Help, Rutger Bregman zegt dat ik deug!

Deug

DOOR CARL STELLWEG

Ik begin aan dit stukje in een vreselijke pestbui, en dat is precies de reden dat ik het wil tikken. De afgelopen dagen ben ik namelijk tot een nieuw, ontnuchterend inzicht gekomen: ik deug. Waarschijnlijk. Omdat de meeste mensen deugen, en niets aan mij de veronderstelling rechtvaardigt dat ik niet bij de meeste mensen hoor.

En aan wie ik deze revelatie te danken hebben? Aan Rutger Bregman, de jonge historicus die onlangs bij Matthijs van Nieuwkerk te gast was. Die  – en ik citeer nu de site van De Wereld Draait Door – ‘furore’ maakte met het boek Gratis geld voor Iedereen. Die vervolgens het wereldnieuws haalde door een aantal rijkaards de oren te wassen tijdens het jongste World Economic Forum in Davos (‘taxes, taxes, taxes’), en kort daarna ook nog eens een anchorman van Fox voor lul zette, zozeer zelfs dat deze al zijn decorum liet varen: ‘Go fuck yourself, you tiny brain’.

Zodoende is Rutger een publiekslieveling geworden, en een publiekslieveling ben je geneigd aan de borst te drukken als hij met de ogenschijnlijk prettige bewering komt dat de meeste mensen Deugen. Niet in de laatste plaats, denk ik, omdat al zijn fans die bewering als een complimentje terug zouden kunnen opvatten.

‘De meeste mensen deugen’ is Bregmans voorlopige levenswerk. Het is een vuistdik boek, waaraan jaren journalistiek en wetenschappelijk onderzoek vooraf zijn gegaan. Ik moet het nog lezen, maar dat ga ik zeker doen, want het is vast de moeite waard. Ik heb al veel mooie verhalen van Rutger Bregman gelezen op de website De Correspondent. Het is een bijzondere man.

En toch, bij nader inzien, ben ik absoluut niet van plan me door Bregman in het pak te laten naaien met zijn heilsboodschap. Want die maakt me op voorhand woedend. Waar haalt hij eigenlijk het lef, de aanmatiging, vandaan te beweren dat ik deug? Wie heeft gezegd dat ik dat wil, deugen? Wie heeft gezegd dat ik wil weten of ik wel of niet deug?

Ik heb de schijn tegen, want mijn strafblad is blanco, maar diep van binnen weet dat ik niet deug. En die gedachte is me altijd tot troost geweest. Ik heb verderfelijke gedachten, die ik koester. Ik wil over de stoep fietsen wanneer ik daar zin in heb, voorbijgangers pootje lichten omdat ik ze er allemaal stom uit vind zien en ze instinctief veracht, ik wil voordringen bij de kassa, de belastingen ontduiken, niet werken maar wel geld hebben, ik zou best een bank willen beroven, echt waar! Of een hoop geld vinden en dat dan gewoon in m’n zak steken, ook al wist ik van wie dat geld was.

Deug2

De enige reden dat ik dit allemaal niet doe, de enige reden dat ik een oppassende burger ben, de enige reden, kortom, dat ik deug, is dat ik laf ben. En niets anders. Mijn deugdzaamheid is dus gebaseerd op een ondeugd.

Wat een heerlijk, onafhankelijk, avontuurlijk leven zou ik hebben, tot welk een grootse daden zou ik komen als ik de ondeugd van de lafheid van me af kon schudden!

Wie weet lukt me dat nog. Komt het er nog van. En dat is mijn troost: dat de potentie in mij aanwezig is van een leven waarin ik alle voorschriften en vermaningen aan mijn laars lap, die hele schijnheilige burgerlijke moraal  bij het grofvuil zet, leef naar mijn eigen regels. Dat idee laat ik me niet afnemen.

