Het morele kompas dat de bezetter vreest – door Carl Stellweg

Amro

In juli moet Issa Amro, oprichter van de organisatie Youth Against Settlements, voor de Israelische militaire rechter verschijnen. Waarom vreest Israel dergelijke vreedzame activisten eigenlijk zo? Misschien vanwege hun morele kompas.

Soms zien ze er eentje urenlang op wacht staan. In de regen en de kou of in de brandende zon. Verkleumd of verhit, zuchtend onder zijn bepakking en wapentuig. Nog nauwelijks volwassen, zichtbaar ontheemd, zo ver van zijn moeder, zijn vrienden. Ach jongen toch, het valt ook allemaal niet mee, zeggen ze dan. Kon je maar naar de disco, zoals een jongen van jouw leeftijd hoort te doen. Wil je een kopje koffie? Of een colaatje? Iets anders? Je zegt het maar.

Het antwoord is steevast afwijzend. Een soldaat mag niet zomaar iets aannemen van de vijand als er geen dwang in het spel is. Daar zit altijd een luchtje aan. En inderdaad: het is niet echt uit medelijden dat Palestijnse activisten Israelische soldaten op een dergelijke wijze benaderen. Natuurlijk, de ene soldaat is de andere niet, en in elk uniform zit een mens. Maar dat uniform schept ook een onoverbrugbare kloof. Dat uniform is eigenlijk een symbool van onmacht. En dàt is wat de Palestijnse activisten willen aantonen. Het is geen medelijden of medeleven wat ze beweegt, het is meewarigheid, een morele overwinning op degene die jou je vrijheid heeft afgenomen.

Bovenstaand tafereel is ontleend aan de even grimmige als absurde realiteit van Al-Khalil, of Hebron, de grootste stad op de Westelijke Jordaanoever. Zeg ‘Hebron’ en je zegt ‘H2’, het deel van de in totaal 170.000 inwoners tellende stad dat onder Israelisch bestuur staat omdat er 500 tot 800 fanatieke kolonisten onder 30.000 Palestijnen wonen. Dat willen die kolonisten vanwege de oudtestamentische aartsvaders, die in Hebron al duizenden jaren in hun tombes rusten. Het was bij die tombes dat de kolonist Baruch Goldstein in 1994 dertig Palestijnen doodschoot. En het is door de sindsdien totaal vergiftigde verhoudingen dat Al-Khalil de enige Palestijnse stad is waarvan het bestuur niet in zijn geheel is overgedragen aan het Palestijnse Gezag.

De gevolgen zijn verstrekkend: de Oude Stad, ooit het commerciële hart van een streek die honderdduizenden inwoners telt, is al vele jaren een spookstad. De soek is weggekwijnd. In de Shuhada-straat, een eertijds belangrijke verkeersader, heerst permanent een High Noon-sfeer. Huizen zijn gebarricadeerd, ramen en balkons met tralies afgezet, en het enige toegestane verkeer bestaat uit Israelische militaire voertuigen en kolonistenauto’s. Vandaar dat de straat ook wel ‘steriel’ wordt genoemd: niet besmet door Palestijnen. Verder zandzakken, betonnen uitkijktorens, checkpoints, barricades en regelmatig gewelddadige incidenten waarvan bijna altijd Palestijnen slachtoffer zijn. Een hogedrukpan waar vaak een geladen stilte heerst, een emotionele vuilnisbelt die je een keer moet hebben meegemaakt om dan nog steeds niet te begrijpen.

Shuhadda-straat in Al-khalil (Hebron)

Shuhadda-straat in Al-khalil (Hebron)

Toen ik er ruim 12 jaar geleden was en de vierjarige Palestijnse peuter Radi Danaa vroeg wat hij voor zijn verjaardag wilde, luidde het antwoord: ‘’Een pistool.’’ Hoezo dat? ‘’Om kolonisten dood te schieten.’’ En waarom hij dat wilde? ‘’Ze maken me bang.” Radi’s ouders lachten toegeeflijk.

Wie weet is Radi Danaa veranderd en heeft hij zich inmiddels aangesloten bij Youth Against Settlements, een kleine maar opmerkelijke organisatie van Palestijnse activisten die geweldloos verzet propageren en de plaatselijke bevolking ondersteuning en bescherming bieden. En, dat vooral, op een gezonde manier weerbaarder proberen te maken. Schieten op kolonisten hoort daar nadrukkelijk niet bij, ook al halen sommigen van die kolonisten zelf gretig de trekker over.

