Flies in a cathedral, or: once I was in the middle of nowhere

flies3

CARL STELLWEG

Once, I found myself in the middle of nowhere. There was darkness around me, there were stars above me, and there was a very big airplane in front of me. Actually, the plane may not have been very big, it probably just seemed so because it was standing in the middle of nowhere.

The airplane reminded me of a big whale marooned on a beach. Of course it was not lying on its belly, choking to death under its own weight, like the imagined whale. It stood perkily on its undercarriage, but that just made it look all the more foolish and forlorn. It was not surrendering to the fate that brought it here, like wise and big old mammals do, it stood there paralysed, perplexed, trapped by some inexplicable cataclysm that had suddenly befallen it, unable to scream out.

flies2

And I was standing there looking at the airplane, feeling sorry for it, strangely relaxed, smoking a cigarette and chatting with a colleague from the Los Angeles Times. He was a heavily-built, clever man with a kind demeanor, whose name I’m sorry to have forgotten. What I do remember is that he often concluded a sentence with: “That’s interesting,” or: “Isn’t that interesting?” It sounded almost childish, endearing, as if the heavily-built middle-aged man was still a curious little boy. So as we stood there, savouring our short but exclusive experience of being in the middle of nowhere, he may have said something to me like: “Mind you, this is an international airport. Isn’t that interesting?”

I nodded in agreement. It was. It was even a bit baffling.

As far as we could see in the darkness, the international airport consisted of a diminutive, two-storied air traffic control tower, and a shack that passed for a passenger terminal. We had walked through it after having given our passports to a small, frizzy-haired, dark-skinned man in a simple uniform, who in turn gave us wordless permission to walk on in what appeared to be an almost pitchdark and dead silent country side. All we could see was a small stretch of road and the shadow of a palm tree.

We walked back, collected our passports, and had another smoke in front of our poor bewildered airplane, until it was time to board again. We suspected we were the only passengers left, because we had seen an elderly, small built, frizzy-haired, dark-skinned couple get off the plane with us, carrying big, bulging plastic bags.

They were gone now. They had disappeared into the pitch dark country side, where they belonged. They were probably the only reason the plane had landed on this international airport.

flies1

How did I get here? It didn’t feel like it mattered. Suffice it to say that a week before, I was still in the Netherlands, my home country, more than 15.000 kilometers away, and I had not expected to be travelling, let alone travelling this far. Chance and one phone call made it happen.

Where was I? I must have known it at the time, but to tell you the truth: I forgot. It was one of two small islands: Wallis or Futuna. Together they form a French ‘overseas collectivity’ in the Pacific Ocean. Although on the map they look as if they’re quite close to each other, they are 250 kilometers apart. Historically and geographically they do not have a lot in common, but I suppose that in the enormous expanse of the Pacific, grouping them together was a sensible thing to do. So in a way, it was like being inside an atom, the particles of which are, comparatively, as distant from each other ‘as flies in a cathedral’.

Anyway, I was either on Wallis or on Futuna. Of course, I could easily find out now, but I prefer to leave it a mystery. I prefer to keep the memory of my short stop in the middle of nowhere as it is: an utterly senseless, utterly empty, but nevertheless strangely exhilarating and singular moment in my life. It was the sense of being in the middle of nowhere – and everywhere.

Roia: een signaal van hoop en menselijkheid in Syrië

ROIA7

Hoe een jonge en allerminst roekeloze Syrische ‘nerd’ bijna per ongeluk een gedreven activist en wereldburger werd: dat is het verhaal van Khaled Shaaban (34), drijvende kracht achter Roia. Deze Syrische ICT-organisatie zorgt in oorlogsgebied voor internet, telecommunicatie, software en computercursussen, en redt daarmee levens. Onlangs was hij in Nederland. ‘Wij hadden geen missie, de omstandigheden hebben ons gevormd.’

DOOR CARL STELLWEG

Ooit leidde Khaled Shaaban het leven van een typische risicomijdende Syriër. Stel geen vervelende vragen, dan krijg je geen vervelende antwoorden. Steek je nek niet uit, dan heb je het zo slecht nog niet. Een gezapig leventje onder de knoet van de moekhabaraat – de geheime politie – en  de alomtegenwoordige, bordkartonnen beeltenissen van vader en zoon Assad.

Maar toen was daar die vrijdag 15 april 2011, door opposanten van het regime uitgeroepen tot ‘dag van de woede’. Duizenden zogenaamde onruststokers waren al een maand aan het betogen tegen Bashar al-Assad. Tegen zijn zin was Khaled die vrijdag getuige van weer zo’n grote demonstratie, vlakbij zijn woning, aan de rand van de stad. Ineens ontstond er groot tumult in de menigte, mensen begonnen te rennen, en Khaled werd meegesleept. Toen gebeurde het: twee levenloze lichamen rolden zomaar in zijn richting. Ze waren van een pick-up gevallen die in razende vaart gewonde betogers naar het ziekenhuis bracht. ‘In een oogopslag zag ik dat de mannen die voor mijn voeten vielen dood waren. En op dat moment veranderde alles voor me.’

Het stemmetje dat al enige tijd hinderlijk in zijn achterhoofd prevelde, drong zich nu onstuitbaar naar de voorgrond. ‘Stepping out of the box’: een modieuze uitdrukking, maar dat was wat er met hem gebeurde. Hij verliet de schijnveiligheid van zijn bestaan om er nooit meer terug te keren.

En nu zit hij dan, zo’n kleine acht jaar later, als 34-jarige ICT-activist in een hotellobby in Den Haag, en geeft hij een interview over de ideële Syrische ICT-organisatie Roia, waarvan hij een van de drijvende krachten is. Het vraaggesprek maakt deel uit van een kleine tournee die hem ook langs mogelijke geldschieters, beleidsambtenaren en ambassadeurs zal voeren.

Khaled Shaaban (foto: Dafne van Baarle)Khaled Shaaban (foto: Dafne van Baarle)

Ze zijn hem niet aan te zien, de krachtproeven die hij sinds die gedenkwaardige dag in april 2011 heeft moeten doorstaan – de verschrikkingen van een Syrische gevangenis, de dagelijkse bombardementen, de martelende angst. Khaled Shaaban maakt een buitengewoon energieke, begeesterde en opgeruimde indruk. Stilaan is hij zich een wereldburger gaan voelen, met een onverzadigbare nieuwsgierigheid naar oorden waarvan hij zich het bestaan nog niet zo lang geleden amper bewust was, maar die hij inmiddels allemaal heeft bezocht: Cambodja, de Filippijnen, Vietnam.

En nu dus, voor het eerst, Europa.

Nederland mocht hij pas na een derde visumaanvraag in, terwijl het juist hier is dat Roia als stichting ingeschreven staat: met dank aan de bemiddeling van sympathisanten als de prominente Bahreinse bugerrechtenactiviste Esra’a al-Shafei en de Nederlandse arabiste en ‘cultuurmakelaar’ Dafne van Baarle, die voorzitter is van het bestuur waarvan Khaled ook deel uitmaakt. Hoe dat zit? De organisatie, die het levenslicht zag in omsingeld, geïsoleerd en door vaatbommen bestookt rebellengebied, is inmiddels zo groot gegroeid dat ze behoefte heeft aan een gunstig fondsenwervingsklimaat, zoals dat in Nederland bestaat.

Het zoete gif van de Arabische lente

Hoe anders keek Khaled ooit tegen het leven aan. Een paar weken voor het beslissende incident met de twee lijken vertelde een vriend hem dat de Arabische Lente misschien naar Syrië was gekomen. Hij reageerde onthutst. ‘Ik hoopte dat het niet waar was. Wat ging er nu allemaal gebeuren? Hoe zou het gaan met mijn gezin, mijn werk?’

De weken daarop maakte hij zichzelf wijs dat Syrië immuun was voor het zoete gif van de Arabische lente. ‘Wij hadden die hier niet nodig, hield ik mijzelf voor. Ik luisterde vooral naar berichten van het Syrische regime, liet me daardoor geruststellen, hield me doof voor andere geluiden. Tegelijkertijd begon dat stemmetje in mijn achterhoofd te zeuren dat er iets niet klopte, dat de hele manier waarop dit land jarenlang was geregeerd niet deugde, ook al had ik me daar nooit echt in verdiept. Maar ik was bang.’

