Het morele kompas dat de bezetter vreest – door Carl Stellweg

Amro

In juli moet Issa Amro, oprichter van de organisatie Youth Against Settlements, voor de Israelische militaire rechter verschijnen. Waarom vreest Israel dergelijke vreedzame activisten eigenlijk zo? Misschien vanwege hun morele kompas.

Soms zien ze er eentje urenlang op wacht staan. In de regen en de kou of in de brandende zon. Verkleumd of verhit, zuchtend onder zijn bepakking en wapentuig. Nog nauwelijks volwassen, zichtbaar ontheemd, zo ver van zijn moeder, zijn vrienden. Ach jongen toch, het valt ook allemaal niet mee, zeggen ze dan. Kon je maar naar de disco, zoals een jongen van jouw leeftijd hoort te doen. Wil je een kopje koffie? Of een colaatje? Iets anders? Je zegt het maar.

Het antwoord is steevast afwijzend. Een soldaat mag niet zomaar iets aannemen van de vijand als er geen dwang in het spel is. Daar zit altijd een luchtje aan. En inderdaad: het is niet echt uit medelijden dat Palestijnse activisten Israelische soldaten op een dergelijke wijze benaderen. Natuurlijk, de ene soldaat is de andere niet, en in elk uniform zit een mens. Maar dat uniform schept ook een onoverbrugbare kloof. Dat uniform is eigenlijk een symbool van onmacht. En dàt is wat de Palestijnse activisten willen aantonen. Het is geen medelijden of medeleven wat ze beweegt, het is meewarigheid, een morele overwinning op degene die jou je vrijheid heeft afgenomen.

Bovenstaand tafereel is ontleend aan de even grimmige als absurde realiteit van Al-Khalil, of Hebron, de grootste stad op de Westelijke Jordaanoever. Zeg ‘Hebron’ en je zegt ‘H2’, het deel van de in totaal 170.000 inwoners tellende stad dat onder Israelisch bestuur staat omdat er 500 tot 800 fanatieke kolonisten onder 30.000 Palestijnen wonen. Dat willen die kolonisten vanwege de oudtestamentische aartsvaders, die in Hebron al duizenden jaren in hun tombes rusten. Het was bij die tombes dat de kolonist Baruch Goldstein in 1994 dertig Palestijnen doodschoot. En het is door de sindsdien totaal vergiftigde verhoudingen dat Al-Khalil de enige Palestijnse stad is waarvan het bestuur niet in zijn geheel is overgedragen aan het Palestijnse Gezag.

De gevolgen zijn verstrekkend: de Oude Stad, ooit het commerciële hart van een streek die honderdduizenden inwoners telt, is al vele jaren een spookstad. De soek is weggekwijnd. In de Shuhada-straat, een eertijds belangrijke verkeersader, heerst permanent een High Noon-sfeer. Huizen zijn gebarricadeerd, ramen en balkons met tralies afgezet, en het enige toegestane verkeer bestaat uit Israelische militaire voertuigen en kolonistenauto’s. Vandaar dat de straat ook wel ‘steriel’ wordt genoemd: niet besmet door Palestijnen. Verder zandzakken, betonnen uitkijktorens, checkpoints, barricades en regelmatig gewelddadige incidenten waarvan bijna altijd Palestijnen slachtoffer zijn. Een hogedrukpan waar vaak een geladen stilte heerst, een emotionele vuilnisbelt die je een keer moet hebben meegemaakt om dan nog steeds niet te begrijpen.

Shuhadda-straat in Al-khalil (Hebron)

Shuhadda-straat in Al-khalil (Hebron)

Toen ik er ruim 12 jaar geleden was en de vierjarige Palestijnse peuter Radi Danaa vroeg wat hij voor zijn verjaardag wilde, luidde het antwoord: ‘’Een pistool.’’ Hoezo dat? ‘’Om kolonisten dood te schieten.’’ En waarom hij dat wilde? ‘’Ze maken me bang.” Radi’s ouders lachten toegeeflijk.

Wie weet is Radi Danaa veranderd en heeft hij zich inmiddels aangesloten bij Youth Against Settlements, een kleine maar opmerkelijke organisatie van Palestijnse activisten die geweldloos verzet propageren en de plaatselijke bevolking ondersteuning en bescherming bieden. En, dat vooral, op een gezonde manier weerbaarder proberen te maken. Schieten op kolonisten hoort daar nadrukkelijk niet bij, ook al halen sommigen van die kolonisten zelf gretig de trekker over.