Wat is deugen eigenlijk precies, nu we het er toch over hebben? Deugde Abraham Lincoln? Abraham Lincoln loog het Congres keihard voor. Een doodzonde voor een Amerikaanse president. Stel je voor dat elke Amerikaanse president dat deed! Maar doordat Abraham Lincoln het deed, werd wel de slavernij afgeschaft. Door een doodzonde te plegen, kwam hij tot iets uitzonderlijk goeds.

Wat is het verschil tussen Abraham Lincoln en mij? Principieel is dat er niet. Hij deugde door niet te deugen, en voor mij geldt hetzelfde. Hij was een leugenaar en ik ben een lafaard. En toch is het verschil tussen ons hemelsbreed.

Deugde Mahatma Gandhi? Tuurlijk deed-ie dat, met die nederige lendendoek en dat geweldloze verzet. Maar wacht even: dat geweldloze verzet hield wel in dat hij duizenden van zijn aanhangers ongewapend op de zwaar bewapende Britse vijand afstuurde. In de wetenschap dat ze zouden worden afgeslacht. In de hoop dat ze zouden worden afgeslacht. Want daar kon dan politieke munt uit worden geslagen. Een uiterst cynische tactiek.

Daarnaast was Gandhi voor handhaving van het kastenstelsel, en hield hij er racistische opvattingen op na: tijdens zijn verblijf in Zuid-Afrika klaagde hij dat hij af en toe dezelfde openbare ruimten moest delen met kaffers. Dat hij van dezelfde ingangen gebruik moest maken als zij. Dat hij als Indiase man geen hogere status had.

Deugde Mahatma Gandhi? Ik neig ertoe te zeggen van niet. En toch was het een groot man.

Gandhi

Dus: deugen de meeste mensen? Definieer ‘deugen’. Volgens mij zijn ‘deugen’ en ‘niet deugen’  onverbrekelijk met elkaar verbonden. Ze zijn met elkaar verstrengeld, vormen een geheel. Zeggen dat mensen deugen, is ook zeggen dat ze niet deugen, en vice-versa. Het ene heeft geen betekenis zonder het andere. En daarom vind ik het uitdragen van een positief mensbeeld helemaal niet zo positief, en verwacht ik er niet veel goeds van. Ik vind het eerlijk gezegd hoogmoedig en niet zonder gevaar. Het uitdragen van een duaal mensbeeld is nederiger, en in die zin ook menslievender.

Ik moet toegeven dat ik ook een ingebakken afkeer heb van het woord. Het D-woord. Het is voor kwezels, slijmjurken,  farizeeërs, holier-than-thous. Het smaakt naar niks. Proef het maar eens op de tong. Meel, stijfsel, cola waar alle prik uit is.

Vergelijk dat eens met het woord ‘kwaad’.  Kwáád. Dat heeft allure, dat trekt alle smaakpapillen open, brengt een aangename rilling teweeg. Dan heb je meteen het spannendste woord dat er is te pakken.

Het kwaad trekt meer dan de deugd. Mij in ieder geval wel. Ik wil weten wat het is, waarom het er is, hoe het werkt, en waar het vandaan komt. Om minder doe ik het niet.

Om die reden heb ik naar veel onsmakelijke ISIS-filmpjes gekeken op You Tube. Je kunt dit ziekelijke sensatiezucht noemen, maar dat was het niet. Het was nieuwsgierigheid. Ik ben erg nieuwsgierig, zeker naar duistere zaken. Ik daal graag af in de krochten van de wereld om daar mijn zoeklicht te laten schijnen. In de overtuiging, de hoop, dat ik daar echt iets zal leren.

Een speleoloog van het kwaad, zo zie ik mijzelf een beetje.

Zo heb ik, schrik niet, gezien hoe ISIS een Jordaanse piloot levend verbrandde. Ik heb hem zien rondspringen in zijn kooi toen de vlammen zijn benen bereikten. Ik bleef kijken tot er niets meer van hem over was dan wat verkoolde brokken, en voelde me na afloop leeg.

Ik heb amputaties gezien, executies van volstrekt onschuldigen, onthoofdingen zelfs, totdat ik er niet meer tegen kon. Ik heb gezien hoe ISIS-‘strijders’ zich vrolijk maakten met de afgehakte hoofden van Syrische soldaten. Sigaret in de bek stopten en troostend toespraken.