Twee leden van Youth Against Settlements, Ahmed Amro (30)  en Muhannad Qafisheh (24) sprak ik  eerder dit jaar in Nederland. “’Geweld levert ons niets op,’’ zegt Muhannad tijdens een ontmoeting in een rumoerige Rotterdamse horecagelegenheid. Het klinkt niet zalvend, maar fel. ‘’Kijk maar naar de Tweede Intifada. Wat was het resultaat? Onze strijders zijn dood of zitten in de gevangenis. Maar zal ik je wat zeggen? Die gevangenen steunen ons nu. Die begrijpen inmiddels ook dat wij Israel alleen maar in de kaart spelen met gewapend verzet. Om de voor de hand liggende reden dat Israel een gemilitariseerde staat is en dus alleen militaire oplossingen voor problemen weet. Daar komt wel een probleempje bij: om militaire oplossingen te kunnen rechtvaardigen heb je tegenstanders nodig die je als terroristen kunt afschilderen. Want terroristen mag je altijd doodschieten. Vandaar dat Israel zo met ons in de maag zit. Je moet wel heel veel fantasie hebben om terroristen in ons te zien. Israel weet dus niet wat het met ons aanmoet, hoe het op ons moet reageren. Net zoals zo’n soldaat dat niet weet als wij hem aanspreken. Omdat we hem een spiegel voorhouden.’’

YAS1

Ahmed Amro en Muhannad Qafisheh van Youth against Settlements

Het is een elegante redenering die je de laatste jaren vaker hoort onder activisten op de Westelijke Jordaanoever. Een redenering waarin de boodschap van Mahatma Gandhi, Martin Luther King en Neslon Mandela doorklinkt. In het kleine educatieve centrum van Youth Against Settlements wordt aan het gedachtegoed van deze drie dan ook volop aandacht besteed. De filosofie, geschiedenis en strategische inzet van geweldloos verzet komen uitgebreid aan bod. Het heeft zonder meer iets ontroerends, zelfs heroïsch, dat dit gebeurt op een steenworp afstand van een nederzetting waar kolonisten van de gewelddadigste soort wonen, en dat de plaats van handeling Tel Rumeida is, een van de meest geteisterde wijken van Al-Khalil. Maar toch: zou geweldloos verzet Palestijnse zelfbeschikking werkelijk dichterbij brengen?

Niet volgens Sjeik Bassem al-Saadi, een leider van de Islamitische Jihad, die ik vier jaar geleden op een geheime plek in Jenin interviewde. ‘’Ik respecteer en steun onze broeders en zusters van het vreedzaam verzet,”  sprak de sjeik die ervan wordt verdacht tal van terreurdaden te hebben gefinancierd. ‘’Maar hun inspanningen volstaan niet. Vertelt u mij eens, was het verzet tegen de Duitse bezetters in Holland louter vreedzaam? Of het verzet tegen het Frankrijk van Pétain?”

Daar wist ik wel een antwoord op: de Nederlandse en Franse verzetslieden hadden machtige bondgenoten, waarvan ze mochten hopen dat die hen ooit te hulp zouden schieten. Voor de Palestijnen ligt dat anders. Was het dan niet verstandiger je te beperken tot vreedzaam verzet, maar dat dan wel massaal, eendrachtig te plegen? Met een dergelijke tactiek kreeg Gandhi de Britten toch ook op de knieën?

De sjeik verwierp mijn propositie: ‘’De situatie op de Westelijke Jordaanoever is niet te vergelijken met die in India,’’ doceerde hij. ‘’De Britten wilden het Indiase subcontinent wel exploiteren en gebruikten hiervoor de bevolking en haar leiders, maar lieten het land verder min of meer ongemoeid. Israel, daarentegen, heeft het op ons grondgebied voorzien. Er is hier gelijktijdig sprake van een militaire bezetting, van een agressieve kolonisering en van een sluipende etnische zuivering. Voor de Palestijnen is geen plaats. Israel wil ons niet gebruiken, maar verjagen, ons het leven zo zuur maken dat we zelf onze biezen pakken. Onder dergelijke omstandigheden is het onmogelijk het massale protest op touw te zetten dat u voorstelt. Wij zijn versplinterd, kunnen ons onvoldoende organiseren. Overigens heeft Mahmoud Abbas, de meest gematigde Palestijnse leider die Israel zich kan wensen, al jaren geleden voor een vreedzame strategie gekozen. Wat heeft het opgeleverd? In Israel is het politieke klimaat alleen maar extremer en onverzoenlijker geworden. Het beleid van Abbas heeft dus kennelijk averechts gewerkt.”