Twee leden van Youth Against Settlements, Ahmed Amro (30)  en Muhannad Qafisheh (24) sprak ik  eerder dit jaar in Nederland. “’Geweld levert ons niets op,’’ zegt Muhannad tijdens een ontmoeting in een rumoerige Rotterdamse horecagelegenheid. Het klinkt niet zalvend, maar fel. ‘’Kijk maar naar de Tweede Intifada. Wat was het resultaat? Onze strijders zijn dood of zitten in de gevangenis. Maar zal ik je wat zeggen? Die gevangenen steunen ons nu. Die begrijpen inmiddels ook dat wij Israel alleen maar in de kaart spelen met gewapend verzet. Om de voor de hand liggende reden dat Israel een gemilitariseerde staat is en dus alleen militaire oplossingen voor problemen weet. Daar komt wel een probleempje bij: om militaire oplossingen te kunnen rechtvaardigen heb je tegenstanders nodig die je als terroristen kunt afschilderen. Want terroristen mag je altijd doodschieten. Vandaar dat Israel zo met ons in de maag zit. Je moet wel heel veel fantasie hebben om terroristen in ons te zien. Israel weet dus niet wat het met ons aanmoet, hoe het op ons moet reageren. Net zoals zo’n soldaat dat niet weet als wij hem aanspreken. Omdat we hem een spiegel voorhouden.’’

YAS1

Ahmed Amro en Muhannad Qafisheh van Youth against Settlements

Het is een elegante redenering die je de laatste jaren vaker hoort onder activisten op de Westelijke Jordaanoever. Een redenering waarin de boodschap van Mahatma Gandhi, Martin Luther King en Neslon Mandela doorklinkt. In het kleine educatieve centrum van Youth Against Settlements wordt aan het gedachtegoed van deze drie dan ook volop aandacht besteed. De filosofie, geschiedenis en strategische inzet van geweldloos verzet komen uitgebreid aan bod. Het heeft zonder meer iets ontroerends, zelfs heroïsch, dat dit gebeurt op een steenworp afstand van een nederzetting waar kolonisten van de gewelddadigste soort wonen, en dat de plaats van handeling Tel Rumeida is, een van de meest geteisterde wijken van Al-Khalil. Maar toch: zou geweldloos verzet Palestijnse zelfbeschikking werkelijk dichterbij brengen?

Niet volgens Sjeik Bassem al-Saadi, een leider van de Islamitische Jihad, die ik vier jaar geleden op een geheime plek in Jenin interviewde. ‘’Ik respecteer en steun onze broeders en zusters van het vreedzaam verzet,”  sprak de sjeik die ervan wordt verdacht tal van terreurdaden te hebben gefinancierd. ‘’Maar hun inspanningen volstaan niet. Vertelt u mij eens, was het verzet tegen de Duitse bezetters in Holland louter vreedzaam? Of het verzet tegen het Frankrijk van Pétain?”

Daar wist ik wel een antwoord op: de Nederlandse en Franse verzetslieden hadden machtige bondgenoten, waarvan ze mochten hopen dat die hen ooit te hulp zouden schieten. Voor de Palestijnen ligt dat anders. Was het dan niet verstandiger je te beperken tot vreedzaam verzet, maar dat dan wel massaal, eendrachtig te plegen? Met een dergelijke tactiek kreeg Gandhi de Britten toch ook op de knieën?

De sjeik verwierp mijn propositie: ‘’De situatie op de Westelijke Jordaanoever is niet te vergelijken met die in India,’’ doceerde hij. ‘’De Britten wilden het Indiase subcontinent wel exploiteren en gebruikten hiervoor de bevolking en haar leiders, maar lieten het land verder min of meer ongemoeid. Israel, daarentegen, heeft het op ons grondgebied voorzien. Er is hier gelijktijdig sprake van een militaire bezetting, van een agressieve kolonisering en van een sluipende etnische zuivering. Voor de Palestijnen is geen plaats. Israel wil ons niet gebruiken, maar verjagen, ons het leven zo zuur maken dat we zelf onze biezen pakken. Onder dergelijke omstandigheden is het onmogelijk het massale protest op touw te zetten dat u voorstelt. Wij zijn versplinterd, kunnen ons onvoldoende organiseren. Overigens heeft Mahmoud Abbas, de meest gematigde Palestijnse leider die Israel zich kan wensen, al jaren geleden voor een vreedzame strategie gekozen. Wat heeft het opgeleverd? In Israel is het politieke klimaat alleen maar extremer en onverzoenlijker geworden. Het beleid van Abbas heeft dus kennelijk averechts gewerkt.”

Tel

Palestijns gezin in Tel Rumeida

De activisten van Youth Against Settlements laten zich niet ontmoedigen door dit betoog. ,,Dat wij Palestijnen er slecht voorstaan mag duidelijk zijn,’’ zegt Ahmed Amro. ‘’Als je het heel pessimistisch bekijkt, winnen we nooit. Alleen zijn er verschillende vormen van niet winnen, en dat is heel belangrijk. Als je geweld gebruikt, verlies je alles. Als je geen geweld gebruik verlies je eigenlijk nooit, ook als je niet wint. Of win je, omdat je niet alles verliest. Omdat je blijft leven. Omdat je stand houdt, tegen de wil van de bezetter in.’’

