die invloedrijk genoeg zijn om hem te beschermen, mocht dat nodig zijn. Soms is dat nodig. Ach, u begrijpt wel wat ik bedoel.’

Hij hield me het paspoort voor, net buiten mijn bereik – het wipte plagerig tussen zijn vingers.

‘Hoeveel geld hebt u bij u?’ vroeg hij met licht gedempte stem. ‘U kunt beter geen al te laag bedrag noemen.’

‘Vijfhonderd euro,’ zei ik.

‘Dan bent u mij vierhonderd euro douanebelasting verschuldigd, cher monsieur.’ De rollende r’s gaven zijn Frans extra cachet. Alsof hij  uit de Provence kwam.

Zwijgend overhandigde ik hem het geld. Hij gaf me mijn paspoort terug.

‘Dan rest mij niets anders dan u een behouden terugreis te wensen naar uw land van ordre et beauté. Ik zal niet vergeten dat men er het Frans weliswaar vlekkeloos beheerst, maar ook een eigen taaltje bezigt. Een advies nog: in mijn land zijn ordre et beauté, luxe, calme et volupté schaars. Dat zal u zijn opgevallen. Ook kunnen invloedrijke vrienden van de ene op de andere dag in de problemen raken. Ik raad u daarom aan een tweede bezoek, mocht u dat overwegen, voor enige tijd uit uw hoofd te zetten.’

‘Ik stel uw advies op prijs, al betwijfel ik het nut ervan,’ zei ik, waarop ik me omdraaide en stijfjes naar buiten liep.

Daar stond, enkele meters verder, mijn oude gehuurde Simca, niet al te veilig in de berm van een hobbelige bergweg geparkeerd. Er scheen een felle zon. Achter de volgende bocht lonkte het buurland.

In de verte hoorde ik Leo Ferré nog. Het leek of de douanebeambte hem harder had gezet, als om de eenzaamheid te verjagen. Het was hier een erg rustige grensovergang.

Vois sur ces canaux/dormir ces vaisseaux/dont l’humeur est vagabonde/c’est pour assouvir/ton moindre désir/qu’ils viennent du bout du monde

Liridona very good lady, dacht ik met een zekere weemoed, voordat ik in mijn auto stapte.

YouTube voorvertoningsafbeelding

 

Iraanse Nederlanders: gekneveld en gediscrimineerd door Nederlandse banken

Iraniërs in Nederland vieren het Perzisch Natuurfeest. 2011, locatie onbekend

Iraanse Nederlanders kunnen geen geld overmaken naar hun land van herkomst, of er geld uit ontvangen. Nederlandse banken staan dit niet toe. Bovendien moeten Iraniërs zich verantwoorden bij de kleinste verdenking van financieel contact met het moederland, en mogen ze soms geen zakelijke rekening openen. Is het optreden van de Nederlandse banken wettig? In ieder geval niet naar de geest. Toch komen ze ermee weg.

Carl Stellweg

Een wat merkwaardig maar eenvoudig op te lossen akkefietje. Waarschijnlijk een soort misverstand. Dat was het eerste wat Farzaneh dacht nadat ze een brief van ING had ontvangen. Ze had net 500 euro overgemaakt naar haar zuster in Duitsland. Kort daarop kwam het bericht van haar bank: transactie geblokkeerd, vriendelijk verzoek een paar vragen te beantwoorden.

Zoals: waarom stond het woord ‘Iran’ in de omschrijving van de transactie? Waar was het geld voor bedoeld? En had mevrouw direct of indirect bemoeienis met ‘Iraanse partijen’?

Farzaneh, een in Noord-Holland wonende sociaal werker van Iraanse afkomst, had het geld overgemaakt om bij te dragen in de aanschafkosten van een tweedehands zuurstofapparaat voor een derde zuster, in Teheran, die lijdt aan een ernstige longziekte. Het toestel dat die zuster nu had deed het niet goed meer, en ze kon geen nieuwe betalen. Bovendien werkte het niet op batterijen. Aangezien de stroom in Teheran steeds vaker uitvalt, kon dat levensbedreigend zijn. Ook was het apparaat niet draagbaar, waardoor de gebruikster aan huis was gekluisterd. Het exemplaar dat de zuster in Duitsland had gevonden, was dat wel, dankzij die batterijfunctie.