De revolutie vóór de revolutie

Khaled Shaabans achtergrond is bescheiden. Hij groeide op in Jobar, een buitenwijk van Damascus. Na zijn lagere school moest hij geld gaan verdienen. Hij leerde, veertien jaar oud, het vak van kleermaker en timmerman, maar toen hij voor het eerst een computermuis zag, begreep hij pas waarvoor hij in de wieg was gelegd. ‘Het was in de computerwinkel van een zakenrelatie van mijn grootvader. Ik moest daar dozen uitpakken en zo, toen mijn oog op zo’n ding viel. Geen idee wat het was, maar het trok me onweerstaanbaar aan.’

‘Ik luisterde vooral naar berichten van het Syrische regime, liet me daardoor geruststellen, hield me doof voor andere geluiden. Tegelijkertijd begon dat stemmetje in mijn achterhoofd te zeuren dat er iets niet klopte.’

Binnen een jaar streefde hij als zestienjarige de bedrijfsleider voorbij in IT-kennis. Hij leerde computers assembleren, specialiseerde zich in netwerkarchitectuur, werd zelfs het hacken meester, kortom: in no time was hij een volleerde nerd, in een regio waar IT aan het begin van dit millennium nog in de kinderschoenen stond. Maar al snel zou de gemiddeld heel jonge bevolking van het Midden-Oosten inzien dat de digitale snelweg de weg naar een beetje vrijheid was. Khaled Shaaban bevond zich in de voorhoede van deze revolutie, die aan de Syrische revolutie vooraf ging. Toen deze laatste uitbrak, zat hij echter in de achterhoede. Hij was inmiddels IT-manager, had een gezin met een pasgeboren kind, boerde goed. Hij wilde beschermen wat hij had, en dat beïnvloedde zijn kijk op het bewind: het was misschien niet lief, maar je wist tenminste wat je eraan had.

De Techneut van Syrië

Niet alleen de confrontatie met de twee doden, ook de daaropvolgende, wekenlange detentie van zijn broer zorgden ervoor dat het in zijn hoofd ging kantelen. ‘Via betaalde informanten wisten we dat zijn medegevangenen hem dagelijks hoorden schreeuwen, dat hij dus werd gemarteld. Het was mij volkomen duidelijk welke kant ik moest kiezen. Maar ik was nog steeds vreselijk bang. Ik had niet de moed om mee te demonstreren, al wilde ik wel heel graag iets doen. Vrij snel kwamen mensen naar me toe met de vraag of ik hun mobiele telefoons kon beveiligen en hun laptops versleutelen. Prima, daar draaide ik mijn hand niet voor om, en zo kreeg ik in het activistencircuit al snel de codenaam Sham tiqani – de Techneut van Syrië. Heel eervol, maar ik vond mezelf nog steeds een lafaard. De doodsverachting van anderen vervulde me met ontzag. Die kon ik niet opbrengen.’

‘Ik had niet de moed om mee te demonstreren, al wilde ik wel heel graag iets doen.’

De kiem voor Roia werd gelegd toen Khaled een andere tiqani ontmoette, met wie hij de eerste – gesmokkelde – apparaten voor de ontvangst van internetsatellieten installeerde, teneinde de IT-infrastructuur van het regime te omzeilen. Al snel waren er ingrijpender oplossingen nodig, omdat Damascus tegen die tijd de telecommunicatie op het platteland afsneed, wat betekende: geen internet, geen telefoon, niets. En dus installeerden Khaled en zijn medestanders gelijktijdig apparaten op het platteland en in de hoofdstad, en lieten die met elkaar ‘praten’. Zo dirigeerden ze het internet vanuit vijandelijk territorium naar degenen die het het hardst nodig hadden: ziekenhuizen vooral, die op deze manier in contact bleven met elkaar, maar ook met de buitenwereld – als humanitaire stem die kon vertellen wat er zich in Syrië afspeelde.

‘Ondertussen was ik nog altijd maar een parttime activist,’ zegt Shaaban. ‘Ik had mijn baan in Damascus niet opgegeven. Maar dat duurde niet lang meer.’

Afscheid van het parttime activisme

Het tweede kantelpunt deed zich voor na zijn arrestatie bij een checkpoint waar veel mensen op een dag werden opgepakt als vergelding voor de ontvoering van een sluipschutter door rebellen. De behandeling die hij en andere arrestanten in de gevangenis kregen was wreed, maar niet zo gruwelijk als van degenen tegen wie een concrete verdenking bestond. Hij werd geblinddoekt, geslagen, met velen in zo’n krappe ruimte opgesloten dat niemand er een dragelijke houding voor zichzelf kon vinden; hij werd aan psychologische marteling onderworpen met dreigementen van een aanstaande executie; hij voelde dat de dood dichtbij was, zag mensen ook echt doodgaan, of voor zijn ogen gek worden. ‘En toch werd mij moed ingesproken door gevangenen die wisten dat hun lot was bezegeld, dat ze nooit meer vrij zouden komen. Dat was ongelooflijk.’

Nauwelijks minder opzienbarend, voor een buitenstaander, was de conclusie die Khaled Shaaban trok toen hij weer vrijkwam. ‘Ik zei tegen mijn kameraden: goed dat we dit hebben meegemaakt. Nu weten we dat parttime activisme niet genoeg is. Dit bewind krijgen we alleen weg als we ons daar fulltime aan wijden. Dit gaat niet eens meer om vrijheid, het gaat om goed en kwaad. Het gaat niet zozeer meer om politieke eisen, zoals de opheffing van de noodtoestand, of om idealen als vrijheid van meningsuiting, maar om fundamentele menselijkheid. Om alles waar dit regime nietvoor staat. Het gaat om hen die sterven, om menselijk lijden.’

‘Dit gaat niet eens meer om vrijheid, het gaat om goed en kwaad. Het gaat niet zozeer meer om politieke eisen, zoals de opheffing van de noodtoestand, of om idealen als vrijheid van meningsuiting, maar om fundamentele menselijkheid.’

Khaled had nog nooit van mensenrechten gehoord, maar op dat moment werd hij een mensenrechtenactivist. Fulltime, wel te verstaan. Hij zegde zijn baan op, stuurde zijn gezin naar Jordanië, verhuisde naar rebellengebied in de oostelijke Ghouta, ofwel het oostelijke deel van het landelijk gebied dat in het oosten en zuiden aan Damascus grenst. ‘Ik en andere technici zetten er ons eerste officiële project op, het emergency medical system, een telecommunicatiesysteem dat medische hulpdiensten in staat stelt snel te reageren op noodgevallen.’ Er was contact met buitenlandse donoren, terwijl ook de in Istanbul zetelende Syrische Nationale Raad financieel bijsprong.

De angst werd niet minder, integendeel: ‘Ik was nu niet meer bang dat ik zou worden gearresteerd,  maar dat ik zou sterven.’

Shaaban en zijn medewerkers, inmiddels acht man sterk, installeerden zendmasten die internet per satelliet konden ontvangen, waardoor de hele regio online bleef: gratis nog wel. Medio 2013 werd de mast verwoest door het regime, waarop ze die herbouwden, met een reservemast erbij, plus een minder makkelijk detecteerbaar signaal. Het was leven onder extreem gevaarlijke omstandigheden, en misschien dat er juist daarom wat werd afgelachen. ‘Ze bombardeerden niet alleen onze masten, maar ook ons kantoor. Op een nacht viel er een vaatbom vlak naast de ruimte waar we sliepen. We sprongen op, renden naar een aangrenzend vertrek, keken elkaar aan, stelden vast dat iedereen nog leefde, en vielen onmiddellijk weer in slaap, want we verkeerden voortdurend op de rand van uitputting. We hebben er nog vaak hartelijk om gelachen – voor een buitenstaander misschien moeilijk te begrijpen.’