Met ‘leven’ bedoelt Amro veel meer dan ‘overleven’, zo blijkt. Als het alleen maar om overleven zou gaan, zou de bevolking van Tel Rumeida allang en masse zijn vertrokken. Youth Against Settlements probeert dat met man en macht te voorkomen, omdat een Palestijnse uittocht precies is wat de kolonisten en uiteindelijk ook het Israelische gezag willen. Sinds het uitbreken van de zogeheten messen-intifada, twee jaar geleden, is de buurt tot gesloten militair gebied verklaard. Wie zich niet heeft laten registreren, komt er niet in of uit. Dit heeft ernstige consequenties voor het dagelijks leven. Reparateurs blijven weg omdat ze geen arrestatie bij een checkpoint willen riskeren. Vervangingsonderdelen, huishoudelijke apparatuur, medicijnen – niets kan zomaar even aan huis worden afgeleverd. Youth Against Settlements past er een mouw aan door van alles de wijk in te smokkelen. Hele ijskasten worden ’s nachts over heuveltjes en door boomgaarden gesleept. De beweging organiseert daarnaast vaste dagen waarop tientallen vrijwilligers naar de wijk gaan om reparaties uit te voeren. De macht van het getal leidt hen dan meestal wel door de checkpoints. En dat is nog niet alles. Vroeger moesten kleuters door twee checkpoints om naar de kleuterschool te gaan. Die posten zien er tegenwoordig uit als poorten van zwaar beveiligde gevangenissen, met metershoog hekwerk en massieve metalen draaideuren. Veel ouders hielden hun kinderen daarom liever thuis. Tot Youth Against Settlements een kleuterschooltje op een geschiktere plek inrichtte. Met stoeltjes, speelgoed en ander materiaal dat ook ’s nachts zijn weg over heuveltjes en door boomgaarden vond.

hebron-checkpoint

Checkpoint in Al-Khalil (Hebron).

Tenslotte dragen de activisten van Youth Against Settlements wel degelijk wapens. In de vorm van foto- en filmcamera’s waarmee ze het gedrag van kolonisten en soldaten kunnen vastleggen en online verspreiden. Zodra ze die dreigen te gebruiken, staan de kolonisten en soldaten machteloos met hun vuurwapens. Tenzij ze wereldwijd als moordenaars te kijk willen worden gezet.

Het moge duidelijk zijn dat vreedzaam verzet heel wat anders is dan passief verzet. ‘’Juist degenen die geweld willen, doen niks,’’ zegt Muhannad Qafeshah. ‘’Die zitten zich achter hun laptop te verbijten. Ik denk dat het met een meerderheid van de Palestijnen zo is gesteld. En eerlijk gezegd heb ik daar ook alle begrip voor. Zesduizend doden in de Gazastrook in de afgelopen jaren, van wie de meerderheid kinderen, wat denk je dat zoiets doet bij een bevolking, wat een haat, wat een wraakgevoelens je dan krijgt? Bovendien: geweld tegen een bezetter is volgens het internationaal recht toegestaan. We zullen zo veel mogelijk mensen ervan moeten overtuigen dat geweldloos verzet desondanks niet alleen de verstandigste, maar ook de moedigste keuze is. Het heeft niets met lafheid te maken. Het getuigt juist van kracht en zelfrespect om je niet te laten provoceren. Het schept ruimte in je hoofd en die kun je weer gebruiken om je te ontwikkelen. Heel belangrijk, want een diploma boezemt onze vijanden uiteindelijk meer angst in dan een geweer.’’

De Israelische autoriteiten lijken inmiddels schoon genoeg te hebben van de organisatie. Of van haar oprichter, de 37-jarige elektrotechnicus Issa Amro (broer van Ahmed Amro), die naar eigen zeggen ‘verliefd’ werd op geweldloos verzet toen hij in 2003 een door het Israelische leger gesloten universiteit weer open kreeg nadat hij een massale zitactie op touw had gezet. Issa Amro is al tientallen malen gearresteerd, maar moet nu in juli voor de militaire rechter komen. Die militaire rechter is er speciaal voor Palestijnen, en in meer dan 97 procent van de gevallen komt het tot een veroordeling. Maar ook al maakt Issa Amro dus bij voorbaat weinig kans, het Israelische gezag hoeft niet op PR-winst te rekenen. Vier Amerikaanse Congresleden hebben een brief gestuurd waarin ze aandringen op ‘heroverweging’ van het proces – an unprecedented step, heet zoiets. Een aantal van de 18 aanklachten zou namelijk niet internationaal als strafbaar feit worden erkend. Een ervan luidt: ‘Het kwetsen van de gevoelens van een soldaat’.