Dit alles legde Farzaneh wat korter uit. Wat ging het ING aan? Ze vatte samen dat het geld bedoeld was voor de aankoop van een medisch apparaat, te versturen naar familie in Teheran. Dat volstond wel. Wat de andere vragen betrof: de vermelding van de naam ‘Iran’ was om duidelijkheid te scheppen voor de boekhouder die haar administratie bijhield. Bemoeienis met Iraanse partijen? Nou, nee.

Mailtje verstuurd, zaak opgehelderd. Dacht ze.

Niet dus. ING ontpopte zich tot een rupsje-nooit-genoeg. Althans volgens Farzaneh. Er volgden tal van e-mails met verzoeken om steeds gedetailleerdere, steeds persoonlijkere informatie.

Wat voor bedrijf had mevrouw?

Ze legde uit dat ze een zzp’er was die sociaal werk verrichtte. Ze regelde PGB-hulp voor Perzisch sprekenden. Daarvoor huurde de gemeente haar in.

Aha. Maar waarom waren al haar klanten Perzisch?

Nou, omdat ze dat zelf was. Dat was handig voor die klanten.

Goed, maar waarom betaalde de Sociale Verzekeringsbank haar uit? Wat voor ‘tegenprestatie’ leverde ze?

Simpel: als het om PGB gaat, ontvangen zorgverleners hun honorarium van de Sociale Verzekeringsbank.

Kon zij daar dan ook ‘bewijsstukken’ van overleggen? Kon ze inzage geven in haar bedrijfsvoering?

Beetje bezwaarlijk, antwoordde Farzaneh, want dan kreeg de bank ook privégegevens van cliënten te zien, en dat leek haar niet correct.

Maar als mevrouw een eigen bedrijf had, waarom beschikte ze dan niet over een zakelijke rekening?

Omdat een ING-medewerker haar zelf had gezegd dat dit voor zzp’ers niet nodig was.

Het was de bank inmiddels ook opgevallen dat ze met enige regelmaat kleine bedragen overmaakte naar mensen met Iraanse namen in Nederland. Hoe zat dat?

Farzaneh en haar man, legde ze uit, zijn in hun Noord-Hollandse woonplaats actief in een Perzische christelijke huisgemeente. Die bedragen waren kleine tegemoetkomingen in de reiskosten voor leden die wat ver weg wonen. Kortom: christelijke liefdadigheid.

Enzovoorts, enzovoorts. De informatiehonger van de bank drong de levensbedreigende omstandigheden van haar zuster in Teheran naar de achtergrond. En dus kwam onvermijdelijk het moment dat de sociaal werker haar zelfbeheersing verloor en huilend bij ING aan de telefoon hing: ‘Ik werd er zo verdrietig van. Ik ben een zorgverlener en ik probeer alles zo netjes mogelijk af te handelen. Ik voelde me als een crimineel behandeld.’

De ING-medewerker reageerde meelevend, zoals ING in de hele correspondentie een hoffelijke toon handhaafde. Zwaarwegender was echter dat de bank volgens Farzaneh naliet de kwestie op een bevredigende manier af te ronden. De stroom e-mails stopte op zeker moment, en dat was het. Toen Farzaneh na een maand of twee nog eens contact opnam om te vragen of alles nu in orde was, luidde het opmerkelijke antwoord: ‘Op dit moment wel.’

Ondertussen zijn die 500 euro nooit bij de zuster in Duitsland aangekomen. Een tweede poging, nu zonder vermelding van Iran in de omschrijving van de transactie, werd opnieuw geblokkeerd. Het nieuwe apparaat kost in totaal 1200 euro, de zuster in Duitsland kan dat bedrag niet in haar eentje ophoesten, en dus is er ook geen verandering gekomen in de benarde situatie van de zuster in Teheran.

Het verhaal van Farzaneh is moeilijk te verifiëren. Maar wat voor reden zou ze hebben om niet de waarheid te vertellen? Iraniërs in Nederland zijn mediaschuw. Farzaneh, die in 2002 als politiek vluchteling naar Nederland kwam, wil niet dat haar achternaam wordt vermeld, en dat geldt voor de meeste Iraniërs met wie contact is geweest in verband met dit verhaal. Velen aarzelen om met hun ervaringen over de brug komen, sommigen trekken zich terug. De reden is dat ze niet op de radar van het bewind waarvoor ze ooit vluchtten willen verschijnen. Zelfs niet als wat ze te melden hebben niet bezwarend is voor dat bewind.