Waarom toch, dacht ik, waarom? Waarom gebeurt dit? Ik denk uiteindelijk omdat het simpelweg kon. Omdat degenen die het deden het lekker vonden om te doen en ervoor werden geprezen. En omdat anderen het ook deden. Maar bovenal – en dat vond ik de meest onthutsende constatering – omdat ze elkaar hadden wijsgemaakt dat ze enorm deugden. Dat ze de beste mensen op aarde waren en optraden uit naam van de Allerdeugdzaamste. Uit naam van Allah de Genadevolle, de Barmhartige.

‘De meeste mensen deugen’ heet het boek van Bregman. Betekent dit dan misschien dat dat ISIS-gajes tot de minderheid behoort die niet deugt? Dat vind ik een gevaarlijke speculatie. Ik denk niet dat er zo’n makkelijke scheiding valt aan te brengen tussen mensen. Zelfs niet in één mens. Ik heb als journalist de nodige conflictgebieden bezocht en hele enge mensen ontmoet die op het persoonlijke vlak oprecht aardig waren.

In ieder geval vind ik, sinds ik die ISIS-filmpjes heb gezien, het woord ‘deugen’ een sinisterder klank hebben dan ‘Het Kwaad’. En daar laat ik het nu even bij. Maar ik kom er waarschijnlijk nog op terug.

 

Wespen en dramaqueens

Wesp

DOOR CARL STELLWEG

Stop de persen, ik heb groot nieuws. De zomer is ten einde. Niet alleen officieel, ik zie het ook als ik uit mijn verregende raam kijk terwijl ik dit schrijf.

Dat hep se voordeel en se nadeel.

Om met het nadeel te beginnen: vaarwel heerlijke ‘tropische omstandigheden’, wanneer alles geurt en zoemt en zindert, en het wandelende en fietsende lichaam de kans krijgt in zijn eigen transpiratie te gloriëren.

Ik ben weliswaar een blanke witte heteroman, en ook nog eens een vijftigplusser, iemand dus die geïnstitutionaliseerde privileges zijn leven lang schaamteloos naar zich toe heeft geharkt, maar ik ben daarnaast een Arabier, want in het Midden-Oosten geboren en opgegroeid, en Arabisch bloed kookt liever dan dat het stolt. Vandaar misschien mijn voorkeur voor woestijnweer. Maar dat terzijde.

Maar het heeft dus ook een voordeel dat het geen zomer meer is, zoals ik reeds aanstipte: je bent bevrijd van de terras-Hollander. Oké, ik ben ook niet moeders mooiste, maar juist daarom houd ik mijn lange broek aan. Doen de meeste Arabieren trouwens, maar het moet ook van mijn vriendin, die zich door elke Hollandse man in korte broek Persoonlijk Gegriefd voelt.

Goed, uitspraken als ‘van de aardbodem wegvagen’ en ‘jarenlang opsluiten op Rottumerplaat’ liegen er niet om, maar ik vind het juist een kenmerk van een beschaafde samenleving dat je dit soort dingen kunt zeggen zonder dat er iets gebeurt: een werkelijk beschaafde samenleving hangt niet af van aangename omgangsvormen. Ik gun mijn vriendin dus haar extremistische opvattingen aangaande de Hollandse man in korte broek van harte.

Het probleem is wel breder, vind ik. Vrouwen kunnen er namelijk ook wat van. Zoals die vrouw met wie ik ooit bij een tramhalte stond. ‘ONDEUGEND’ had ze in grote dansende letters  op haar strakke T-shirt staan.

Mijn gedachten gingen op dat moment niet uit naar wegvagen of opsluiten, maar wel naar, bijvoorbeeld, een verplichte cursus ‘Aanstoot geven met uw voorkomen is geen grondrecht’.

Ach nee, uiteindelijk heb ik niet zo veel last van hoe mijn medelanders zich in de zomermaanden wensen te vertonen. Ik kan altijd de andere kant opkijken, nietwaar? Maar helaas gedragen ze zich soms ook op een manier die moeilijker te negeren valt.