Tel

Palestijns gezin in Tel Rumeida

De activisten van Youth Against Settlements laten zich niet ontmoedigen door dit betoog. ,,Dat wij Palestijnen er slecht voorstaan mag duidelijk zijn,’’ zegt Ahmed Amro. ‘’Als je het heel pessimistisch bekijkt, winnen we nooit. Alleen zijn er verschillende vormen van niet winnen, en dat is heel belangrijk. Als je geweld gebruikt, verlies je alles. Als je geen geweld gebruik verlies je eigenlijk nooit, ook als je niet wint. Of win je, omdat je niet alles verliest. Omdat je blijft leven. Omdat je stand houdt, tegen de wil van de bezetter in.’’

Met ‘leven’ bedoelt Amro veel meer dan ‘overleven’, zo blijkt. Als het alleen maar om overleven zou gaan, zou de bevolking van Tel Rumeida allang en masse zijn vertrokken. Youth Against Settlements probeert dat met man en macht te voorkomen, omdat een Palestijnse uittocht precies is wat de kolonisten en uiteindelijk ook het Israelische gezag willen. Sinds het uitbreken van de zogeheten messen-intifada, twee jaar geleden, is de buurt tot gesloten militair gebied verklaard. Wie zich niet heeft laten registreren, komt er niet in of uit. Dit heeft ernstige consequenties voor het dagelijks leven. Reparateurs blijven weg omdat ze geen arrestatie bij een checkpoint willen riskeren. Vervangingsonderdelen, huishoudelijke apparatuur, medicijnen – niets kan zomaar even aan huis worden afgeleverd. Youth Against Settlements past er een mouw aan door van alles de wijk in te smokkelen. Hele ijskasten worden ’s nachts over heuveltjes en door boomgaarden gesleept. De beweging organiseert daarnaast vaste dagen waarop tientallen vrijwilligers naar de wijk gaan om reparaties uit te voeren. De macht van het getal leidt hen dan meestal wel door de checkpoints. En dat is nog niet alles. Vroeger moesten kleuters door twee checkpoints om naar de kleuterschool te gaan. Die posten zien er tegenwoordig uit als poorten van zwaar beveiligde gevangenissen, met metershoog hekwerk en massieve metalen draaideuren. Veel ouders hielden hun kinderen daarom liever thuis. Tot Youth Against Settlements een kleuterschooltje op een geschiktere plek inrichtte. Met stoeltjes, speelgoed en ander materiaal dat ook ’s nachts zijn weg over heuveltjes en door boomgaarden vond.

hebron-checkpoint

Checkpoint in Al-Khalil (Hebron).

Tenslotte dragen de activisten van Youth Against Settlements wel degelijk wapens. In de vorm van foto- en filmcamera’s waarmee ze het gedrag van kolonisten en soldaten kunnen vastleggen en online verspreiden. Zodra ze die dreigen te gebruiken, staan de kolonisten en soldaten machteloos met hun vuurwapens. Tenzij ze wereldwijd als moordenaars te kijk willen worden gezet.

Het moge duidelijk zijn dat vreedzaam verzet heel wat anders is dan passief verzet. ‘’Juist degenen die geweld willen, doen niks,’’ zegt Muhannad Qafeshah. ‘’Die zitten zich achter hun laptop te verbijten. Ik denk dat het met een meerderheid van de Palestijnen zo is gesteld. En eerlijk gezegd heb ik daar ook alle begrip voor. Zesduizend doden in de Gazastrook in de afgelopen jaren, van wie de meerderheid kinderen, wat denk je dat zoiets doet bij een bevolking, wat een haat, wat een wraakgevoelens je dan krijgt? Bovendien: geweld tegen een bezetter is volgens het internationaal recht toegestaan. We zullen zo veel mogelijk mensen ervan moeten overtuigen dat geweldloos verzet desondanks niet alleen de verstandigste, maar ook de moedigste keuze is. Het heeft niets met lafheid te maken. Het getuigt juist van kracht en zelfrespect om je niet te laten provoceren. Het schept ruimte in je hoofd en die kun je weer gebruiken om je te ontwikkelen. Heel belangrijk, want een diploma boezemt onze vijanden uiteindelijk meer angst in dan een geweer.’’

De Israelische autoriteiten lijken inmiddels schoon genoeg te hebben van de organisatie. Of van haar oprichter, de 37-jarige elektrotechnicus Issa Amro (broer van Ahmed Amro), die naar eigen zeggen ‘verliefd’ werd op geweldloos verzet toen hij in 2003 een door het Israelische leger gesloten universiteit weer open kreeg nadat hij een massale zitactie op touw had gezet. Issa Amro is al tientallen malen gearresteerd, maar moet nu in juli voor de militaire rechter komen. Die militaire rechter is er speciaal voor Palestijnen, en in meer dan 97 procent van de gevallen komt het tot een veroordeling. Maar ook al maakt Issa Amro dus bij voorbaat weinig kans, het Israelische gezag hoeft niet op PR-winst te rekenen. Vier Amerikaanse Congresleden hebben een brief gestuurd waarin ze aandringen op ‘heroverweging’ van het proces – an unprecedented step, heet zoiets. Een aantal van de 18 aanklachten zou namelijk niet internationaal als strafbaar feit worden erkend. Een ervan luidt: ‘Het kwetsen van de gevoelens van een soldaat’.