Installatie van zendapparatuur in de oostelijke GhoutaInstallatie van zendapparatuur in de oostelijke Ghouta

Geschapen door behoeften

In 2013 kreeg hij een uitnodiging van Europese donoren om naar Istanbul te komen voor overleg. Bedoeling was de organisatie, die toen nog alleen ‘technisch bureau’ heette, meer handen en voeten te geven. Het was ook een gelegenheid zijn gezin weer eens te zien, want dat zou zonder problemen van Jordanië naar Turkije kunnen reizen. Hem stond een veel gevaarlijker tocht te wachten. De afstand tot de Turkse grens bedroeg zo’n 350 kilometer. Er was een auto beschikbaar, maar het kostte hem uiteindelijk een week om er te komen. Een groot deel van de reis voltrok zich ‘s nachts, te voet. Eén keer liepen hij en zijn escorte  in een hinderlaag van het leger. Ze overleefden het door zich doodstil te houden en de verleiding te weerstaan terug te schieten – dan had de vijand ze precies kunnen lokaliseren.

Eenmaal in Turkije kostte het hem moeite de vervreemdende grauwsluier van de oorlog van zich af te werpen. ‘Het schokte me om mensen onbekommerd over straat te zien lopen, en te ervaren hoe alles op een normale manier werkte.’ In Istanbul leidde het overleg met donoren tot een uitbreiding van activiteiten en tot de naamsverandering in Roia – ‘visie’ in het Arabisch. ‘Die visie kregen we nu ook pas echt. Toen we begonnen, hadden we helemaal geen missie, geen doelstelling, geen vooropgezet  idee, we deden gewoon wat kennelijk nodig was, wat de mensen van ons vroegen. Vandaar dat wij ons geen van allen willen opwerpen als oprichter van de organisatie. Het zijn de behoeften, de omstandigheden, die ons hebben geschapen en gevormd, we zijn er vanzelf ingerold.’

Toen we begonnen, hadden we helemaal geen missie, geen doelstelling, geen vooropgezet  idee, we deden gewoon wat kennelijk nodig was, wat de mensen van ons vroegen.’

In Istanbul leerden professionals in de humanitaire sector Khaled Shaaban om plannen te maken, subsidies aan te vragen, een strategie uit te stippelen. ‘Van een informeel clubje mensen die noodhulp verleenden op basis van de vaardigheden die ze toevallig hadden, werden we een bedrijf dat ICT op zo veel mogelijk manieren wil gebruiken om het leven in een crisis- en conflictgebied te verbeteren. We gingen ICT-opleidingen opzetten om mensen aan een bron van inkomsten te helpen. Het doet er immers niet toe vanuit welke plek IT-freelancers werken, dat kan overal zijn, zelfs Syrië. Met ICT kan bovendien de positie van vrouwen aanzienlijk worden verbeterd. Ze worden er onafhankelijker door. Gendergelijkheid is binnen onze club zelf de gewoonste zaak van de wereld, vandaar dat we niet geneigd zijn ons erop te laten voorstaan. Maar daarom mogen we nog niet vergeten die als speerpunt van ons beleid te presenteren, want met de positie van vrouwen in het Midden-Oosten is het in het algemeen allesbehalve florissant gesteld. Ten slotte zijn we online activisme gaan faciliteren en hebben we managementsoftware ontwikkeld voor lokaal burgerbestuur en ziekenhuizen. We hebben, kortom, geleerd om verder te kijken dan onze neus lang is, om te zorgen voor continuïteit.’

De lokroep van het normale leven

Ondertussen speelde zich in Khaleds hoofd een pijnlijk proces af. ‘Mijn verblijf in Turkije bracht mij weer in aanraking met wat je ‘het normale leven’ zou kunnen noemen. En toen dacht ik: waarom zou ik geen normaal leven mogen hebben? Ik had een gezin, wilde mijzelf verder scholen. Haast mijn hele familie was naar Europa geëmigreerd en spoorde mij aan om ook te komen. Het was een hele aantrekkelijke optie. Tegelijkertijd stuurden mijn vrienden in Syrië, die niets wisten van mijn twijfels, mij voortdurend berichten over wat ze nu weer allemaal voor elkaar hadden gekregen. Uiteindelijk kon ik ze niet in de steek laten. Morele plicht? Zover wil ik niet gaan. Hogere taak? Dat zeker ook niet. Het was uiteindelijk een kwestie van loyaliteit aan een groep individuen. En misschien was Roia ook wel een beetje mijn baby geworden.’

Khaled keerde echter niet terug naar Syrië. Hij bleef vanuit Istanbul sturing geven aan de organisatie, kwam aan het hoofd te staan van een ngo (‘iets waarvan ik vroeger dacht dat je het kon eten’), wierf fondsen, maakte beleid. Zo ging dat een paar jaar door, totdat de oorlog Roia vorig jaar met reusachtige handen optilde en aan barrels smeet: Syrische troepen veroverden met Russische steun de gehele oostelijke Ghouta. Aan alle activiteiten van Khaleds organisatie kwam een einde. De materiële schade was immens. Nog erger was dat een aantal medewerkers omkwam. De rest vluchtte met tienduizenden anderen naar oostelijk Aleppo en Idlib, dat nog in handen was van rebellen en waar Roia zo goed en zo kwaad als het ging zijn programma’s hervatte. ‘Als we iets hebben geleerd, is het om verliezen te incasseren,’ zegt Khaled, waarbij hij ook refereert aan het rebellengezag in het gebied, dat van gematigd tot minder gematigd islamistische snit was en Roia het werken soms onmogelijk maakte wegens vermeende sympathieën voor westerse vijanden.

Verwoestingen in het dorp Arbin, in de oostelijke Ghouta (foto: Qasioun News Agency)Verwoestingen in het dorp Arbin, in de oostelijke Ghouta (foto: Qasioun News Agency)

De actieradius van de organisatie in Syrië is dus aanzienlijk gekrompen. Tegelijkertijd lijkt ze Syrië te zijn ontgroeid. Roia biedt inmiddels de twee miljoen Syrische vluchtelingen in Turkije ook ICT-cursussen aan, alsmede aan armlastige Turkse burgers, om scheve blikken te voorkomen. Zo krijgen beide groepen toegang tot buitenlandse markten die meer perspectief bieden dan de Turkse markt. Verder zijn er plannen om in Jemen en Irak activiteiten te ontplooien, kortom: om in elk ernstig crisisgebied in het Midden-Oosten een positieve bijdrage te leveren.

Zou Roia eventueel bereid zijn te werken in delen van het land die onder controle staan van Assad? Die vraag zou Khaled enkele jaren geleden nog met een ferm ‘nee’ hebben beantwoord, Nu denkt hij er anders over. ‘Sinds ik in Turkije woon, bekijk ik de zaken genuanceerder en besef ik dat de revolutie niet in een religie mag ontaarden. Wij zijn in essentie geen politieke organisatie. Toen ik in nog in Syrië zat, was ik geneigd te denken in termen van goed en kwaad, met vrijwel niets daartussen. Burgers die achter Assad stonden, waren een deel van een probleem.’ En impliciet refererend aan zijn eigen positie, bij het uitbreken van de revolutie: ‘Veel van deze mensen zullen pragmatische redenen hebben voor hun steun. Bovendien: hoe krijg je ze achter je beginselen, als je de deur voor ze dichthoudt? Nee, het voornaamste probleem is dat we het regime niet kunnen vertrouwen.’

Het slechten van de muur van angst

Dat regime lijkt het pleit echter wel te hebben beslecht. Hoe ziet hij de toekomst van Syrië? Hééft het land wel een toekomst? ‘Luister,’ zegt Khaled op indringende toon. ‘Landen als Cambodja en Vietnam hebben ook ontstellende verliezen geleden, en bestaan nog steeds. Als Syrië als land overleeft, is dan geen historisch unicum. En het zal je misschien verbazen wat ik zeg, maar wat mij betreft is de Syrische revolutie ten einde, en is ze een succes geweest. De Syrische revolutie ging namelijk niet alleen om territorium, of om politieke macht, maar vooral ook om de cultuur. Die cultuur van dingen voor lief nemen, daarmee is afgerekend. De revolutie ging om het slechten van de muur van angst. We hebben geleerd om voortaan kritisch te zijn, we durven nu nee te zeggen. Het bewind zal zich nooit meer zo onbedreigd voelen als voorheen.’