Issa

Issa Amro

Sommige mensen vragen zich nog steeds af waarom Israel zo de pik heeft op deze door de Europese Unie erkende mensenrechtenactivist en diens geestverwanten. ‘’Amro vertegenwoordigt hoop,” schrijft de Amerikaanse liberaal-zionistische journalist Peter Beinart. “Niet de nep-hoop van Trump die de ultieme deal wil bereiken voor een conflict dat hij niet eens begrijpt, maar de echte hoop van moedige, fatsoenlijke mensen die zich verzetten tegen hun onderdrukkers zonder hen te haten.’’

Misschien is het antwoord dat die onderdrukker helemaal geen deal wil en veel liever haat bij zijn tegenstanders ziet dan moed en fatsoen. Dat het juist het stevige morele kompas van dit soort activisten is dat wordt gevreesd. Misschien schuilt het grootste gevaar voor de onderdrukker juist in de bekentenis van die ene Israelische soldaat die na een anderhalf uur durend nachtelijk gesprek met Youth Against Settlements-activisten, een werkelijk gesprek, verzuchtte: ‘’Weet je, ik vind die kolonisten ook klootzakken. Ik wil hier helemaal niet zijn.’’ Zo bezien is Youth Against Settlements een kleine kankercel in het corrupte brein van de bezetter.

Parasitair leven – door Carl Stellweg

kleine aaseters14

Hij stapt uit de metro en meteen is alles vertrouwd. Alsof hij niet jaren is weggeweest.Even gedachteloos als vroeger loopt hij door de poortjes en het tochtige halletje van het kleine treinstation waarin het metrostation uitmondt. Hij negeert de kiosk met de kinderlijke traktaties van blikjes hemels koude chocomel en moddervette gevulde koeken die hij ook als volwassene jarenlang niet kon weerstaan. Nu lukt hem dat wel, zoals hij zoveel impulsen heeft leren beteugelen – behalve de impuls van de liefde, precies de reden dat hij is teruggekeerd.

kleine aaseters15

Wat het nut is van de onderneming die hem te wachten staat? Moeilijk te zeggen. Als hij zich schuldig maakt aan nostalgie, dan gaat het om een nostalgie van een hogere orde. Hij is bereid er het nodige voor op het spel te zetten, dat in ieder geval, simpelweg omdat de tijd begint te dringen, hij is immers al bijna bejaard.

Bejaard: een woord dat nog maar weinig wordt gebruikt, juist omdat het zegt waar het op staat, de zaken niet mooier voorstelt dan ze zijn.

Hij loopt door zonder iets om zich heen met bijzondere aandacht op te merken, alsof hij evenveel reden heeft gepreoccupeerd te zijn als in de jaren dat hij hier dagelijks kwam en zich belangrijk en nuttig voelde, een maatschappelijke rol te vervullen had.

Even buiten het station ziet hij dezelfde fietsenstalling als altijd, het kleine busstation ernaast, en alles ademt verlatenheid, ondanks de drukte. Natuurlijk, iedereen maakt dat hij hier weg komt zodra de taken zijn vervuld, dit is een eiland van collectieve onverschilligheid, karakterloos, een levend bouwpakket – best mogelijk dat hij de enige ziel is die er nu het gevoel heeft dat hij thuis komt.

Over hooguit een uur zijn de straten leeg, dan is de kouwe drukte geweken voor de stilte van een kaal kantoorgebergte, en waar zal hij dan precies zijn? Is de beoogde schuilplaats werkelijk beschikbaar? Hij is op een verkenningstocht met een onzekere uitkomst. De hemel mag weten of het allemaal gaat lukken. Hij kent haar metier, ze heeft er trouwens meerdere: beklimster van pyloonbruggen, paaldanseres, om er een paar te noemen. Het metier waar het nu om gaat baart hem de meeste zorgen. Ze mag er goed in zijn, het kan altijd een keer fout lopen, het moet wel een keer fout lopen, en is het niet onvermijdelijk dat zij hem dan in haar val meesleurt? Zal hij er zich tegen verzetten? Zo ja, waarom gaat hij dan überhaupt met haar om?

kleine aaseters12

Hij passeert een viaduct waar het treinspoor overheen loopt, inspecteert vanuit een ooghoek de graffiti die er door een kunstenaar jaren geleden in opdracht van de gemeente is aangebracht, ziet dat het kunstwerk inmiddels lelijk is aangetast maar er daardoor eigenlijk niet lelijker op is geworden, werpt een blik op het talud met bosjes waar hij vroeger vaak zijn blaas heeft geleegd, hoewel een ordentelijk toilet niet meer dan vijf minuten lopen was. Misschien had hij toen al die oerdrang om uit de pas te lopen, of wilde hij een geheim met de bosjes delen door er iets achter te laten.