Laatst overkwam het me weer: dat een gezelschap aan een tafel naast me ineens collectief opveerde en een chaotische krijgsdans begon op te voeren.  Het was natuurlijk geen krijgsdans: het was een paniekdans. En de oorzaak? Eén (1) wesp.

‘Een bij!’ roepen ze dan trouwens vaak, want ze weten het verschil niet meer omdat ze al jaren niets meer leren op school en ook verder het contact kwijt zijn met wat ik voor het gemak even ‘Gods schepselen op aarde’ noem. Eenvoudig accepteren dat sommige van die schepselen wel eens een beetje hinderlijk aanwezig kunnen zijn, dat zit er niet meer in.

Dat krijg je ervan als je niks meer weet, dan accepteer je ook niks meer, behalve misschien juist die dingen die je nooit zou moeten accepteren. Het komt erop neer dat alles buiten de eigen virtuele schijnwerkelijkheid vies en gevaarlijk is en eg nie moe kunnàh.

Nu ben ik als nadrukkelijk niet-genderneutrale, witte, half-Arabische heteroseksuele vijftigplusser altijd geboeid geweest door hoe verschillend mannen en vrouwen op situaties reageren  – dus ook op het  acute gevaar voor de gemeenschap dat de nabijheid van soms wel meer dan één (1) wesp vormt.

Je leest wel eens dat vrouwen, als het er echt op aankomt, zich moediger, kalmer en koelbloediger gedragen dan mannen. Nou, mooi niet. Ooit zag ik een gezelschap jonge Japanse vrouwen gillend wegrennen van een tafeltje omdat er een mus op was geland. Dat zie ik mannen toch niet doen, zelfs Japanse mannen niet.

Maar toch. Deze zomer zat ik een keer naast een meisje op een terras – zeker, overkomt ook mij wel eens – dat ineens woeste afwerende bewegingen met haar armen begon te maken omdat een wesp haar, én eigenlijk ook mij, op pak ’m beet een halve meter was genaderd.

‘Hij doet niks hoor,’ zei ik alsof die wesp mijn hond was. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik het alleen maar zei omdat het een mooi meisje was. Shame on me, maar ik ben geen Brave Hendrik, en te oud om er alsnog één te worden.

Het meisje – ze zal niet veel ouder dan 18 zijn geweest – draaide haar gezicht mijn kant op, keek mij enkele seconden met haar mooie bruine ogen zeer ernstig aan, en zei toen: ‘Weet ik… maar… ik ben nu eenmaal… doodsbang voor wespen.’

Dat ‘doodsbang’ liet ze vergezeld gaan van een diepe rilling door haar bevallige schouders, en zei ze met een nadruk die zelfs bij het vooroorlogs Hollands toneel als overacting zou zijn afgekeurd. Drama Queen dus. Ik moest onwillekeurig lachen, en tot mijn verrassing lachte ze mee. Het was, kortom, ook zelfspot, zoals ze dat had gezegd.

Ach, die mooie vrouwelijke zelfspot! Zo veel dieper, dubbelzinniger en manipulatiever dan de zelfspot van mannen, die er meestal een groot bord bij zetten, met daarop: ‘Ik maak mezelf nu even belachelijk maar daar heb ik lang op geoefend en het betekent eigenlijk dat ik heel stoer ben’. Vrouwen zoals dat meisje – vergeef me als ik generaliseer – begrijpen dat als je je aanstelt, je er beter nog een schepje bovenop kunt doen; er iets moois van moet maken; een heerlijk stukje komedie ten beste moet geven waar je om kunt glimlachen, waardoor algemene ontspanning intreedt.

Mannen heb ik eerlijk gezegd nooit enige zelfspot aan de dag zien leggen als ze door een wesp werden belaagd. ‘Ik ben niet bang voor die kutbeesten, ik heb er gewoon een grafhekel aan!’ Ja, ja, lullo. Je moeder! En: ‘Daar heb je d’r weer een! Opsodemieteren, klerelijer!’