Issa

Issa Amro

Sommige mensen vragen zich nog steeds af waarom Israel zo de pik heeft op deze door de Europese Unie erkende mensenrechtenactivist en diens geestverwanten. ‘’Amro vertegenwoordigt hoop,” schrijft de Amerikaanse liberaal-zionistische journalist Peter Beinart. “Niet de nep-hoop van Trump die de ultieme deal wil bereiken voor een conflict dat hij niet eens begrijpt, maar de echte hoop van moedige, fatsoenlijke mensen die zich verzetten tegen hun onderdrukkers zonder hen te haten.’’

Misschien is het antwoord dat die onderdrukker helemaal geen deal wil en veel liever haat bij zijn tegenstanders ziet dan moed en fatsoen. Dat het juist het stevige morele kompas van dit soort activisten is dat wordt gevreesd. Misschien schuilt het grootste gevaar voor de onderdrukker juist in de bekentenis van die ene Israelische soldaat die na een anderhalf uur durend nachtelijk gesprek met Youth Against Settlements-activisten, een werkelijk gesprek, verzuchtte: ‘’Weet je, ik vind die kolonisten ook klootzakken. Ik wil hier helemaal niet zijn.’’ Zo bezien is Youth Against Settlements een kleine kankercel in het corrupte brein van de bezetter.

Gordijnenafhaaldag – door Carl Stellweg

Adapazari7

In 1999 ging ik als krantenverslaggever naar Turkije, nadat een aardbeving er aan tienduizenden mensen het leven had gekost. Een spektakel van verwoesting en ontreddering, maar ook van moed en initiatief, dat ik nooit zal vergeten. Af en toe speelt de herinnering op.

 

De naam van de stad is het eerste dat hem verbaast: Adapàzari.
Adapa-wat? Sakarya was het toch? Niet volgens de borden. Later zal hij erachter komen dat veel Turkse steden twee namen hebben, maar voor hem blijft de naam Adapàzari, met die onverwachte klemtoon op de derde lettergreep, die schokkerige opeenvolging van eendere klinkers waar je tong bijna over struikelt, altijd verbonden met de toestand waarin hij deze stad van 200.000 zielen zou aantreffen.

Adapàzari. Met de A van Apocalyps. Dat ook nog.

Zodra hij samen met een lokale chauffeur Istanbul verlaat, haalt hij zijn opschrijfboekje tevoorschijn. Aanvankelijk valt er niets te noteren. Of het moet zijn dat er niets bijzonders is te zien. Hoe zit dat? Is er helemaal geen aardbeving geweest? Hallucineert hij dat er helemaal geen aardbeving is geweest? Is hij niet in staat iets te zien dat volkomen anders is dan wat hij kent, zoals de Aboriginals niet in staat schenen te zijn om de eerste grote schepen van de bebaarde bleekhuiden te zien, ook al waren die pontificaal en onheilspellend in hun blikveld verschenen?

De chauffeur dommelt steeds weg achter het stuur. Hij heeft ook nog een andere baan. ‘s Nachts bewaakt hij de receptie van een klein hotel, overdag rijdt hij van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat buitenlandse verslaggevers rond, brengt hij ze naar plaatsen die tot voor kort weinigen buiten Turkije kenden: Izmit, Gölcük, Yalova. En Adapàzari.

Er is nog een reden dat hij slaap tekort komt. Als hij zijn ogen sluit, begint de aardbeving opnieuw, gaat de boel kantelen in zijn hoofd. Dat vertelt hij de verslaggever en die heeft dan toch nog iets om op te schrijven.

Hoe had hij zich op het grillige, groteske karakter van dit natuurverschijnsel kunnen voorbereiden? Een aardbeving is er wel of is er niet, er zit niets tussen. Een aardbeving veroorzaakt niet alleen een breuk in de aardkorst, maar ook een breuk met de normaliteit, een vertrouwensbreuk met de werkelijkheid van alledag.

Na een kilometer of 150 geeft de rampspoed zich abrupt prijs. De zwaartekracht heeft een macabere slapstick opgevoerd: daken die scheef als een feesthoedje op gebouwen staan, huizen die een plagerige zet naar achteren, naar voren of opzij hebben gekregen, een linnenkast die kaarsrecht en volkomen ongeschonden, in droeve luister, uit een stapel steen en gruis steekt. Een van de wrangste kenmerken van de catastrofe is misschien wel de soms komische aanblik.