Een antwoord van ING op vragen – niet over het specifieke geval van Farzaneh, maar wel over dit soort praktijken – blijft na een volle werkweek uit, ondanks de toezegging dat het binnen die termijn zou komen.

Het gaat echter niet alleen om ING. Geen enkele grootbank in Nederland staat geldverkeer met Iran toe, of slechts zeer mondjesmaat. Dit betekent dat het voor de pakweg 50.000 ingezetenen van Iraanse afkomst in Nederland onmogelijk is om een veilige financiële relatie met familie in Iran te onderhouden.

Dat is tot daaraan toe: ook bij overboekingen die niets met hun land van herkomst te maken hebben, ondervinden Iraniërs hinder: kwestie van een algoritme bij de banken dat aanslaat zodra in een omschrijving een ‘verdacht’ woord opduikt.

De gevolgen zijn soms verstrekkend, zoals hierboven geschetst. Soms zijn ze wat subtieler. Zo vroeg Farid Sheek (27), een succesvolle muzikant die tien jaar geleden naar Nederland kwam, een zakelijke rekening aan bij ABN/AMRO. Na een week had hij nog geen antwoord. Toen hij belde, werd hem verzocht om op kantoor te komen. Waarvoor hij zo’n rekening nodig had, vroeg men hem. Voor zijn muzikantenbedrijf, zei Farid, de Kamer van Koophandel had hem dat aangeraden. Sorry, was het antwoord, wij doen niet aan zakelijke rekeningen voor Iraniërs.

En waarom niet? Vanwege de internationale sancties die al jaren tegen Iran van kracht zijn. En die sancties zijn weer vanwege de slechte naam van het land op het gebied van mensenrechten, de steun aan allerlei terroristische of semi-terroristische entiteiten zoals de sjiitische beweging Hezbollah in Libanon, en de alliantie met Bashar al-Assad, de slager van Syrië.

Last but not least: Iran wordt ervan verdacht kernwapens te willen maken.

Alle banken wijzen erop dat het zelfstandige ondernemingen zijn die zelf mogen bepalen met wie ze in zee gaan. Hun risk appetite – jargon voor risicobereidheid – ten aanzien van mensen die banden hebben met landen als Iran is relatief laag. Het is niet anders.

Dit is de standaarduitleg als er verhaal bij de banken wordt gehaald over hun discriminerende gedrag jegens Iraniërs.

Ondertussen is er iets dat Farid niet snapt. ‘Mijn familie is juist gevlucht voor dit regime. Nu hebben uitgerekend wij te lijden van de politiek tegen datzelfde regime. Daarnaast: ik heb de Nederlandse nationaliteit, ik heb een werkvergunning, ik sta ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als muzikant. Mijn muziek is overwegend instrumentaal. Mijn motto is: muziek verbindt, politiek ontbindt. Ben ik dan een risico?’

Probeer het bij een andere bank, was het advies van ABN/AMRO, en inderdaad: bij ING (!) kon hij wel een zakelijke rekening openen. Sindsdien heeft hij geen problemen meer gekend, maar het gevoel van ongelijke behandeling is gebleven. Voor hetzelfde geld had ING hem ook geweigerd. Dat valt op geen enkele manier te voorspellen.

Nog een voorbeeld. Foozhan, een 24-jarige studente internationaal recht die ook al tien jaar in Nederland woont, merkte dat haar rekening was geblokkeerd toen ze een keer wilde pinnen. Ze ging naar een Rabobank-kantoor in Den Haag, maar daar kon niemand haar uitsluitsel geven. Bij een vestiging in Rotterdam die ze zonder afspraak binnenliep, wist een medewerker haar na lang wachten te vertellen dat het ging om een ‘onderzoek’. Vanwege wat? Vanwege het feit dat ze uit Iran kwam en er sancties golden tegen Iran, kreeg ze te horen.

‘Dat vond ik maar raar,’ zegt Foozhan, ‘ik ben een student, dus ik doe niks. Ik raak wel snel in de problemen als mijn bankrekening wordt geblokkeerd.’

Met andere woorden: wat is belangrijker? De risk appetite van een bank, of het financiële gevaar waaraan een vermoedelijk volstrekt onschadelijke studente als gevolg van die risk appetite wordt blootgesteld? Iedere volwassene in Nederland heeft een bankrekening nodig. Banken zijn dus niet zomaar ondernemingen, ze hebben ook maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Na twee weken kon Foozhan weer pinnen. Wat het onderzoek behelsde is haar nooit verteld. ‘Een jaar eerder ben ik op vakantie geweest in Iran. Ik heb me vaak afgevraagd of het daar iets mee te maken had. Anderzijds: ik heb daar mijn bankpas niet gebruikt, die werkt niet eens in Iran, dus hoe konden ze dan weten dat ik er was geweest?’