Wat mij betreft is de Syrische revolutie ten einde, en is ze een succes geweest.’

Maar betekent dat dan niet de Syriërs nog meer repressie te wachten staat dan voorheen? ‘Op de lange duur zal dat het regime niet helpen. De mensen hebben nu basisbehoeften, en daaraan geven ze prioriteit. Ze hebben eten, drinken, kleding en een dak boven hun hoofd nodig. Zodra in dit alles in redelijke mate is voorzien, keert de roep om politieke vrijheid terug. Ik vergelijk mijn land wel eens met een lichaam: dat is jarenlang vergiftigd. De revolutie heeft dat gif uitgedreven, maar uiteraard ging dat gepaard met zweren, ontstekingen, pus en koorts. Nu krijgt dat lichaam antibiotica en verkeert het in een soort coma, waarin het bezig is zichzelf te helen. Hoe lang dat helingsproces zal duren, weet niemand. Er zijn kolossale bedragen en inspanningen nodig voor de wederopbouw. Dus als je mij vraagt: heeft Syrië een toekomst? Dan zeg ik ja. Maar ik kan je onmogelijk zeggen wanneer die toekomst begint.’

De grote vijand die Israël heimelijk koestert

Gazaa

DOOR CARL STELLWEG

Meer dan 2100 doden, vele duizenden gewonden, een half miljoen ontheemden en een materiële schade waarvan het herstel vele jaren zal vergen: ziedaar de oogst van vijftig dagen rauwe asymmetrische oorlogvoering in de Gazastrook. Volgens Israël ging het om zelfverdediging. Duidelijk is in ieder geval dat de operatie ‘Protective Edge’ onderdeel is van een patroon, een wetmatigheid, waarvoor tien jaar geleden een bewuste basis is gelegd, en waarvan het einde nog niet in zicht is. Een uitgebreide reconstructie, in de vorm van een treurspel in vier bedrijven.

BEDRIJF I. HET EINDE VAN DE TWEEDE INTIFADA, DE VERKIEZING VAN MAHMOUD ABBAS EN DE ONTRUIMING VAN DE GAZASTROOK

Het zijn de eerste dagen van 2005. Yasser Arafat is nog geen twee maanden dood. Samen met hem lijkt ook de bloedige Tweede Intifada ten grave te zijn gedragen. De chaos in de Palestijnse gebieden waarvoor werd gevreesd na het verscheiden van de grote leider blijft uit. Sterker, de campagne voor de presidentsverkiezingen die Mahmoud Abbas in januari met gemak wint, verloopt opmerkelijk ordentelijk.

Het woord ‘intifada’ lijkt tijdens die campagne een scheldwoord. Abbas belooft een einde te maken aan de gewapende strijd. Veel Palestijnen die ik ontmoet, onder wie met name de echtgenotes en moeders die een onzichtbare prijs voor het geweld hebben betaald, hebben er oren naar: khalas, genoeg, finish intifada. Tegelijkertijd tuiten ze sceptisch hun lippen als ik vraag of er wel perspectief zit in een vreedzame voortzetting van de strijd voor Palestijnse zelfbeschikking.

Beeld uit de tweede intifada

Wat Abbas propageerde leek hoe dan ook bittere noodzaak. Het uitzichtloze gewapende verzet had de Palestijnse samenleving ontwricht. In Nablus en Jenin dansten lokale bestuurders naar de pijpen van gewapende bendes. De honderden Israëlische controleposten en wegversperringen maakten het dagelijks leven tot een kwelling. Wat de Palestijnen dringend te doen stond was het eigen huis op orde brengen, het banditisme terugdringen, hun instellingen versterken, het maatschappelijk middenveld speelruimte bieden en de Israëliërs minder aanleiding tot draconisch optreden geven. Met de belofte van een geweldloze intifada won Abbas met grote meerderheid van stemmen de verkiezingen. Al had hij geen serieuze tegenstanders – zo was er geen Hamas-kandidaat en zat zijn belangrijkste rivaal binnen zijn eigen Fatah-beweging in het gevang – het was toch bemoedigend dat deze gematigde oudgediende de teugels in handen kreeg.

Abbas had wel wat externe aanmoediging nodig om vuurgevaarlijke elementen koest te kunnen houden: een gebaar van verzoening, een paar vertrouwenwekkende maatregelen van Israëlische zijde, hoe miniem ook. In plaats daarvan werd de Palestijnse president resoluut gemarginaliseerd – met steun van het Witte Huis, waar neo-conservatieven de lakens uitdeelden. Alvorens met de geringste concessie te komen eisten de Israëliërs, in hun eigen woorden, ‘absolute en onmiddellijke kalmte’ aan het intifada-front. Het meest onbeduidende incident was genoeg voor de verzuchting dat er geen partner voor vrede was.

Abbas slaagde er nochtans in het gewapend verzet te smoren. Hij deed dat in nauwe samenwerking met het Israëlische veiligheidsapparaat. Als gematigde bureaucraat toonde hij zich daarnaast aanmerkelijker betrouwbaarder dan Yasser Arafat, de eeuwige guerrillaleider. Toch bleef de door de VS uitgedokterde ‘routekaart naar Vrede’ een dode letter.

Maar zie: tegelijkertijd nam de toenmalige premier Ariel Sharon een historisch besluit: het ontruimen van de nederzettingen in de Gazastrook. Het leidde tot hevig gekrakeel in de Israëlische politiek, maar met de onverschrokkenheid hem eigen zette Sharon door, en zo werden op 14 en 15 augustus 2005 zo’n 8000 kolonisten uit hun woningen gesleurd en vertrok daarna ook het Israëlische leger.

Joodse kolonisten verlaten de Gazstrook – voorgoed

Voor een deel van de Westerse publieke opinie veranderde Sharon met deze spectaculaire actie op slag van een havik in een duif, een Israëlische versie van Charles de Gaulle. De Franse oorlogsheld was eind jaren vijftig aanvankelijk ingehaald om Algerije voor het vaderland te behouden, maar bracht uiteindelijk de wijsheid op het gebied onafhankelijkheid te schenken. Velen zagen in de Israëlische premier, met zijn door oorlogsmisdaden besmette verleden, een historische evenknie – een ‘bastard for peace’, zoals de Amerikaanse journalist Thomas Friedman die in zijn standaardwerk ‘From Beirut to Jerusalem’ beschrijft: de havik die als enige in staat is een geloofwaardige vrede te sluiten, omdat als een dergelijke vrede niet de best denkbare optie zou zijn, een havik daar nooit voor zou kiezen.

Weissglass

Dov Weissglass

In werkelijkheid was de opgave van de Gazastrook geen vredesmaatregel, maar een oorlogsgambiet. Door afstand te doen van een handvol nederzettingen op een stukje grond met weinig joods-historische wortels en economische betekenis, hoopte Sharon zijn greep op de Westelijke Jordaanoever te verstevigen en het vredesproces de pas af te snijden. Dat viel in elk geval op te maken uit de woorden van Sharons naaste adviseur Dov Weissglass: ‘Het ontruimingsplan heeft tot doel het vredesproces te bevriezen,’ liet hij zich ontvallen tegen de Israëlische krant Haaretz. ‘Wanneer dat lukt voorkom je de vestiging van een Palestijnse staat, voorkom je ook een discussie over vluchtelingen, grenzen en Jeruzalem. De ontruiming verschaft de formaldehyde die nodig is om ervoor te zorgen dat er geen politiek proces komt met de Palestijnen.’