Luistert, primitief manvolk: van dat soort scheldpartijen is een wesp niet onder de indruk. Die voelt zich daar mijlenver boven verheven. Het komt erop neer dat als er één diertje in staat is mannelijke machteloosheid bloot te leggen, het de wespus vulgaris is.

Conclusie: mannen zijn drama queens zonder drama. En natuurlijk ook zonder queen, tenzij je er ‘drag’ voor zet, en dan hebben we het ineens over heel iets anders.

En ik? Ga effe zitten. Want wat ik nu ga vertellen, daar moet je denk ik wel even tegen kunnen. Ooit, als klein jongetje, werd ik in Egypte in mijn been gestoken door een horzel. Bekend met de Egyptische Horzel? Dat is pas ongedierte, kan ik je zeggen: haast zo groot als de Egyptische kakkerlak, en die is bijna zo groot als een marmot. En geen dwergmarmot. De steek deed behoorlijk pijn, maar wat me fascineerde was hoe een fiks deel van mijn onderbeen de dagen daarop opzwol, donkerbruin werd, en vijf keer zo zwaar aanvoelde: alsof ik een nieuw been, of zelfs méér been, had gekregen.

Klein was ik ook nog toen er een keer, in de Libanese bergen, een vliegend hert – pok! – tegen mijn blote bastje aanvloog. En daar bleef zitten. En daar niet zomaar vanaf was te krijgen, met zijn enorme geweien. Ik gilde het uit, maar droom er gelukkig niet meer van.

Wel eens onzacht met een Libanees Vliegend Hert in aanraking gekomen? Nee zeker. Lucky bastards.

Enfin, om af te ronden: een jaar of tien geleden was ik aan het fietsen en ondertussen in mijzelf aan het praten toen ik een steekje in mijn gehemelte voelde en een seconde later een wesp uit mijn mond zag vliegen. Ik heb er misschien een dag een beetje last van gehad. Het is waar dat een wespensteek heeel, heeel soms, bij die uiterst zeldzame ongelukkigen die er allergisch voor zijn, dodelijke gevolgen kan hebben, maar hetzelfde geldt voor cashewnoten. Toch heb ik nooit mensen voor een cashewnoot zien vluchten. Integendeel, men stort zich erop, zonder een moment te denken aan de risico’s.

Ach, het wespengevaar. Als het echt moet, bijvoorbeeld als zo’n diertje om wat voor reden dan ook mijn mond weer in wil, wuif ik het met een minzaam, verstrooid gebaar weg. Helpt altijd.

Ondertussen zou ik wel eens willen zien wat er zou gebeuren als een Rotterdams terras waar ik vaak kom werd aangevallen door een Egyptische horzel of een Libanees vliegend hert.

De wijk werd afgezet. De marechaussee rukte uit. Slachtofferhulp maakte overuren. De eikenprocessierups zonk voor jaren in de vergetelheid. ‘Rotterdam likt zijn wonden,’ kopte het AD de volgende dag. De Telegraaf gaf de asielzoekers de schuld (‘illegale horzels op strooptocht’).

‘Als hij weer te dichtbij komt, wil ik hem wel voor je wegjagen,’ zei ik nog tegen het meisje dat nu eenmaal doodsbang was voor wespen.

Daar ging ze niet op in.

Dit verhaal is ook te lezen op HoeMannenDenken

Belangrijke mannen op reis

belangrijke mannen op reis

DOOR CARL STELLWEG

Ooit, ooit, was ik ‘in the middle of nowhere’. Het was donker om mij heen, erg donker, maar boven mij flonkerde een machtig sterrentapijt, zo veel sterren had ik waarachtig nooit eerder gezien. Dit was de vermaarde sterrenhemel boven de Pacific. En vóór mij, pal in mijn blikveld, stond er een heel groot vliegtuig. Of misschien was het niet eens zo heel groot, leek dat alleen maar zo omdat we ons hier in the middle of nowhere bevonden.