Een woordvoerder van de Rabobank zegt dat een rekening nooit zomaar wordt geblokkeerd. Hij wijst er verder op dat na klachten in 2017, die tot enige mediapubliciteit leidden, ‘de instructies zijn aangescherpt’, waardoor wat Foozhan zegt te hebben meegemaakt, niet meer had mogen voorkomen.

Foozhans ervaringen lijken echter niet heel bijzonder. Neem Sohail Shirazi (44, niet zijn echte naam), die in 2002 aan een internationaal schermtoernooi in Oostenrijk deelnam en niet meer naar Iran terugkeerde. Hij maakte enkele jaren geleden 25 euro over naar een relatie in Nederland. ‘Die deed inderdaad zaken in Iran, maar ik vond het toch bizar hoe ik wekenlang hierover met vragen werd bestookt door de Rabobank. Om 25 euro. En ze vielen niet alleen mij lastig– ook mijn vrouw!’

Zuurder voor Sohail was dat zijn pogingen om met een Nederlandse en een Duitse compagnon medische middelen – vooral bloedtransfusiesystemen – naar Iran te exporteren, op niets uitdraaiden. ‘We hebben het tussen 2016 en 2019 geprobeerd, maar het was onmogelijk om geld uit Iran hiernaartoe overgemaakt te krijgen. ING werkte niet mee. We hadden omwegen via tussenpersonen in Dubai en Turkije kunnen proberen, maar het risico dat je dan wordt opgelicht of uitgekleed via dubieuze zwarte valutakoersen was simpelweg te groot. Dus gaven we het op. Het kostte ons 50.000 euro, want dat bedrag hadden we nodig om een Duitse BV op te richten. Daar komt bij dat als onze onderneming was gelukt, we misschien wel een jaaromzet van 400.00 euro hadden kunnen maken. Dat was in ieder geval onze raming. Dat is dus allemaal niet doorgegaan.’

Een laatste voorbeeld. We noemen de succesvolle en vrij bekende Iraans-Nederlandse ondernemer die we spreken ‘Reza Pavlavi’. Daar moet hij erg om lachen, want zo heette de laatste sjah van Perzië, na wiens val de familie van ‘onze’ Reza naar Nederland vluchtte. Hij was toen vier jaar oud. Pas een jaar of negen geleden keerde hij naar zijn geboorteland terug: om er een partij contactlenzen te verkopen waarvoor hij om allerlei redenen geen afnemers in westerse landen had. Tevens vatte hij echter het plan op om, laten we zeggen, tapijten uit Iran te importeren – het echte product kan ook maar beter niet worden genoemd, omdat het vrij bijzonder en hij dus aan de hand daarvan kan worden geïdentificeerd.

Reza boekte een bestelling van 30.000 euro, maar kon zijn leverancier in Iran niet betalen toen het land in 2012 op initiatief van de Verenigde Staten uit de internationale bancaire berichtenservice SWIFT en het bijbehorende betalingssysteem target-2 werd gestoten. Dit betekende dat vrachtwagenchauffeurs uit Iran aan de Nederlandse grens een hoop cash voor de terugreis werd toegestopt, in ruil voor de tapijten.

Na verloop van tijd vroeg de bank Reza natuurlijk waarom hij zo vaak en zo veel contant geld opnam. Het leek hem niet verstandig de waarheid op te biechten, en dus bedacht hij een ingewikkeld systeem waarbij zijn bedrijf de factuur betaalde van een Duitse exporteur van landbouwwerktuigen naar Iran, en die exporteur weer zíjn factuur betaalde. De Iraanse importeur van landbouwwerktuigen keerde dan weer aan de Iraanse leverancier van tapijten het bedrag uit dat deze nog kreeg van Reza.

Dit systeem kon niet anders dan gebrekkig werken omdat de bedragen op de facturen heel moeilijk te harmoniseren waren. En dus gaat Reza’s handel tegenwoordig weer met cash, maar ook door betaling in natura met onder meer Rolexen. Wat op den duur weer kan leiden tot verwondering bij de bank over al die Rolexen die een importeur van tapijten inslaat.