Sharon was destijds bang dat hij de controle zou verliezen over de schijnvertoning die ‘vredesproces’ heette. Zolang zogeheten vredesbesprekingen gevangen bleven in het verlammende keurslijf van de Amerikaanse bemiddeling, kon hij gerust zijn. Inmiddels waren echter twee serieus te nemen ‘wilde’ initiatieven gelanceerd die deze status quo bedreigden. Het eerste kwam in 2002 van Saoedi-Arabië en behelsde een historisch vredesvoorstel van alle 22 landen van de Arabische Liga. Het tweede – het ‘initiatief van Genève’ – hield een gedetailleerd uitgewerkt tweestatenplan in, opgesteld door ervaren politici en deskundigen. Sharon concludeerde dat alleen een Israëlisch initiatief hem voor het vredesmoeras zou behoeden. Zo kwam hij op het idee Gaza op te geven. Het bood hem de mogelijkheid twee potentieel baanbrekende vredesvoorstellen te negeren.

‘De ontruiming verschaft de formaldehyde die nodig is om ervoor te zorgen dat er geen politiek proces komt met de Palestijnen’

Toch zorgde de terugtrekking uit Gaza even voor euforie en hoop voor de toekomst onder de Palestijnen. De mijlpaal werd weliswaar kortsondig ontsierd door een regen van Qassam-raketten, plunderingen en vernielingen van door de kolonisten achtergelaten infrastructuur, maar dergelijke ongeregeldheden waren te verwachten na een unilaterale terugtrekking zonder hoffelijke overhandiging van de huissleutels. De onlusten waren ook niet zo grootschalig als later is voorgesteld. Zeer hardnekkig is het verhaal van de kassen van kolonisten die Palestijnen zouden hebben verwoest, terwijl ze daarmee juist hun economische voordeel hadden kunnen doen. In werkelijkheid hadden de kolonisten zelf de helft van die kassen vlak voor hun vertrek ontmanteld, en bleef de andere helft ondanks pogingen tot vernieling behouden. De Palestine Economic Development Company, opgericht door de Palestijnse Autoriteit, investeerde tientallen miljoenen dollars om van de kassen een rendabel economisch project te maken. Helaas moest het in februari 2006 worden opgedoekt omdat Israël de grensovergang Karni steeds sloot en er dus geen export mogelijk was.

Het verhaal van de door Palestijnen vernielde kassen blijft helaas circuleren als bewijs van de chronische Palestijnse onwil om iets constructiefs tot stand te brengen – Hillary Clinton bracht het laatst nog te berde en kreeg geen tegengas.

Anjerteelt in de Gazastrook

Hoewel de Gazastrook met zijn armoede, overbevolking, sociale problemen en fanatieke militantisme een onrustig en soms ook onveilig oord is, heerst er zelden anarchie. Dat was ook niet het geval na de aftocht van de kolonisten. Binnen 48 uur was de rust hersteld – ook volgens James Wolfensohn, ex-president van de Wereldbank, die werd benoemd tot speciale gezant voor Gaza van het Midden-Oostenkwartet, een instelling bestaande uit de VS, de VN, de EU en Rusland die betrokken is bij het vredesproces.

Er waren verwachtingen, maar die maakten snel plaats voor desillusie. In korte tijd stortte de Gazaanse economie in. Directe oorzaak was dat de grensovergangen goeddeels dicht bleven, in weerwil van een met de Palestijnse Autoriteit gesloten ‘Agreement on Movement and Access’. Israël, dat volledige controle over de grenzen behield en deze dus naar believen kon openen en sluiten, voerde veiligheidsoverwegingen aan voor zijn restrictieve beleid. De tunnelactiviteit heette toen al een probleem te zijn. Ook werd op 25 juni 2006 de Israëlische korporaal Gilad Shali bij een militaire post in het zuiden van de Gazastrook ontvoerd. Hij zou pas ruim vijf jaar later vrijkomen.

Gaza4

James Wolfensohn

Waren de Israëlische veiligheidszorgen werkelijk genoeg reden de Gazastrook vrijwel vanaf het begin zo streng af te grendelen? Volgens James Wolfensohn zat er meer achter. In een inmiddels befaamd interview met de Israelische krant Haaretz (‘All the dreams we had are now gone’) pleit hij onbekwame Palestijnse bestuurders niet vrij. Opmerkelijker is echter dat hij de Amerikaanse regering ervan beticht de behartiging van de Palestijnse belangen waarvoor hij was aangesteld te hebben gesaboteerd. Wolfensohn noemt expliciet Elliott Abrams, destijds plaatsvervangend veiligheidsadviseur van president Bush en een prominente vertegenwoordiger van de neo-conservatieve stroming. Naar verluidt speelde Abrams later ook een belangrijke rol in pogingen een Palestijnse burgeroorlog te ontketenen.

Wolfensohn, een verklaarde zionistische jood die zich graag liet voorstaan op zijn vriendschap met Sharon, meende niet alleen een mandaat te hebben om de Gazaanse economie op weg te helpen, hij dacht ook als gelijkwaardige partner aan de onderhandelingstafel te mogen plaatsnemen. Tot zijn verbazing werd zijn functie binnen enkele maanden volledig uitgehold en kreeg hij geen stem in de vredesbesprekingen. Hij verloor zijn staf en zelfs zijn kantoor en hoewel hem werd verzocht aan te blijven, bedankte hij voor de eer en trad hij na 11 maanden af.

Wolfensohn gaf zichzelf uiteindelijk de schuld; ‘Ik heb mijn mandaat overschat’. Maar God hoort hem tussen de regels van het interview door brommen.

Na het vertrek van Wolfensohn en de mislukking van het akkoord over grensovergangen nam het aantal beschietingen met Qassam-raketten toe. Hoewel deze slechts zeer sporadisch slachtoffers eisten, verhevigde Israël de blokkade. In dit klimaat van toenemende verpaupering, marginalisering, extremisme en onverzoenlijkheid nam Bush vervolgens een opmerkelijk besluit: er moesten Palestijnse parlementsverkiezingen komen. De president wilde voor een lichtpuntje zorgen en ook vorderingen boeken in zijn verklaarde streven het Midden-Oosten te democratiseren.

Tot ontzetting en onbegrip van hemzelf en zijn staf werden deze verkiezingen in januari 2006 ruim gewonnen door Hamas.

 

BEDRIJF II. DE ONONTKOOMBAARHEID VAN HAMAS

De Britse journalist Robert Fisk, een Midden-Oosten-veteraan, heeft net als velen geen hoge pet op van de islamitische verzetsbeweging. ‘Ja, inderdaad, Hamas is corrupt, cynisch, meedogenloos,’ schreef hij kort geleden nog. ‘De meeste zegslieden zijn zo dom, praten zo onsamenhangend,en zijn zo vatbaar voor onbeschofte stemverheffing, dat er geen vriendelijke Israëlische woordvoerder als Mark Regev nodig is om de wereld tegen ze in het harnas te jagen.’

In 2000 ontmoette ik in Gaza voor het eerst een hoge functionaris van Hamas. Het was Mahmoud Zahar, chirurg van beroep, een beruchte hardliner, en een van de oprichters van de beweging. Hij maakte op mij geen domme indruk. Onbeschoft was hij zeker ook niet, noch sprak hij onsamenhangend. Hij beklaagde zich uitvoerig over het cynisme en de corruptie van Fatah, de beweging van Yasser Arafat en Mahmoud Abbas, en leek hiervoor voldoende reden te hebben. Over Israël zei hij, in een aan zijn professie ontleende beeldspraak: ‘Een vreemd element in het grote islamitische lichaam, dat vroeg of laat zal worden afgestoten’.

 

Mahmoud Zahar

De wijze waarop Zahar het vredesproces fileerde was overtuigend: ‘Het vredesproces is niets anders dan een herverkaveling van de bezetting. Onze infrastructuur is erdoor beschadigd, ons bestuur versnipperd, onze bevolking verarmd. Er is een geweldige schade aangericht. Keer op keer heb ik Yasser Arafat voorgehouden dat hij op de verkeerde weg was. De belofte van autonomie die Israël ons heeft gedaan is volstrekt onvoldoende. Autonomie betekent een zekere mate van zelfbestuur voor een minderheid, onder de vleugels van een centrale regering. Palestijnen zijn geen minderheid en Israël is niet onze regering. Gewapend verzet? Inderdaad, dat hebben we altijd gepropageerd. Maar de toevlucht daartoe is niet bepaald een unicum in de geschiedenis. Wij houden niet van geweld, geweld is soms een onontkoombare keuze.’