Hij loopt langs een blinde muur van grijs geverfde baksteen, gaat rechts de hoek om en jawel, daar staan alle kantoorgebouwen die hij van vroeger kent nog, zij aan zij, als logge schepen aangemeerd, het water geen water maar asfalt, en daartussen het gevaarte dat hem jarenlang een veilige haven bood, dat ooit stond voor een vast inkomen, collega’s, waardering, en het plezier zichzelf vrijwel dagelijks in druk te zien. De veilige haven is al jaren leeg, de veiligheid met het naderen van de oude dag verdampt. Amper genoeg geld om van te leven, geen collega’s meer, noch waardering, noch bewijzen in druk dat hij bestaat, en toch – toch is hij opgebloeid. Hij verkeert nu aan de zijde van Niemand Minder Dan Prinses Roekeloosheid. De vraag waaraan hij dit heeft verdiend, is kopje onder gegaan in de flonkerende maalstroom van bewondering, bekoring en ontroering die zijn leven uiteindelijk nog is geworden.

PhotoELF Edits: 2015:01:07 --- Updated User Comments

Hij versnelt zijn pas, en staat dan voor wat eens de burelen van zijn voormalige werkgever waren. Een dikke glazen wand met twee draaideuren, een leeg geruimde ontvangsthal daarachter. Groot, kaal, nutteloos en vagelijk onheilspellend.

Nonchalant kijkt hij om zich heen, alsof hij toevallig voor de ingang van een leeg kantoorgebouw is aangespoeld. Geen sterveling te bekennen, dus trekt hij aan de greep van een draaideur. Die geeft niet mee. Tot zijn grenzeloze opluchting laat de andere draaideur hem toe. Hij ziet dat het slot is geforceerd. Simpel. Zo doe je dat dus. Je moet die dingen gewoon weten. Hij zal dit soort dingen nooit weten.

Binnen voelt hij zich niet onmiddellijk op zijn gemak. Toch heeft hij niet het idee dat hij in overtreding is. Hij komt zijn herinneringen opeisen, heeft dus elk recht hier te zijn. Hangen er camera’s? Hoe heet zoiets, CCTV? Hoeft hij zich geen zorgen om te maken, zo is hem op het hart gedrukt. Hij gelooft er niets van en gelooft het blindelings.

Rechts op een tafel ligt een ordeloos stapeltje toetsenborden, zwerfkinderen die warmte en beschutting bij elkaar zoeken, links is de receptie met alleen nog de geesten van receptionistes, de slanke balie een perron waar geen vreemdeling meer zal stranden. Vóór hem, in de uitgestrekte ontvangsthal, het altijd al wezenloze zitje waar hij nooit iemand heeft zien zitten en dat nu zowaar een nieuwe, ondoorgrondelijke betekenis lijkt te hebben gekregen.

Hij kijkt op. Het atrium rijst boven hem uit. Een op zijn kop gezette afgrond, acht verdiepingen hoog. In het midden, als een torenend, rechthoekig geraamte, de glazen liftschacht met op elke verdieping een brug die de redactielokalen aan weerszijden van het atrium verbindt. Nu pas, na al die jaren, vindt hij dit alles architectonisch geslaagd, imposant en gerechtvaardigd.

kleine aaseters6

Een half leeg geschraapt karkas, daar bevindt hij zich in, en hij voelt zich er al met al snel thuis. Ook karkassen kunnen leven herbergen, ze krioelen er soms van. Parasitair leven, kleine aaseters, die evenveel rechten en even legitieme behoeften hebben als alle andere levensvormen, ook al worden die niet altijd erkend. Is hij, als nostalgicus, ook geen aaseter, iemand die probeert te leven van wat al lang dood en uiteengereten is?

Moeizaam en met gêne, alsof hij op zijn leeftijd nog de kwajongen moet uithangen, klimt hij over een van de poortjes die hem van de lift scheiden. Zijn knieën kraken, hij heeft zijn beste jaren nu toch echt achter zich liggen. En dan die lullige rugzak, vol lekkers en lectuur. Laptop verboden. Kaarsen en dekentjes verplicht. Is dat niet pathetisch? Never mind. Hij drukt op de liftknop. Wat dacht hij nou, natuurlijk gaan de deuren niet open. Hij is echt nog een naïeve jongen, is dat altijd gebleven, en die gedachte schenkt hem een breekbare hoop.

Er zit niets anders op dan het geraamte via zijn wervelkolom – de trap – te bestijgen. Gelukkig dat hij nog wel redelijk fit is: kwestie van die impulsen leren beteugelen. Je krijgt wat terug voor al die moeizaam aangeleerde zelfbeheersing, hoewel geen wijsheid – anders liep hij nu niet de trappen op van een gebouw waar hij niets te zoeken heeft. Heeft hij er niets te zoeken? Hij grinnikt. Wil eigenlijk schateren, voelt zich uitgelaten, vrij. Hij komt het weeskind dat zijn verleden is ophalen en een nieuw thuis geven, aan een nieuwe, jonge moeder voorstellen.