Feitelijk zijn de banken onrechtmatig bezig. Ze gaan in tegen het beleid van de EU, die handel met Iran handel aanmoedigt, uitgezonderd de partijen die op een Europese sanctielijst staan (en dat zijn er nog redelijk wat). Op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland staat uitgebreide informatie over handelsmogelijkheden met Iran. Die zijn er in de praktijk echter nauwelijks, omdat Nederlandse banken geen relaties willen met Iraanse banken.

iran_NL

De Nederlandse en Iraanse vlag wapperen hier fier zij aan zij, in werkelijkheid is de relatie zeer problematisch.

Handeldrijven met Iran staat de EU weer toe sinds de ondertekening op 14 juli 2015 van de Joint Comprehensive Plan of Action, ofwel de nucleaire deal tussen Iran enerzijds, en de VS, de overige vier vaste leden van de VN-Veiligheidsraad en de EU anderzijds. Krachtens deze deal staakt Iran zijn kernwapenprogramma in ruil voor een afbouw van sancties.

Het punt is dat de Verenigde Staten in 2018 uit deze overeenkomst zijn gestapt, maar de EU niet. De VS hebben de sancties weer ingesteld, en op schending hiervan staan zware boetes. Niet alleen voor Amerikanen (primary sanctions), maar opmerkelijk genoeg ook voor buitenlanders (secondary sanctions).

Die laatste bepaling is juridisch uiterst omstreden, want hoezo heeft de Amerikaanse rechter iets te zeggen over het economisch beleid van niet-Amerikanen? Feitelijk heeft hij die rechtsmacht niet. De EU weigert de secondary sanctions dan ook te erkennen, sterker: conformering door Europeanen aan deze sancties is strafbaar op grond van het blocking statute, een stuk Europese wetgeving dat al van 1996 stamt, en sinds 2018 ook van toepassing is op het Amerikaanse sanctiebeleid jegens Iran (eerder gold dat al voor sancties tegen Libië en Cuba).

Van dat blocking statute trekken Nederlandse en andere Europese banken zich niets aan, hun zakelijke relatie met Uncle Sam is hun daarvoor te dierbaar. De vraag is hoe ze hiermee weg kunnen komen. Het antwoord is volgens de Nederlandse advocaat en sanctierechtdeskundige Yvo Amar dat de blocking statute in de praktijk een dode letter is. Om het nog onvriendelijker te stellen: een wassen neus.

‘Je kunt niemand dwingen om handel te drijven met Iran, en dat wordt ook als clausule bij die blocking statute vermeld,’ zegt de jurist, die in 2017 door het toonaangevende online magazine WorldECR werd verkozen tot beste jonge advocaat ter wereld op het gebied van sanctierecht en exportcontrole. ‘Verder is het zo dat bedrijven uit eigen beweging – dus niet omdat de Amerikanen het zeggen maar omdat het hun eigen beleid is – kunnen verkiezen geen handel te drijven met Iran. Als zij hadden gezegd: wij kunnen niet anders dan voldoen aan de Amerikaanse sancties, hadden zij strafbaar gehandeld. Maar als ze de zaken anders voorstellen, zijn ze ineens niet strafbaar. Het is dan wel opvallend dat banken tot deze zogenaamd vrijwillige beleidswijziging kwamen, heel kort nadat Amerika in 2018 uit de nucleaire deal was gestapt. Na de totstandkoming van die deal in 2015 namen ING en Rabobank juist deel aan een Nederlandse handelsmissie naar Iran. Ik was daar zelf bij. Toen was er dus wel animo voor handel met Iran.’

Yvo Amar

Yvo Amar, specialist in sanctierecht.

Het blocking statute beschermt bedrijven ook onvoldoende tegen Amerikaanse represailles. ‘Stel dat de Amerikanen je geen boetes kunnen opleggen – dan kunnen ze je nog wel op een zwarte lijst zetten, dat wil zeggen: Amerikaanse bedrijven verbieden zaken met je te doen. Dat is volkomen legaal.’

Wat dan de bedoeling is van zo’n ineffectief instrument als het blocking statute? ‘Om een politiek signaal af te geven. Er zitten in principe wel grenzen aan hoe ver je kunt gaan met de omzeiling ervan. Zeker in 2018 had je in een gerechtelijke procedure kunnen aanvoeren dat de banken de facto gehoorzaamden aan de Amerikaanse secondary sanctions. Dan had je heus wel een zaak gehad. Maar dat is niet gebeurd, en nu hebben de meeste bedrijven zich neergelegd bij de situatie.’