Aan het eind van het gesprek dreigde hij met zelfmoordaanslagen. Geen loze woorden, bleek later.

‘Israël is een vreemd element in het grote islamitische lichaam, dat vroeg of laat zal worden afgestoten’

De ontmoeting met Zahar bezorgde me een loodzwaar gevoel van onontkoombaarheid. Het leek me een uitgemaakte zaak dat Hamas de Palestijnen iets essentieels te bieden had. Het was een beweging die, ondanks haar totalitaire tunnelvisie, in grote lijnen de waarheid sprak, hoe onbarmhartig die ook was, en die daarnaast duidelijk ergens voor stond – dit in tegenstelling tot Fatah en de kritische Palestijnse intellectuelen die al vóór de ondertekening van de Oslo-akkoorden door Yasser Arafat en diens entourage op een zijspoor waren gezet. Hamas bleef verschoond van de verdenking met het Westen te heulen, en ontmaskerde Arafat als een man die zich van revolutionair boegbeeld tot Israëlische zetbaas had laten degraderen. Het onverzoenlijke, religieus geïnspireerde nationalisme van Hamas bood veel Palestijnen een houvast, een mogelijkheid hun zelfrespect te behouden. Belangrijk was natuurlijk ook dat Hamas als sociale beweging de Palestijnen op een efficiëntere en onbaatzuchtigere wijze bijstond dan de Palestijnse Autoriteit.

Het meest verrassende aan de verkiezingszege van Hamas was dan ook niet die zege zelf, maar het ongeloof waarmee er wereldwijd op werd gereageerd. Bleek hieruit geen gebrek aan inzicht – en misschien ook interesse – in de noden van de Palestijnen?

Méér democratie, zo toonde deze verkiezingsuitslag aan, betekende niet altijd méér veiligheid. Daarin hadden Bush en zijn aanhangers zich pijnlijk vergist. Veiligheid is voor Palestijnen in zekere zin een non-starter, een inherente leugen zolang de Israëliërs niet opkrassen. ‘De meeste Amerikanen hebben een romantische kijk op democratie,’ schreef de Herald Tribune. ‘Ze denken: er zijn geen slechte mensen, alleen slechte leiders. Geef de macht dus aan het volk, dan krijg je vanzelf een ‘goed’ bewind. Probleem is dat wat ‘goed’ is, afhankelijk is van waar je bent. Voor mensen die in welvaart leven, is oorlog een slechte zaak. Als je arm bent, vind je oorlog misschien een goed idee.’

De Palestijnen hadden niet zozeer op Hamas gestemd omdat ze oorlog wilden – ze hadden op Hamas gestemd omdat voor hen het woord ‘vrede’ iedere zindelijkheid had verloren, omdat het een woord was geworden dat stonk naar rotte eieren, naar een zwavelachtig mengsel van verbroken beloftes, bedrog, cynisme, huichelarij en arrogantie. Ze hadden op Hamas gestemd omdat deze beweging, hun barre toekomstperspectief in aanmerking genomen, hen een eiland van respectabiliteit toescheen. Veel meer dan Fatah was en is Hamas een nationale beweging, sterk in de maatschappij geworteld. Hamas is na jaren heerschappij in de Gazastrook mogelijk nu ook corrupt, maar in 2006 was dat zeker nog niet het geval.

‘De meeste Amerikanen hebben een romantische kijk op democratie’

Wat haar openlijke afwijzing van het vredesproces betrof, kreeg Hamas dubbel en dwars gelijk. Terwijl dat proces zich voortsleepte, versnelde Israël de bouw van nederzettingen. Deze politiek maakte een vrede die voor Palestijnen niet vernederend was, onmogelijk. Hamas bood Palestijnen een uitweg uit die vernedering – een zwaar onderschat aspect in het Westen, waar materiële voorspoed de maat van vrijwel alle dingen is. Wanneer die voorspoed goeddeels ontbreekt en ook helemaal niet bereikbaar lijkt, worden abstracties als waardigheid en trots en zelfrespect kostbaarheden waaraan mensen zich soms heviger vastklampen dan aan het leven zelf.

Wat de zelfmoordaanslagen betrof: die zagen de meeste Palestijnen als enige mogelijkheid de Israëliërs even hard te treffen als de Israëliërs hen. Ze waren de enige hoop het conflict militair te winnen. ‘Wij hebben geen F-16’s, Apache-helikopters of tanks, wij kunnen alleen onze eigen lichamen als bommen inzetten,’ verluidde het. Een prominente Palestijnse journalist die bij het station MBC uit Dubai werkte vertelde mij in vertrouwen dat hij zelfmoordaanslagen met zijn ratio als verwerpelijk kon afdoen, maar toch steeds grote moeite had een gevoel van genoegdoening te onderdrukken als er zich weer een had voorgedaan.

Israëliërs gebruiken graag de term ‘morele helderheid’ om het verschil aan te geven tussen de fatsoenlijke democratie die zij pretenderen te vertegenwoordigen en een terreurbeweging zonder ethische remmingen als Hamas. In de ogen van veel Palestijnen ligt het morele gelijk echter volledig bij Hamas. Tegenover de dode Israëlische burgers als gevolg van zelfmoordaanslagen stellen zij het significant grotere aantal dode Palestijnse burgers dat het onvermijdelijke, in te calculeren uitvloeisel is van de onrechtvaardige Israëlische bezettingspolitiek. De Israëlische bewering dat Palestijnse burgers geen ‘doelwit’ zijn, wijzen Palestijnen derhalve van de hand.

Juist Hamas kiest voor morele helderheid door het bestaansrecht van de joodse staat principieel af te wijzen, aangezien deze staat grotendeels is gebouwd op gestolen grond. Aan het impliciete verzoek te betalen voor de gruwelen van het Europese antisemitisme weigeren de Palestijnen te voldoen. De meeste Israëliërs komen van elders, hebben geen reële band met het deel van de wereld waar zij zich hebben gevestigd en horen er dus ook niet thuis. Zo ziet Hamas het, zo ziet de meerderheid van de Palestijnen het ook, en de kans dat er ooit verandering zal komen in dit standpunt lijkt bijzonder klein.

Hamas en ‘de’ Palestijnen zijn wél bereid tot de erkenning van Israël als feit, tot een min of meer vreedzame co-existentie met een entiteit die ze niet bevalt, omdat het niet anders kan. Daarom bood sjeik Ahmed Yasin, de historische leider van Hamas, een hudna aan, een ‘bestand voor onbepaalde tijd’, waarbij het aan ‘toekomstige generaties’ zou worden overgelaten een ‘definitieve beslissing’ te nemen over de verhouding tot elkaar. Israël wees dit aanbod af, sterker nog: sjeik Yasin werd geliquideerd.

Dit alles betekent niet dat de ideologie van Hamas, met haar valse symbolen van heldhaftigheid, haar pathologische verheerlijking van geweld en martelaarschap, haar gebruik van religie als middel tot repressie en haar brute en rigide optreden, geen weerzin zou mogen wekken. In de woorden van David Brooks, columnist van de New York Times: ‘Verheven militantisme is beter dan alledaags bestuur, heethoofdigheid beter dan compromisgezindheid, terreur nobel en de uiteindelijke overwinning subliem.’

Probleem is dat redelijke democraten in een klimaat van achterstelling, onderdrukking en arbitrair geweld iedere overtuigingskracht ontberen. Wie wil begrijpen wat voor een plek de Gazastrook is, moet in de eerste plaats beseffen dat burgerlijke verworvenheden geen gewicht in de schaal leggen, omdat er geen burgerij is. Er is vooral de onmeedogende vlakschaaf van de armoede.

 

Beelden van kleuters die met machinepistolen in de hand en bomgordeltjes om in optochten meelopen veroorzaken in het Westen afgrijzen. Dat is te begrijpen. Ook de meeste Palestijnse ouders zullen hun kinderen ver van dergelijke zaken willen houden. Maar waar westerse waarnemers die beelden uitlichten omdat ze zich dat kunnen veroorloven, geven voor Palestijnen andere zaken de doorslag.