Op de vierde verdieping, waar hij altijd heeft gewerkt, staat hij stil. Niet alleen om op adem te komen, ook omdat er misschien al iets te horen valt van een medeparasiet – maar hij hoort niets. De stemmen uit het verleden, geven die dan wel thuis? Nee, dat panische circus van strebers, dat geblaf en gesnoef, die apenrotskreten: alles verstomd.

Dan klinkt er een oorverdovend, rinkelend alarm. Het stopt, en begint opnieuw. Hij klampt zich vast aan de reling, voelt een diepe rilling in zijn merg, een ijskoude klem om zijn hart, een warme raket in zijn darmen. Als het geluid definitief lijkt te zijn opgehouden, is er alleen de vernederende opluchting dat hij het niet in zijn broek heeft gedaan. Nog niet. Hij loopt snel de brug af, in westelijke richting, het gangetje in dat leidt naar de redactieruimtes, duikt daar de WC in. Hij doet de deur op slot, trekt in één beweging zijn broek en onderbroek omlaag en produceert onmiddellijk een lange, gladde, kurkdroge drol, een puntgave angstplastiek.

Hij blijft nog even zitten, met bonzend hart. De radeloosheid kruipt langs zijn broekspijpen omhoog, doet zijn geslacht krimpen. Het gerinkel klinkt nog na in zijn oren. Hij voelt zich verslagen, weerloos. Vocht hoopt zich op in zijn ogen. De naïeve oude jongen zal weldra in de kraag worden gevat. De rugzak. De dekentjes, de kaarsjes. Zijn medeparasiet. Niet gaan janken.

Dan schiet hem een zin te binnen uit een nog onverwerkt verleden: We moeten de content uitnutten langs diverse mediale kanalen. We moeten de content uitnutten langs diverse mediale kanalen. Precies ja, en als hij dat niet kon begrijpen, dan had hij zijn langste tijd bij dit bedrijf misschien wel gehad. Hij en zijn generatiegenoten hadden lang genoeg lopen fucken, zitten slapen, met hun pik zitten spelen, de belangen van de nieuwsconsument met voeten getreden. Dat nam die nieuwsconsument niet langer. We moeten de content uitnutten langs diverse mediale kanalen.

De content, tut-tut.
Uitnutten, toe maar.
Langs diverse mediale kanalen, het mocht wat.

Waar was de grote uitnutter nu? Hoe was het hem sindsdien vergaan? Welkom bij de club van afgedankten. Wat hadden de diverse mediale kanalen zoal opgeleverd? Niks, niente, nada, nitsjewo.

Dan neemt hij een besluit. Waarom is hij hier? Dat is hem nog steeds niet helemaal duidelijk. In ieder geval niet om met zijn broek op zijn enkels uit de plee te worden getrokken. In ieder geval niet om hier nóg een keer in zijn hemd te worden gezet. Wat er ook gebeurt, hij zal deze keer waardig het pand verlaten. In boeien desnoods, maar met opgeheven hoofd. En hopelijk met Niemand Minder Dan Prinses Roekeloosheid aan zijn zijde, eveneens in boeien, en daardoor rebelser, heroïscher dan ooit. Men zal ervan opkijken, van zo’n flamboyant tweetal.

Hij wil doorspoelen, maar uiteraard is het water afgesloten. Die drol van hem zal verstenen, en degene die hem uiteindelijk vindt zal er een geheimzinnige, prehistorische boodschap in lezen. Hij sluipt de WC uit, spitst zijn oren. Stilte. Een stilte die hem zegt dat hij zijn afspraakje niet te lang meer moet laten wachten. Hij loopt langs de koffieautomaat waar in de uitsparing boven het roostertje plastic bekers zijn gepropt, door drab aangevreten, een tafereel dat hem wonderlijk vertrouwd voorkomt.

kleine aaseters11

 

Hij betreedt de grote zaal die hij zo goed kent. Alle bureaus staan er nog, hier en daar ziet hij zelfs een computer. Hij inspecteert de kasten, vindt een paar vergeten krantenleggers, slaat er eentje open, bladert door de vergeelde inhoud tot hij iets van zijn gading vindt: ‘Geen enkele herinnering kan Marguérite Hélie troosten.’ Een reportage uit een Normandisch dorpje, ter ere van 50 jaar D-Day, bijna een kwart eeuw geleden door hem geschreven. Samen op de foto met een van haar illustere bevrijders, de Amerikaanse generaal Omar Bradley, dat was Marguérite Hélie’s mooiste herinnering geweest, die niet opwoog tegen het leed dat de oorlog haar had bezorgd – de gestorven dierbaren, de afgebroken studie, het gedwongen huwelijk, doorstaan in een spelonkachtig woninkje op het lamlendige Normandische platteland. Marguérite Hélie is waarschijnlijk al een tijd dood.