Adapazari6

Dan rijden ze Adapazari binnen, waar de seismische krachten alle registers hebben opengetrokken. Het centrum is een onmetelijke pan omgewoelde, grijze betonlasagna, een langgerekte harmonica van puin, een gemutileerd monster waarvan de roestige ingewanden zijn uitgerukt. Halleluja-armpjes van lantaarnpalen hangen troosteloos langszij, en om te zeggen dat de middenstand plat ligt is een smakeloos understatement: de begane grond waar vrijwel alle winkels waren gevestigd, is nu een door natuurkrachten gegraven souterrain geworden.

Wat er kan worden gered wordt gered, al is het nog zo onbetekenend: een tafeltje met afgebroken poten, een speelgoedauto, een wonderbaarlijk ongeschonden gebleven flesje siroop. In een flatgebouw dat in een hoek van pakweg 30 graden slagzij heeft gemaakt, haalt een vrouw op de derde verdieping de gordijnen af, alsof het een doodgewone dag is om gordijnen af te halen. Alsof het vandaag gordijnenafhaaldag is, aardbeving of niet.

En dan die lucht van rotting, weerzinwekkend zoet. Onder het puin, gelukkig niet zichtbaar, eet de dood zich een indigestie aan een grand dessert van verwrongen vlees.

Wat hiertegen te doen? Hoe dit te verwerken? Misschien dat absurde gebeurtenissen op absurde wijze dienen te worden gepareerd. Overal in het rampgebied klinkt een gulle lach. ,,Jullie westerlingen willen niet dat wij ons aansluiten bij Europa?’’ zegt een jongeman die voorlopig op een bank op straat woont. ,,We zijn nu toch maar mooi twee centimeter naar Griekenland opgeschoven. We komen eraan, of je het leuk vindt of niet.’’

En dan die achtkoppige familie die een relatief comfortabel onderdak heeft gevonden in een legertent. ,,De eerste dagen scholen we samen onder een parasol”, zeggen ze. ,,Er was niets te eten. Maar beter ook: eten betekende naar de WC gaan en… er was geen WC!” Bulderend gelach.

‘Onder het puin, gelukkig niet zichtbaar, eet de dood zich een indigestie aan een grand dessert van geknakt vlees’

Een aardbeving is een onzichtbare vijand. Een cliché, maar je ontkomt er niet aan. Waar is het leger dat al deze verwoestingen heeft aangericht? Waar verschuilt het zich? Onder de grond, dat is waar het zich verschuilt, en daar slaapt het meestal, maar waar zou het van dromen? Kunnen we daar een idee van hebben? Zouden we iets van die dromen kunnen begrijpen? Wat voor soort dromen zou aanleiding kunnen geven tot zo’n gewelddadig ontwaken?

De aarde is een kooi slapende honden. De aarde is geen schip dat ons veilig over de peilloze troggen van het universum loodst, de aarde is misschien niet meer dan een onbeduidende richel, voortkomend uit het niets, op weg naar niets, tollend door een onbegrensd niets, waar we elk moment vanaf kunnen kieperen. De grond onder onze voeten is een valse vriend. Was dat in de begindagen van de mensheid ook niet zo? Wat moesten de wezens die altijd veilig in de bomen hadden geleefd aan met die grond waartoe ze waren veroordeeld nadat de savannen waren uitgedroogd en de bomen gestorven? Bood die verraderlijk vlakke, uitgestrekte grond de zekerheid die de takken en lianen hadden geboden? De vraag stellen is hem beantwoorden! Op de grond was de vijand overal, alomtegenwoordig en onzichtbaar, loerend tussen het hoge gras, tenzij ze zich zouden oprichten en om hen heen zouden kunnen zien. En dus deden ze dat, de grond dwong hen ertoe, duwde hen opwaarts, en zo zouden ze uiteindelijk de horizon ontdekken, in zich opnemen en zien hoe die voortdurend veranderde, steeds nieuwe perspectieven uitrolde, als rode lopers voor hun veroveringsdrift.

Adapazari5

Maar lang bleven de bannelingen uit de bomen nog beklagenswaardige wezens, zonder klauwen, zonder slagtanden, en ook nog eens opgezadeld met de zorg voor een ontstellend zwak kroost: immers, de bekkens van de wijfjes versmalden zich doordat ze rechtop moesten gaan lopen, waardoor hun jongen pijnlijk, voortijdig en weerloos ter wereld kwamen.

De soort overleefde, zoals we weten, zij het destijds tegen alle verwachtingen in.