De verkiezingszege van Hamas opende ook nieuwe perspectieven. Wie in het Westen daarop durfde te wijzen, kreeg weinig bijval. Illustratief is het volgende voorval: In het voorjaar van 2006 bood de nieuw aangestelde Israëlische ambassadeur in Den Haag, Harry Kney-Tal, Nederlandse persvertegenwoordigers een lunch aan. Obligate afschuw over de uitkomst van de Palestijnse parlementsverkiezingen domineerde de conversatie. Een journalist van het Algemeen Dagblad die ik niet bij name zal noemen kreeg op den duur zo genoeg van dit zelfzuchtige geweeklaag dat hij de ambassadeur vroeg of hij nu werkelijk niets positiefs in de verkiezingsoverwinning kon zien: immers, door de politieke arena te betreden zou Hamas van een activistische in een politieke organisatie veranderen, een pragmatischer koers moeten varen, compromissen moeten sluiten, manipuleerbaar en corrumpeerbaar worden. Was dat niet iets om naar uit te zien? Of wilde de ambassadeur liever dat Hamas doorging met zelfmoordaanslagen?

Het antwoord van de diplomaat was een verongelijkt geprevel dat in de grote vijver der vergetelheid is opgelost. De AD-journalist, die tot dan een redelijke verhouding had met de Israëlische ambassade en met Kerstmis zelfs geheel ongevraagd persoonlijke cadeautjes van de persvoorlichter ontving, zou drie jaar lang taal noch teken meer van die ambassade ontvangen.

Een journalist van het Algemeen Dagblad kreeg op den duur zo genoeg van dit zelfzuchtige geweeklaag dat hij de Israëlische ambassadeur vroeg of hij nu werkelijk niets positiefs in de verkiezingsoverwinning van Hamas kon zien

Van een dergelijke starheid, maar dan op macroniveau, getuigde ook de houding van de VS, de EU en de Israëlische regering. Zij besloten de Palestijnse bevolking collectief te straffen voor de stembusuitslag. De Palestijnse Autoriteit, ofwel de Palestijnse overheid, kreeg even geen hulpgeld meer, en ook geen belastingafdrachten (die Israël namens de Palestijnse Autoriteit inde). Deze boycot trof Hamas niet, dat ontving immers toch al geen westers hulpgeld. De subsidie uit Iran bleef vrijwel ongehinderd doorstromen. Tegelijkertijd werd Mahmoud Abbas, die kort daarvoor nog geen partner voor de vrede heette te zijn, ineens opzichtig het hof gemaakt. De president kreeg zelfs in het geheim wapens en geld toegeschoven.

Waarom? Het klinkt als een slechte B-film, maar om een coup te plegen.

Mohammed Dahlan

Het Amerikaanse tijdschrift Vanity Fair wist de hand te leggen op documenten die dit geheime initiatief blootlegden. Het was goedgekeurd door Bush en werd ten uitvoer gelegd door minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice en de eerder genoemde Elliot Abrams, plaatsvervangend veiligheidsadviseur. Het idee was een Palestijnse burgeroorlog te ontketenen. Het Fatah-kopstuk Mohammed Dahlan, destijds hoofd van de preventieve veiligheidsdienst in de Gazastrook, moest de middelen krijgen om de door Hamas geleide regering ten val te brengen. Amerikaanse beleidsmakers zagen Dahlan destijds als een kroonprins binnen de PLO. Hij was jong, intelligent, ambitieus, sprak goed Engels en had goede manieren, Maar ook was hij vanwege zijn maffiose praktijken en het brute optreden van zijn vele bodyguards, de meest gehate man in de Gazastrook onder Hamas-aanhangers .

In het Witte Huis gaf het plan aanleiding tot verhitte debatten. Een grote tegenstander was David Wurmser, verklaard neoconservatief en adviseur voor het Midden-Oosten van Dick Cheney. Hij beschuldigde de regering-Bush ervan een smerige oorlog te willen uitlokken ‘om een corrupte dictatuur onder leiding van Abbas de overwinning te bezorgen’.

Uiteindelijk kreeg Hamas lucht van het complot. Er ontstond een kort maar bloedig treffen met Fatah. De uitkomst was dat het Fatah-leiderschap, in het bijzonder Dahlan, de Gazastrook moest ontvluchten. Hamas zette een alternatieve regering op, terwijl Fatah zich terugtrok op de Westelijke Jordaanoever. Abbas bleef er in westerse ogen de legitieme Palestijnse leider, met een Hamas-loze regering onder zijn hoede, ondanks de verkiezingsuitslag. De hele situatie was de schuld van Hamas, luidde de gangbare lezing, die Wurmser niet deelde: ‘Wat er gebeurd is lijkt mij geen coup van Hamas maar een couppoging van Fatah, die, voordat ze kon worden uitgevoerd, werd verijdeld.’ Wurmser trad af als adviseur van Cheney.

 

BEDRIJF III. DE BLOKKADE EN WAAROM DIE ER IS

De machtsgreep van Hamas in 2007 was voor Israël reden over te gaan tot de blokkade die nu nog voortduurt. De levensomstandigheden in de Gazstrook zijn daardoor verder verslechterd. Economische ontwikkeling is onmogelijk. Niet zozeer door de invoerbeperkingen, want ondanks de lage koopkracht is de Gazastrook tot op de dag van vandaag een aardig afzetgebied voor Israëlische bedrijven. Wel houdt Israël vrijwel alle export en al het uitgaande verkeer tegen. Israël verdient dus wel aan Gaza, maar Gaza niet aan Israël. Alle contracten tussen Israëlische bedrijven en hun Palestijnse aannemers zijn ontbonden. Alle Palestijnen die ooit in Israël werkten hebben hun baan verloren. Elk contact tussen de Gazaanse economie en die van de Westelijke Jordaanoever is afgesneden, waardoor de toch al kleine Gazaanse middenklasse is weggevaagd. Lichtpunt was de koekjes- en ijsfabriek Al-Awda, die in 30 jaar tijd en tegen de stroom in uitgroeide tot de omvangrijkste Palestijnse privé-onderneming. Dat is sinds kort verleden tijd: Israëlische tankgranaten hebben de fabriek vernietigd.

De uitgebrande Al Awda-fabriek

Israël zegt dat dit beleid van verstikking en isolering nodig is voor zijn veiligheid. Maar Gazaanse boeren mochten pas onder hevige druk van de Europese Unie aardbeien, cherry-tomaten en paprika’s naar Nederland exporteren. De vraag rijst wat voor veiligheidsrisico er kleeft aan landbouwproducten; waarom er ‘hevige druk’ nodig is om de export van groente en fruit mogelijk te maken

De rechtvaardiging voor het huidige Israëlische optreden staat of valt eigenlijk bij twee beweringen. De eerste is dat de raketbeschietingen uit Gaza niet zijn te verdedigen als verzet tegen een bezetting. Niet alleen omdat ze geen militair doel dienen, burgers kunnen treffen en dus formeel oorlogsmisdaden zijn (al eisen ze gemiddeld slechts drie levens per jaar), maar ook omdat Israël het gebied negen jaar geleden heeft verlaten en de Gazastrook dus de facto een zelfstandige staat is. Maar Israël is Gaza’s grenzen blijven controleren (op de zuidgrens na die Egypte met goedvinden van Israël controleert), Israël is samen met Egypte blijven bepalen wie het gebied in of uit mag, Israël is baas over het luchtruim en over de territoriale wateren en beheert zelfs het bevolkingsregister. Tevens heeft Israël binnen de Gazastrook een veiligheidsstrook aangelegd waar enkele van de meest vruchtbare landbouwgronden liggen. Conclusie: Israël houdt volgens het internationaal recht de Gazastrook nog steeds bezet.

Dat er geen nederzettingen meer zijn in de Gazastrook is verder niet van belang voor deze vaststelling, Volgens het internationaal recht mogen die niet eens in bezet gebied worden gebouwd. Niet voor niets zijn de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever door de gehele internationale gemeenschap als illegaal bestempeld.