Dan hoort hij iets. De lokroep waarop hij heeft gewacht en gehoopt. Die hij heeft gevreesd, dat ook. Parelende zang, kwajongensachtig, al is dat niet het goede woord. Iets over een feest dat kan beginnen, want zij zijn binnen. Een carnavalswijs. Welja, je kon alles verwachten. En nu komt hij er niet meer onderuit. Hij kijkt in de richting waarin hij niet eerder heeft durven kijken, kijkt zijn noodlot in de ogen, de welkome, wonderbaarlijke ontwrichting van zijn levensavond, zijn mooiste parasiet, zijn dierbaarste kleine aaseter, en zwaait terug.

 

kleine aaseters13

Gordijnenafhaaldag – door Carl Stellweg

Adapazari7

In 199 ging ik als krantenverslaggever naar Turkije, nadat een aardbeving er aan tienduizenden mensen het leven had gekost. Een spektakel van verwoesting en ontreddering, maar ook van moed en initiatief, dat ik nooit zal vergeten. Af en toe speelt de herinnering op.

 

De naam van de stad is het eerste dat hem verbaast: Adapàzari.
Adapa-wat? Sakarya was het toch? Niet volgens de borden. Later zal hij erachter komen dat veel Turkse steden twee namen hebben, maar voor hem blijft de naam Adapàzari, met die onverwachte klemtoon op de derde lettergreep, die schokkerige opeenvolging van eendere klinkers waar je tong bijna over struikelt, altijd verbonden met de toestand waarin hij deze stad van 200.000 zielen zou aantreffen.

Adapàzari. Met de A van Apocalyps. Dat ook nog.

Zodra hij samen met een lokale chauffeur Istanbul verlaat, haalt hij zijn opschrijfboekje tevoorschijn. Aanvankelijk valt er niets te noteren. Of het moet zijn dat er niets bijzonders is te zien. Hoe zit dat? Is er helemaal geen aardbeving geweest? Hallucineert hij dat er helemaal geen aardbeving is geweest? Is hij niet in staat iets te zien dat volkomen anders is dan wat hij kent, zoals de Aboriginals niet in staat schenen te zijn om de eerste grote schepen van de bebaarde bleekhuiden te zien, ook al waren die pontificaal en onheilspellend in hun blikveld verschenen?

De chauffeur dommelt steeds weg achter het stuur. Hij heeft ook nog een andere baan. ‘s Nachts bewaakt hij de receptie van een klein hotel, overdag rijdt hij van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat buitenlandse verslaggevers rond, brengt hij ze naar plaatsen die tot voor kort weinigen buiten Turkije kenden: Izmit, Gölcük, Yalova. En Adapàzari.

Er is nog een reden dat hij slaap tekort komt. Als hij zijn ogen sluit, begint de aardbeving opnieuw, gaat de boel kantelen in zijn hoofd. Dat vertelt hij de verslaggever en die heeft dan toch nog iets om op te schrijven.

Hoe had hij zich op het grillige, groteske karakter van dit natuurverschijnsel kunnen voorbereiden? Een aardbeving is er wel of is er niet, er zit niets tussen. Een aardbeving veroorzaakt niet alleen een breuk in de aardkorst, maar ook een breuk met de normaliteit, een vertrouwensbreuk met de werkelijkheid van alledag.

Na een kilometer of 150 geeft de rampspoed zich abrupt prijs. De zwaartekracht heeft een macabere slapstick opgevoerd: daken die scheef als een feesthoedje op gebouwen staan, huizen die een plagerige zet naar achteren, naar voren of opzij hebben gekregen, een linnenkast die kaarsrecht en volkomen ongeschonden, in droeve luister, uit een stapel steen en gruis steekt. Een van de wrangste kenmerken van de catastrofe is misschien wel de soms komische aanblik.

Adapazari6

Dan rijden ze Adapazari binnen, waar de seismische krachten alle registers hebben opengetrokken. Het centrum is een onmetelijke pan omgewoelde, grijze betonlasagna, een langgerekte harmonica van puin, een gemutileerd monster waarvan de roestige ingewanden zijn uitgerukt. Halleluja-armpjes van lantaarnpalen hangen troosteloos langszij, en om te zeggen dat de middenstand plat ligt is een smakeloos understatement: de begane grond waar vrijwel alle winkels waren gevestigd, is nu een door natuurkrachten gegraven souterrain geworden.