Een gestrande walvis, daar deed dat vliegtuig me aan denken, al lag het niet op zijn buik de verstikkingsdood te sterven. Het stond parmantig op zijn onderstel, maar juist daardoor zag het er zo dwaas en godverlaten uit. Het berustte niet in het noodlot dat het hierheen had gevoerd, zoals elk oud en wijs reuzenzoogdier zou doen, het leek verlamd, perplex, gegijzeld door een onbegrijpelijke ramp die het plotseling was overkomen, en nog niet in staat om ook maar het kleinste noodsignaal af te geven.

Niet zonder mededogen keek ik naar dat vliegtuig terwijl ik een sigaret stond te roken en te praten met een collega van de Los Angeles Times, een aardige en intelligente man die ik eerder op de dag had leren kennen. Zijn naam ben ik vergeten, maar niet zijn gewoonte een zin te eindigen met: ‘That’s interesting’ of ‘isn’t that interesting?’ Dat had iets aandoenlijks, alsof hij diep in zijn hart een nieuwsgierig jongetje was gebleven, deze al wat oudere, dikke, kortademige man die in opdracht van de Los Angeles Times de hele wereld had afgereisd.

En terwijl we daar samen onze korte maar exclusieve in-the-middle-of nowhere-ervaring ondergingen, zal hij wel iets tegen me hebben gezegd in de trant van: ‘Stel je voor. Dit is een internationaal vliegveld. Isn’t that interesting?’

En ik zal bevestigend hebben geknikt. Want dat was het zonder meer. Interesting.

Het internationale vliegveld bestond uit een controletoren van anderhalve verdieping en een soort schuur met een dak van plaggen, die dienst bleek te doen als passagiersterminal. We waren er doorheen gelopen, hadden onze paspoorten afgegeven aan een kleine, donkere, kroesharige man in een eenvoudig uniform die ons toestemming gaf door te lopen. Door te lopen naar wat? Naar aardedonker, doodstil platteland. Een stukje weg, slordig geasfalteerd, en de schaduw van een palmboom, meer was er niet te zien.

We keken elkaar aan, grijnsden, haalden onze schouders op. Ik voelde me wonderlijk ontspannen, en mijn collega van de Los Angeles Times volgens mij ook, ik zag het aan zijn gezicht, al was dat het gezicht van een vreemde – maar wel een vreemde met wie ik in de middle of nowhere verzeild was geraakt, en die mij daarom misschien net zo min zou vergeten als ik hem.

Een stukje weg, de schaduw van een palmboom, een gelegenheidskameraad, en verder alleen onverschillige duisternis: soms is er kennelijk niet meer dan dat nodig om een man diep tevreden te stemmen. De wereld bestond haast alleen nog uit ruimte.

belangrijke mannen op reis4

We liepen terug, namen onze paspoorten weer in ontvangst en rookten een laatste sigaret tegenover ons verweesde vliegtuig. Toen was het weer tijd om aan boord te gaan. Het toestel hervond brullend zijn bestaansreden. Groot en leeg was het, we bleken de enige overgebleven passagiers te zijn. Eerder hadden we een wat ouder echtpaar zien uitstappen: kleine, donkere, kroesharige mensen die grote, uitpuilende plastic tassen bij zich hadden.  Ze waren nergens meer te bekennen. Opgelost in het aardedonkere, doodstille platteland waar ze waarschijnlijk woonden. Ze zullen de enige reden zijn geweest dat het vliegtuig op die internationale luchthaven in the middle of nowhere was geland.