Israël houdt volgens het internationaal recht de Gazastrook nog steeds bezet

Een tweede en nog belangrijker argument dat Israël ter verdediging van de blokkade aanvoert is dat de machthebbers in Gaza de hele ellende over zichzelf hebben afgeroepen door Israël met raketten te bestoken in de twee jaar tussen de Israëlische terugtrekking (2005) en het moment dat deze blokkade inging (2007), in plaats van zich aan economische ontwikkeling te wijden. Wat voor garantie had Israël dan dat de situatie zou verbeteren als het de blokkade ophief? Maar de verslagen van het United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs over de uitvoering van het akkoord betreffende de grensovergangen wekken onontkoombaar de indruk dat er nooit een serieuze intentie is geweest dat akkoord uit te voeren, onveiligheid of niet; het interview met James Wolfensohn ondersteunt deze zienswijze.

Het hinderen van de uitvoer van Palestijnse kasproducten, nog vóór de instelling van de officiële blokkade, verbeterde de Israëlische veiligheid niet. Het was een collectieve straf die tot doel had de bevolking op te zetten tegen militanten die raketten afschoten. Een misrekening, want voor de Gazanen zal wat Israël hen aandoet altijd zwaarder wegen dan wat de militanten hen aandoen, ongeacht het causale verband.

Zouden de Israëlische strategen dat werkelijk niet inzien? En zou Israël de Gazastrook werkelijk graag hebben zien bloeien? Onwaarschijnlijk, als het de bedoeling van de ontruiming was om het vredesproces te smoren, zoals Sharons adviseur Dov Weisglass in de krant Haaretz stelde. Een bloeiende Gazastrook zou reclame voor het vredesproces zijn geweest, en zou de roep om verdere concessies hebben versterkt. Het is in dat licht veel logischer te veronderstellen dat het vanaf het begin de opzet was de Gazastrook zo veel mogelijk af te zonderen, en extremisme en raketbeschietingen hiervoor als alibi te gebruiken.

 

BEDRIJF IV. EEN ALTERNATIEVE TWEESTATENOPLOSSING

Als politici van Netanyahu’s signatuur al een tweestatenoplossing nastreven, is dat een hele andere tweestatenoplossing dan de internationale gemeenschap beoogt en acceptabel acht. De Palestijnen mogen het hebben, hun lompenrepubliekje, hun onooglijke stadstaatje in de Gazastrook. Voorwaarde is dat Israël de Westelijke Jordaanoever in zijn geheel toevalt. Feitelijk is al meer dan 60 procent van dat gebied geannexeerd: het betreft de zogeheten C-gebieden die volledig onder Israëlisch bestuur staan, waar alle nederzettingen gesitueerd zijn en waar slechts enkele honderdduizenden Palestijnen wonen. Als de internationale gemeenschap officiële annexatie zou accepteren, zou er weinig op tegen zijn die Palestijnen het Israëlische staatsburgerschap aan te bieden.

In het overige deel van de Westelijke Jordaanoever liggen de Palestijnse bevolkingsconcentraties: steden als Hebron, Nablus,Ramallah, Bethlehem, Jenin, Tulkarem en Jericho, waar in meer of mindere mate sprake is van lokale autonomie. Deze ‘bantoestans’ zouden de bouwstenen moeten vormen van een toekomstige Palestijnse staat. Daar staat Netanyahu’s hoofd duidelijk niet naar. Waarnaar dan wel? Voor een mogelijk antwoord op die vraag is het nuttig aandacht te schenken aan het gedachtegoed van elementen in de Israëlische politiek die nu nog als radicaal te boek staan, maar almaar meer mainstream worden.

Ayelet Shaked

Knesset-lid Ayelet Shaked, wier partij HaBayit HaYehudi (het Joodse Thuis) in de huidige Israëlische regeringscoalitie is vertegenwoordigd, baarde enige tijd geleden opzien door op haar facebook-muur een pleidooi voor genocide op de Palestijnen te publiceren. De moeders van Palestijnse martelaren zouden moeten worden gedood, om te voorkomen dat zij ‘nieuwe kleine slangen baren’, zo viel te lezen. Ook zou Israël de oorlog moeten verklaren aan ‘de gehele Palestijnse bevolking’, ouderen en vrouwen inbegrepen. Steden en dorpen, eigendommen en infrastructuur, hoefden niet te worden ontzien.

Met de Operatie Protective Edge – en eigenlijk al met de operatie Cast Lead uit 2008 – lijkt Israël een voorschot te hebben genomen op deze politiek. Maar er is een alternatief. Wat Ayelet Shaked schreef had ze niet van zichzelf: ze citeerde uit een artikel van Uri Elitzur, een prominente figuur binnen de kolonistenbeweging die in mei overleed en een naaste adviseur was van Netanyahu gedurende diens eerste premierschap in de jaren negentig. In zijn latere jaren verruilde Elitzur zijn genocidale opvattingen opmerkelijk genoeg voor het idee de gehele Westelijke Jordaanoever te annexeren, en alle Palestijnen er het Israëlische staatsburgerschap te geven. Niet van de ene dag op de andere, maar in fases, en al dan niet na ondertekening van een loyaliteitsverklaring. Dit zou Israël bevrijden van de kanker van de bezetting, en het behoud betekenen van de nederzettingen. Tevens bleef de Israëliërs dan een niet-levensvatbare Palestijnse staat bespaard op een stuk land dat grote strategische, economische en Bijbelse betekenis heeft.

Demografisch zou de balans nog steeds in joods voordeel uitvallen, wat betekent dat de joodse democratie zou blijven voortbestaan. Voorwaarde was dat de Gazastrook van het plan werd uitgesloten, want dan kregen de Palestijnen alsnog demografisch de overhand. De Gazastrook zou dus een zelfstandige entiteit worden, met andere woorden: een staat. Een overzichtelijke uithoek van nog geen 400 vierkante kilometer aan de rand van historisch Palestina, een gettostaat.

De Palestijnen mogen hun lompenrepubliekje in de Gazastrook hebben

Of de Palestijnen en de internationale gemeenschap een dergelijk scenario zullen accepteren, is uiterst twijfelachtig. Waarschijnlijker is dat er nog een aantal rondes asymmetrische oorlogvoering in het verschiet ligt. In dat geval zal Protective Edge niets anders zijn geweest dan een tuchtigingsoperatie ter handhaving van de status quo. Het gras maaien, in de woorden van Israëlische militairen, moet om de zo veel tijd gebeuren, maar het is niet de bedoeling de plaggen helemaal af te rukken. Vanuit Israëlisch perspectief is het een kwestie van terreurmanagement.

Het neteligst is de keuze van het moment om de vijandelijkheden te staken. Het moment waarop beide partijen zich tot overwinnaar kunnen uitroepen. Tot nu toe zei Israël dan dat het zijn afschrikking had hersteld, en Hamas dat het de zionistische barbarij had weerstaan. Maar bij elke nieuwe gevechtsronde zal het lastiger worden dat moment te bepalen, omdat schijnoverwinningen steeds moeilijker aan de buitenwacht én aan de eigen achterban zijn te verkopen. Dat bergt het gevaar in zich dat de strijd steeds langer zal duren omdat deze pas kan worden gestaakt als er van een echte overwinning – of misschien een nieuw soort schijnoverwinning – sprake is.

Feit blijft dat Gaza, in zijn huidige vorm, en onder het huidige leiderschap, de garantie biedt dat er geen Palestijnse staat komt. Zo bezien is Hamas de vijand die Israël koestert.

Politieke strategieën kunnen veranderen. Mogelijk dat de VS, de EU, Egypte en nog wat spelers meer druk zullen uitoefenen dan anders om herhaling te voorkomen. Er wordt al gespeculeerd dat Hamas zal moeten inleveren, dat de grenzen gedeeltelijk onder supervisie van de Palestijnse Autoriteit komen te staan, met als tegenprestatie dat de blokkade geleidelijk wordt opgeheven.

Het ziet er voorlopig niet naar uit dat dit zal gebeuren. Het zou ook in tegenspraak zijn met de wetmatigheden die dit slepende drama de afgelopen tien jaar lijken te hebben geregeerd.