Wat er kan worden gered wordt gered, al is het nog zo onbetekenend: een tafeltje met afgebroken poten, een speelgoedauto, een wonderbaarlijk ongeschonden gebleven flesje siroop. In een flatgebouw dat in een hoek van pakweg 30 graden slagzij heeft gemaakt, haalt een vrouw op de derde verdieping de gordijnen af, alsof het een doodgewone dag is om gordijnen af te halen. Alsof het vandaag gordijnenafhaaldag is, aardbeving of niet.

En dan die lucht van rotting, weerzinwekkend zoet. Onder het puin, gelukkig niet zichtbaar, eet de dood zich een indigestie aan een grand dessert van verwrongen vlees.

Wat hiertegen te doen? Hoe dit te verwerken? Misschien dat absurde gebeurtenissen op absurde wijze dienen te worden gepareerd. Overal in het rampgebied klinkt een gulle lach. ,,Jullie westerlingen willen niet dat wij ons aansluiten bij Europa?’’ zegt een jongeman die voorlopig op een bank op straat woont. ,,We zijn nu toch maar mooi twee centimeter naar Griekenland opgeschoven. We komen eraan, of je het leuk vindt of niet.’’

En dan die achtkoppige familie die een relatief comfortabel onderdak heeft gevonden in een legertent. ,,De eerste dagen scholen we samen onder een parasol”, zeggen ze. ,,Er was niets te eten. Maar beter ook: eten betekende naar de WC gaan en… er was geen WC!” Bulderend gelach.

‘Onder het puin, gelukkig niet zichtbaar, eet de dood zich een indigestie aan een grand dessert van geknakt vlees’

Een aardbeving is een onzichtbare vijand. Een cliché, maar je ontkomt er niet aan. Waar is het leger dat al deze verwoestingen heeft aangericht? Waar verschuilt het zich? Onder de grond, dat is waar het zich verschuilt, en daar slaapt het meestal, maar waar zou het van dromen? Kunnen we daar een idee van hebben? Zouden we iets van die dromen kunnen begrijpen? Wat voor soort dromen zou aanleiding kunnen geven tot zo’n gewelddadig ontwaken?

De aarde is een kooi slapende honden. De aarde is geen schip dat ons veilig over de peilloze troggen van het universum loodst, de aarde is misschien niet meer dan een onbeduidende richel, voortkomend uit het niets, op weg naar niets, tollend door een onbegrensd niets, waar we elk moment vanaf kunnen kieperen. De grond onder onze voeten is een valse vriend. Was dat in de begindagen van de mensheid ook niet zo? Wat moesten de wezens die altijd veilig in de bomen hadden geleefd aan met die grond waartoe ze waren veroordeeld nadat de savannen waren uitgedroogd en de bomen gestorven? Bood die verraderlijk vlakke, uitgestrekte grond de zekerheid die de takken en lianen hadden geboden? De vraag stellen is hem beantwoorden! Op de grond was de vijand overal, alomtegenwoordig en onzichtbaar, loerend tussen het hoge gras, tenzij ze zich zouden oprichten en om hen heen zouden kunnen zien. En dus deden ze dat, de grond dwong hen ertoe, duwde hen opwaarts, en zo zouden ze uiteindelijk de horizon ontdekken, in zich opnemen en zien hoe die voortdurend veranderde, steeds nieuwe perspectieven uitrolde, als rode lopers voor hun veroveringsdrift.

Adapazari5

Maar lang bleven de bannelingen uit de bomen nog beklagenswaardige wezens, zonder klauwen, zonder slagtanden, en ook nog eens opgezadeld met de zorg voor een ontstellend zwak kroost: immers, de bekkens van de wijfjes versmalden zich doordat ze rechtop moesten gaan lopen, waardoor hun jongen pijnlijk, voortijdig en weerloos ter wereld kwamen.

De soort overleefde, zoals we weten, zij het destijds tegen alle verwachtingen in.

Vreugdekreten wekken de vreemdeling met het opschrijfboekje uit zijn overpeinzingen. Oprechte vreugdekreten ditmaal, geen cynisch geveinsde hilariteit, en hij haast zich naar de plek waar het geluid vandaan komt, zoals het een alerte verslaggever betaamt. Op een heuvel van brokstukken heeft een groepje mannen en vrouwen zich om een bundeltje geschaard, een bundeltje dat een klein kind blijkt te zijn, haast een baby nog. Levend is het aan de krachten van de aarde ontrukt, en het is spookachtig en sprookjesachtig bedekt door grijswit puinstrooisel,  de wenkbrauwen wonderlijk goed zichtbaar, als donzige spinnenpootjes. Een kind, ademend, adembenemend, hoestend, goor en puur, ofwel: wedergeboren, voor de tweede keer de wereld in gespuwd door de wereld.

En even, heel even, schijnt het de vreemdeling toe dat het puin van Adapazari bitterzoet opglanst.

Adapazari8