Een stewardess bood ons een glas champagne aan. Ze ging op de rand van een stoel zitten en schonk zichzelf ook in. Er kwam een tweede stewardess bij. Het waren Françaises. We klonken. We kletsten. We lachten. Barrières werden geslecht. Rollen vervaagden. We schonken nog eens bij, hadden het naar ons zin, bouwden een klein feestje, speelden tric-trac en yahtzee, memory en mexicaantje, leerden elkaar volksdansjes uit onze kinderjaren, wisselden recepten uit, filosofeerden over de Allereerste Oorzaak, bespraken het cyclische tijdsbegrip van de Hopi-indianen, de  anti-cyclische begrotingspolitiek van John Maynard Keynes, deden elkaars kleren binnenstebuiten aan, zongen Schotse zeemansliederen, speelden een handbaltoernooitje met een reddingsvest, ontkurkten nog wat champagne, en dat alles in onze supersonische speelzolder hoog boven de Stille Zuidzee, onder al die sterren. We waren onzichtbaar voor de rest van de wereld, dit moment was helemaal en uitsluitend van ons. Even vluchtig als innig verbonden waren we, en als het alleen aan ons lag, werd de wereld heel misschien nog best een draaglijke plek. Een meer dan draaglijke plek zelfs. Maar geen moment kwam het in ons op elkaar na deze vlucht terug te zien.

belangrijke mannen op reis3
De stewardessen ontpopten zich als ‘one of the boys’ – of moet je zeggen ‘two of the boys’? Hoe dan ook, een beetje stewardess is er een kei in.  In one of the boys zijn, zeg maar. Neem dat maar van mij aan. Neem maar van mij aan dat stewardessen er training in krijgen. Dat ze nauwkeurig worden geïnstrueerd om als het echt nodig is, heel sportief te delen in de internationale gelegenheidskameraadschap van belangrijke mannen op reis naar een of andere uithoek in de wereld. Die mannen zijn namelijk best eenzaam. En misschien zijn de stewardessen dat zelf een enkel keertje ook, al is dat voor hun training niet relevant.

Op zeker moment wist mijn collega van de Los Angeles Times te vertellen dat we zo dadelijk over de datumgrens zouden vliegen en het dan ineens 24 uur later was. Interesting? Jawel. Het deed er helemaal niet toe, en toch was het mighty interesting. En toen het eenmaal zo ver was, en de gezagvoerder dit op een wel erg jolige toon afkondigde omdat ook hij, zo bleek, zich de champagne goed had laten smaken – wat hem gegund was – keek ik onwillekeurig naar buiten, maar zag ik niets, laat staan de een of andere grens.

belangrijke mannen op reis2

Hoe was ik hier verzeild geraakt? Dat leek er op dat moment nauwelijks toe te doen. Waar ik vandaan kwam scheen al ver weg en lang geleden, en waar ik naartoe ging, of naartoe moest, wilde geen realiteit worden waar ik me druk om zou moeten maken. Laat ik volstaan met te zeggen dat ik een week ervoor nog vijftienduizend kilometer hiervandaan in Nederland zat en helemaal niet had voorzien dat ik op reis zou gaan, en zeker niet zo ver weg. Het gebeurde toevallig, en door één telefoontje.

Op welk eiland lag dat internationale vliegveld eigenlijk? Ik moet het destijds hebben geweten, maar ik ben het vergeten. Op  het eilandje Wallis, of op het eilandje Futuna. Samen vormen ze een Frans overzees gebiedsdeel in de Stille Zuidzee. Hoewel het op de kaart lijkt of ze dicht bij elkaar liggen, worden ze door honderden kilometers oceaan gescheiden. Historisch en geografisch hebben ze weinig tot niets gemeen, toch lag het voor de hand ze bestuurlijk bijeen te vegen. Dus was het een beetje alsof we ons in een atoom bevonden, waarvan de deeltjes zich verhoudingsgewijs even ver van elkaar af bewegen ‘als vliegen in een kathedraal’.

Natuurlijk zou ik er makkelijk achter kunnen komen of ik op Wallis of op Futuna ben geweest, maar is dat soms interesting? Nope. Bovendien wil ik niet dat iemand erheen gaat. Denk erom. Vliegtuigen, CO2, opwarming, foute boel. Niet alleen het toerisme moet aan banden worden gelegd, het zou ook goed zijn als belangrijke mannen wat vaker thuis bleven. Want het laatste wat we willen is dat de middle of nowhere onder de zeespiegel verdwijnt.

Dit verhaal verscheen eerder bij Hoemannendenken