Wel was er volgens Amar een andere zaak in 2019 die weliswaar niets met Iran te maken heeft, maar toch een aardige analogie oplevert. Het betrof de bedrijven PAM en Exact, die lange tijd gezamenlijk miljoenen verdienden aan klanten uit Cuba. PAM leverde software van Exact aan Cubaanse staatsbedrijven. De samenwerking stopte nadat Exact in februari 2019 werd overgenomen door een Amerikaanse investeringsmaatschappij en dus een Amerikaans bedrijf werd.

PAM vocht de opzegging aan bij de Nederlandse rechter, en met succes. ‘En dat terwijl Exact als Amerikaans bedrijf moet voldoen aan primary sanctions, en de blocking statute op secondary sanctions van toepassing is,’ aldus Amer. ‘Toch verwees de Nederlandse voorzieningenrechter in zijn vonnis expliciet naar het blocking statute. Het kan in contractuele verhoudingen dus wel een rol spelen.’

Heeft het voor Iraniërs of mensen die zaken willen doen met Iran dan toch nog zin te procederen? Dat is twijfelachtig, al was het maar omdat particulieren niet opgewassen zijn tegen banken met hun budget en batterijen advocaten.

Er is echter een interessante parallelle ontwikkeling gaande, zo betoogt Jasper Schnezler van RWV advocaten. ‘De laatste twee jaar heeft naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme veel meer aandacht gekregen. Met name vanwege de witwasschandalen waarbij ING en recentelijk ook ABN/AMRO betrokken waren, en waarvoor ze inmiddels honderden miljoenen euro’s boete hebben moeten betalen, zitten de toezichthouders en het OM er tegenwoordig veel feller op. En dit betekent weer dat banken hun klanten veel nauwlettender in de gaten houden, en een steeds strenger beleid voeren ten aanzien van wat zij high-risk countries noemen. Ze zijn ook verplicht tot cliëntonderzoek, zij het met ‘’gepaste zorgvuldigheid”. Zoiets heet customer due diligence.’

Dat maakt het dus nog lastiger om aan te tonen dat de Nederlandse banken naar het pijpen van de Amerikanen dansen. Anderzijds verwacht Schnezler dat de wijze waarop banken verdachte klanten behandelen, de komende jaren tot meer processen zal leiden. ‘Het is het afgelopen jaar dagelijks werk geworden voor ons: mensen beschermen tegen al te stringent klantenonderzoek door banken – dus onderzoek dat kan uitmonden in het onterecht opzeggen van rekeningen. Banken hebben tegenwoordig enorme KYC-afdelingen: Know Your Customer. Wij stellen daar inmiddels een KYB-team tegenover: Know Your Bank. ’

Uiteindelijk draait het, wat Iran betreft, om de vraag of het doel de middelen heiligt. Is er kans dat de sancties leiden tot een vriendelijker, democratischer, menslievender bewind in Teheran? Of zelfs tot – toverwoord in Washington – regime change? In ieder geval twee deskundigen zeggen ferm van niet.

‘Toen de VS in 2018 uit de nucleaire deal stapten, presenteerde minister van Buitenlandse Zaken Mike Pompeo twaalf voorwaarden voor opschorting van de sancties,’ zegt Midden-Oostendeskundige Erwin van Veen van het Instituut Clingendael. ‘Tezamen kon je die punten opvatten als regime change. Maar de logica dat je regime change kunt bewerkstelligen door economische ellende te veroorzaken, is nogal gebrekkig. In ieder geval wat Iran betreft. Dit regime zit stevig in het zadel, het controleert alle machtsmiddelen, het drukt elk verzet keihard de kop in, er is geen oppositie van betekenis. Met name dat laatste is zwaarwegend. Stel dat het bewind uit elkaar valt: krijgen we dan zomaar een nieuw, mooier bewind, als een Deus Ex Machina? Chaos en geweld, zoals we in Irak hebben gezien, liggen meer voor de hand.’