Vreugdekreten wekken de vreemdeling met het opschrijfboekje uit zijn overpeinzingen. Oprechte vreugdekreten ditmaal, geen cynisch geveinsde hilariteit, en hij haast zich naar de plek waar het geluid vandaan komt, zoals het een alerte verslaggever betaamt. Op een heuvel van brokstukken heeft een groepje mannen en vrouwen zich om een bundeltje geschaard, een bundeltje dat een klein kind blijkt te zijn, haast een baby nog. Levend is het aan de krachten van de aarde ontrukt, en het is spookachtig en sprookjesachtig bedekt door grijswit puinstrooisel,  de wenkbrauwen wonderlijk goed zichtbaar, als donzige spinnenpootjes. Een kind, ademend, adembenemend, hoestend, goor en puur, ofwel: wedergeboren, voor de tweede keer de wereld in gespuwd door de wereld.

En even, heel even, schijnt het de vreemdeling toe dat het puin van Adapazari bitterzoet opglanst.

Adapazari8

 

Een liederencyclus voor de geschonden kinderen van Gaza – door Carl Stellweg

Eduard de Boer2

De componist en de dichter, er is veel dat hen scheidt. Een oceaan. Letterlijk. Een tijdsverschil van zes uur. Drukke bezigheden, niet al te veel liquide middelen – componeren en dichten zijn nu eenmaal geen vetpot. Daardoor konden ze elkaar niet in levenden lijve ontmoeten, zelfs niet spreken: de dichter zegde Skype op na een virusaanval, de reguliere telefoon is uiteraard veel prijziger. E-mail, daar bleef het bij. En dat was genoeg om de creatieve vonk te laten overspringen tussen twee kunstenaars die elkaar niet kenden, elkaar eigenlijk nog steeds nauwelijks kennen, en toch tot een unieke coproductie in staat bleken: een liederencyclus, gewijd aan de kinderen van Gaza.

Op 22 april beleeft het stuk, dat uit negen liederen bestaat en 40 minuten duurt, zijn première in de Oosterkerk in Hoorn. Een dag later is er een uitvoering in de Singelkerk in Amsterdam. En daarna? Wie zal het zeggen. Voor de kinderen van Gaza en hun situatie staan cultuurminnende geldschieters niet in de rij: er zijn genoeg minder ‘beladen’ charitatieve doelen. De totstandkoming van het zangproject was echter zo wonderbaarlijk dat de initiatiefnemers stilletjes hopen op een bijzonder vervolg.

Vanwaar de focus op kinderen? Uiteraard hebben niet alleen kinderen het moeilijk in de Gazastrook, die door geweld, wanhoop en isolement getekende vuilstortplaats aan zee waar twee miljoen mensen op 400 vierkante kilometer leven. Maar door de aandacht specifiek op kinderen te richten, hopen de Nederlandse componist en de Amerikaanse dichter de valkuil van de politiek te omzeilen. Kinderleed is immers politiek nooit te rechtvaardigen. Kinderleed is onverdacht. Nietwaar?

Geïmproviseerd kinderplezier in Gaza ©Mohammed Abed

Geïmproviseerd kinderplezier in Gaza ©Mohammed Abed

Inderdaad – maar toch: in Israël en Palestina is elke molecuul ideologisch en politiek geladen. Wie zich met de regio bemoeit, al is het nog van zo’n grote afstand, en al is het nog uit zulke onverdacht humanitaire motieven, kan zich niet aan die ideologie en politiek onttrekken. Actief opkomen voor de Palestijnse bevolking ligt niet voor de hand in de Westerse wereld. Daarvoor moeten vaak barrières aan vooroordelen en desinformatie worden beslecht, een spervuur aan verdachtmakingen worden getrotseerd. Misschien dat Michael R. Burch (59) en Eduard de Boer (60) – zeg maar ‘Mike’ en ‘Ed’ – toch meer gemeen hebben dan ze bevroeden. Bijvoorbeeld de ideologische achtergrond waarvoor ze niet zelf hebben gekozen. De uitgesproken christelijke omgeving waarin ze opgroeiden, een dikke 7000 kilometer van elkaar vandaan, en toch kennelijk zo eender.

Eduard de Boer bezocht de Johannes Calvijn-school in Kampen, waar hij hoorde wat een zegen het was dat het joodse volk het in Palestina weer voor het zeggen had gekregen: in de eerste plaats bestond daarvoor het overbekende Bijbelse argument, in de tweede plaats het praktische argument dat de zionistische pioniers zoveel beter in staat waren het land tot bloei te brengen dan de Arabieren, een achterlijk en verwerpelijk volk.