Sancties vervullen vooral een symbolische functie, betoogt Van Veen. ‘Ze suggereren dat je een krachtige politiek voert. In werkelijkheid is het niet heel moeilijk sancties te ontduiken. Het sanctieregime dat Iran is opgelegd, is volgens mij het meest veelomvattende dat ooit aan een land is opgelegd. Als je alle economische sectoren een voor een afsluit, en ook nog eens overheidsinstellingen op de zwarte lijst zet – dat gaat ver. Dat druist in tegen de grondslag van interstatelijk verkeer. De regel is: je kunt sancties opleggen, maar staten blijven wel met elkaar praten. Als gevolg van dit alles heeft de Iraanse economie forse klappen gekregen, maar op termijn zien we juist dat die zich herstelt. Dat komt ook omdat Iran veel minder afhankelijk is van olie en gas dan sommige Golfstaten, een veel diversere economie heeft. Terwijl het blokkeren van de olie- en gastoevoer toch de voornaamste Amerikaanse strategie is.’

De Iraans-Nederlandse historicus Peyman Jafari ziet economische sancties op dit niveau – waarbij niet alleen Iran maar ook landen die handel drijven met Iran sancties wordt opgelegd – als een vorm van oorlog. En juist daarom werken ze averechts. ‘Iran kan de VS niet met gelijke munt terugbetalen. Het kan niet zelf sancties opleggen. Dus gaat het andere manieren zoeken om terug te slaan. Bijvoorbeeld door onrust te stoken in het Midden-Oosten, onder andere in Jemen en Irak. Dat maakt de Iraniërs in de ogen van de Westerse publieke opinie “agressief”. Sancties worden veel minder als daad van agressie gezien. Hoe dan ook is het streven van de Amerikanen om de Iraniërs een toontje lager te laten zingen in het Midden-Oosten totaal niet verwezenlijkt.’

peyman-jafari

De Iraans-Nederlandse historicus Peyman Jafaari.

Daarnaast begint het Amerikaanse sanctiewapen volgens Jafari behoorlijk bot te worden. ‘Iran heeft geleerd van twintig jaar sancties. Ze jagen het land op kosten, dat wel, maar het heeft ook zijpaden gevonden, en een zogeheten verzetseconomie op poten weten te zetten, geholpen door de relatieve diversiteit van de economie. Iran is steeds meer dingen zelf gaan maken. Daarnaast hebben de sancties de elementen in het bewind versterkt die je juist weg wil hebben. Zoals de Revolutionaire Garde, die de grenzen controleert. Grenzen zijn zeer belangrijk voor het beheer van die eerder genoemde zijpaden. Daarnaast zijn corrupte elites het best toegerust om te profiteren van een informele economie die door sancties ontstaat.’

Zou de EU dan niet meer kunnen doen om de door haar beoogde, gematigder koers door te drukken? Weer zijn de deskundigen het eens: ja. ‘Ik denk dat het voor het Europese politieke leiderschap heel lastig is om de banken mee te krijgen, maar het had feller afstand kunnen nemen van – en meer bescherming kunnen bieden tegen – die secondary sanctions,’ zegt Yvo Amar. ‘Het beboeten van Europese bedrijven is de afgelopen tien jaar een soort verdienmodel geworden. Andersom heeft Europa dat nooit bij de VS gedaan. Dat mag best wat agressiever. Europa is geneigd zichzelf als kleine speler te zien op dit vlak, terwijl het dat helemaal niet is. Volgens mij zijn wij een belangrijker afzetmarkt voor China dan de VS. Dus als de EU zelf ook met secondary sanctions komt om de Amerikanen in het gareel te houden, zou dat best effect kunnen hebben.’

Erwin van Veen vult aan: ‘Over de private sector heeft de EU weinig te zeggen, maar er zijn genoeg overheidsinstanties, zoals staatsbanken in bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland, of publieke kanalen waarmee, bijvoorbeeld, Iraanse olie had kunnen worden gekocht. Bedenk dat Europese overheden niet gevoelig zijn voor het Amerikaanse sanctieapparaat, aangezien ze niet op de Amerikaanse markt opereren. De politieke wil ontbreekt echter, en dat heeft natuurlijk ook te maken met de reputatie van Iran. Ook al sta je een andere politiek voor, Iran is niet echt een ruzie met de Amerikanen waard.’