‘Het was niet zo dat ik deze opvattingen met overtuiging aanhing, ze waren domweg een gegeven, een blauwdruk, een uitgangssituatie,’ zegt Eduard de Boer nu in zijn woning in het Noord-Hollandse Midwoud. ‘Ik was ermee geïmpregneerd en dacht er verder niet over na.’

Pas toen hij, 19 jaar oud, besloot om zijn vakantie als zo veel jongeren in de jaren zeventig op een kibbutz door te brengen, verschoof het perspectief. Hij was daar naartoe gegaan op uitnodiging van Nathan, een Amerikaans-joodse jongen die in hetzelfde studentenhuis woonde als hij. De conservatoriumstudent had niet veel omhanden, geen vastomlijnde plannen, eigenlijk geen reden niet op de uitnodiging in te gaan. Dus ging hij, en hij kreeg er geen spijt van. Het leven beviel hem goed in de kibbutz. ‘Er heerste een hele internationale sfeer, de egalitaire opzet sprak me ook wel aan.’ En de Palestijnse kwestie? ‘Er lagen Engelstalige kranten, die repten van aanslagen, van de PLO. Ik nam er kennis van, maar nog altijd op een neutrale manier, en zonder werkelijk inzicht in de situatie. De PLO stond in een kwaad daglicht, waar de Palestijnse zaak precies om draaide was niet duidelijk.’

Een aantal doodgewone voorvallen deden zijn passieve kijk op de zaak pas kantelen, zoals het grote wel vaker in het kleine verborgen zit. Er was die keer dat hij met een groepje Israëlische jongeren op de bus stond te wachten. Toen die bus kwam werd hij ruw aan de kant geduwd. Zo maakte hij kennis met de onbehouwen omgangsvormen waar de Israëlische samenleving bij vriend en vijand om bekend staat, en hij was er niet op bedacht, want Israël was beschaafd.

Vervolgens was er de kennismaking met een Palestijnse opzichter op een zonnebloemplantage die bij de kibbutz hoorde. ‘Een ontzettend aardige man, die elke dag iets lekkers voor je meebracht, en erop toezag dat je niet werd afgebeuld. Aan wie geen onvertogen woord ontsnapte, behalve dat hij liet doorschemeren weinig betaald te krijgen.’ En alweer stond hij verbaasd, want Arabieren waren primitief en agressief.

Tenslotte het viertal Palestijnse mannen dat hem in hun kale huis uitnodigde toen hij daar vlakbij stond te liften, hem eten en drinken voorzette en hem vertelde waar de sleutel lag, mocht hij ooit weer in de buurt zijn en een slaapplaats nodig hebben. ‘Het was niet meer dan een gebaar, maar ik was er zeer door getroffen.’

Kleine belevenissen waaraan geen enkele politieke conclusie te verbinden viel, maar die De Boer zich toch altijd zou blijven herinneren omdat ze hem duidelijk maakten dat zijn opvoeders hem met stereotypen hadden opgezadeld. Hij zou nooit meer terugkeren naar Israël en Palestina, toch legden deze schijnbaar onbeduidende ervaringen van een nog nauwelijks volwassen man de kiem voor wat hij tientallen jaren later tot stand zou brengen.

Michael Burch

Michael Burch

En Mike Burch? ‘Ik ben opgegroeid in een traditioneel christelijk milieu,’ meldt hij telefonisch vanuit Nashville, Tennessee. ‘Ons was geleerd dat de joden Gods oogappel waren, en de Arabieren een verschrikking. Informatie die dit weersprak was niet voorhanden. Tot deep in my forties was ik zeer pro-Israël en diepgaand geïnteresseerd in zogeheten Holocaust-poëzie. Ik kende veel joodse dichters, en die kwamen mij voor als zeer weldenkend, humanistisch en vooruitstrevend. Totdat het mij begon op te vallen dat ze als een blad aan een boom omdraaiden wanneer de Palestijnen ter sprake kwam. Dan werd hun houding defensief en onbarmhartig en leken al die liberale beginselen niet meer van waarde.’

Uiteindelijk besloot Burch zelf te gaan uitzoeken hoe dat nu precies zat met die Palestijnen en vielen de schellen hem van de ogen. ‘Ik had echt niet veel tijd nodig om te beseffen dat de kwestie behoorlijk anders lag dan mij en vele anderen was voorgespiegeld. Dat de Palestijnen fundamenteel onrecht was aangedaan. Dat hun hele bestaan werd ontkend, bijvoorbeeld door Golda Meir, die woordelijk zei dat Palestijnen niet bestonden. Ik was er letterlijk dagenlang ziek van. Toen ik mijn joodse vrienden met mijn bevindingen confronteerde, volgden er agressieve pogingen mij te bekeren. Ik kreeg iemand op mij af die deel uitmaakte van de Hazbara, de zionistische propagandamachine. Natuurlijk liet ik mij niet vermurwen. Nu hebben mijn vrienden  van weleer een hekel aan mij, al zeggen ze mij ook te ‘respecteren’. Want ik mag dan een leugenaar zijn, ik houd het wel ‘beschaafd’. Is dat niet eigenaardig?’ Er klinkt onderdrukt gegrinnik van de andere kant van de oceaan.