De nieuwe wind die sinds de verkiezing van Joe Biden vanuit Washington waait zal zeer waarschijnlijk wel tot gevolg hebben dat de nucleaire deal nieuw leven wordt ingeblazen – vóór of né de Iraanse presidentsverkiezingen op 18 juni. Ook het conservatieve presidentschap dat Iran dan waarschijnlijk zal kennen, heeft baat bij zo’n overeenkomst. Maar of dat op korte termijn tot een verbetering van het geldverkeer zal leiden, is niet zo heel waarschijnlijk. ‘Er moeten bankrelaties worden opgebouwd, en dat kost tijd,’ zegt Amar, ‘Europese banken moeten van de Europese Centrale Bank aan allerlei compliance-regelgeving voldoen, bepaalde reserves aanhouden, en dan moeten Iraanse banken die ook hebben. Probleem is dat Iran gewoon een arm land is. Dus is het zeer de vraag of die banken die reserves kunnen aanleggen.’

Voor je het weet is het dan alweer vier jaar later, en is Trump of een Trump-achtige opnieuw aan de macht, en geldt dan weer alleen de macht van de dollar, nog altijd het dominante internationale betaalmiddel. ‘De dollar’, analyseert zakenman ‘Reza Pavlavi’ bitter, ‘is een enorme monetaire olieplas. Zonder bodem, welteverstaan. Iedereen wil dollars hebben, en de Amerikanen hebben ze. En als ze even wat tekort komen, drukken ze gewoon wat bij.’

Toch denkt Amar dat de VS hun hand kunnen overspelen. ‘Je kunt de macht van de dollar niet eindeloos uitrekken. China, waartegen de VS ook sancties hebben lopen, heeft sinds kort eveneens een blocking statute. Daar heeft het nog niets mee gedaan, maar als het dat wel doet, kan het interessant worden. Het kan bedrijven straffen die aan Amerikaanse sancties tegen China voldoen. En dan zal het misschien lastig kiezen zijn tussen twee wereldmachten die zo zoetjes aan behoorlijk aan elkaar gewaagd zijn.’

Iran-NL Chinese Foreign Minister Wang Yi and his Iranian counterpart, Mohammad Javad Zarif, signed the deal

De Chinese minister van Buitenlandse Zaken Wang Yi (links) en zijn Iraanse collega Mohammad Javad Zarif geven elkaar een elleboogje nadat ze een overeenkomst voor een 25-jarig strategisch samenwerkingsprogramma hebben beklonken.

Dan heeft Iran misschien de toekomst aan zijn zijde. Want het heeft twee maanden geleden met China een samenwerkingsovereenkomst voor de komende 25 jaar getekend, waarbij China 400 miljard dollar zal investeren in Iraanse havens, spoorwegen, zorg en telecommunicatie, in ruil voor goedkope Iraanse olie.

Of dit de zuster van Farzaneh sneller aan een beter zuurstofapparaat zal helpen, is natuurlijk te veel gehoopt. Zij blijft het slachtoffer van een overijverige Nederlandse bank. En van Amerikaanse symboolpolitiek waarin niemand gelooft, waaraan iedereen zich ergert, maar waaraan niemand paal en perk kan of wil stellen.

Bijschrift foto: Nederlandse Iraniërs vieren het Perzisch natuurfeest (2011, locatie onbekend).

Ieders kameraad

circusvorstin9

DOOR CARL STELLWEG

Niets had mij kunnen voorbereiden op de komst van mijn kameraad, die nazomeravond die ik lang geleden met twee studievrienden doorbracht in Café de Zijsprong in een Brabantse stad. Wie dat dan is, die kameraad? Wat een vraag. Hij is mijn wil, mijn merg, hij is degene die mij dwingt tot daden. Hij is ieders kameraad. Maar die avond, en dan vooral toen ik mij bevend in het rommelhok van Café de Zijsprong had verschanst, liet hij voor het eerst merken ook míjn kameraad te zijn.

Eigenlijk was De Zijsprong in mijn ogen een twijfelachtige gelegenheid, een vergeetput voor gesjochten. Mijn vrienden dachten daar anders over. De reden stond twaalf uur per dag achter de tap en heette José: een forse alleenstaande vrouw van achter in de veertig, niet smaakvol maar wel verzorgd gekleed, met opzichtige armbanden aan haar monumentale polsen, als van een heidense hogepriesteres, een vervaarlijke hoerenmadam. Een tong zo scherp als een scalpel, maar ook een geknecht moederhart – en precies dat laatste was wat mijn twee vrienden aantrok. Met hun achttien jaar waren ze een paar jaar jonger dan ik en net op eigen benen in een vreemde stad. Dus zorgde José voor plaatsvervangende nestwarmte, en ze aanvaardde deze rol met dankbare vanzelfsprekendheid.

Lees meer