Michael Burch werd een activist, die zelfs een eigen vredesplan ontwierp (de Elberry Burch peace initiative). Hij bouwde de website The HyperTexts, die zeer breed van opzet is, maar waarop een prominente plaats is ingeruimd voor Holocaust- en Nakba-poëzie, en wat meer is: gedichten uit Gaza, waarvan vele geschreven door kinderen. Gedichten die Eduard de Boer onder ogen kwamen, omdat hij ernaar op zoek was, aangezien hij het plan had opgevat een zangstuk te schrijven voor de kinderen van Gaza. Op dat idee was hij gekomen toen hij vele jaren na zijn bezoek aan Israël op de onderbelichte situatie van de Palestijnen werd gewezen door zijn Belgische vriend en organisator van klassieke concerten, André Posman (broer van de bekende Vlaamse componist Luciën Posman). Via Posman, die getrouwd is met een Arabische vrouw, kreeg hij een boek in handen over de Gazastrook, met daarin ook een aantal ‘interessante’ gedichten. ‘Wat ik las was schrijnend, en bracht de herinnering aan mijn aangename contacten met Palestijnen van bijna een kwart eeuw geleden weer terug.’

Kwam het ambitieuze voornemen om een zangstuk te schrijven dan enkel daaruit voort? ‘Nou, nee,’ zegt de Boer. ‘Er speelt meer mee. Kijk, ik ben voor componeren in de wieg gelegd. Ook al zou ik de allerslechtste componist zijn die ooit heeft bestaan, dan nog kan ik niets anders dan componist zijn. Zo ben ik geboren, kan ik ook niet helpen. En als ik mijn talenten kan gebruiken om een positieve bijdrage te leveren aan deze kwestie, dan wil ik dat graag. Of beter: voor zover ik in staat ben een bijdrage te leveren, is dit de manier waarop ik dat kan en wil. De beste motivatie voor alles wat je doet is de wereld een beetje beter maken. Als je een bakker bent, dan maak je een lekker broodje. Dit principe geldt natuurlijk niet voor alle beroepen. Wie woekerpolissen bedenkt, beweegt zich op een ander niveau. Maar volgens mij word je daar niet gelukkig van.’

Dit ambachtelijk idealisme dreef De Boer er enige jaren geleden ook toe een Elegie voor Tohoku te schrijven, ter nagedachtenis van de slachtoffers van de tsunami die dit gebied in Japan zo zwaar trof. Hij kon het van tevoren niet weten, maar met zijn instelling kon de componist geen betere werkpartner vinden dan Michael Burch, die hem volstrekt onbekend was, maar die hij besloot aan te schrijven om hem te vragen of hij wat gedichten op diens toevallig gevonden site mocht gebruiken.

 

“De beste motivatie voor alles wat je doet is de wereld een beetje beter maken”

 

‘Het plan van Ed sprak mij onmiddellijk aan,’ vertelt Burch, ‘alleen stuitte het idee om bestaand werk van kinderen uit Gaza te gebruiken op nogal wat bezwaren. De leraar in Gaza die ik ken en kinderen bij het schrijven van gedichten begeleidt, wil hun identiteit om al te begrijpelijke redenen niet prijsgeven, en dus zou het erg moeilijk worden de rechten van de gedichten te krijgen. Daarom stelde ik Ed voor zelf nieuwe gedichten voor de cyclus te schrijven. Gelukkig ging hij akkoord. We wilden graag de verhalen van deze kinderen vertellen, maar moesten hen tegelijkertijd beschermen.’

De flexibiliteit en dienstbaarheid van Burch ervoer de Boer als heel bijzonder. ‘Ik mocht hem het onderwerp, de lengte en het metrum van elk gedicht opdragen. Aanpassingen waren nooit een probleem. Het verbazingwekkende was ook dat hij kwam aanzetten met perfecte liederenpoëzie, kleine ariateksten, simpel maar elegant.’

Burch: ‘Of ik iets weet van muziek? Nou, nee. Ik ben er dol op, en ik kan aardig meezingen, vooral onder de douche. Verder gaat het niet. Opera? Mag je me midden in de nacht voor wakker maken, maar ik versta er geen woord van, want er zijn maar weinig opera’s in het Engels, nietwaar? Dus dat het zo mooi heeft uitgepakt zal een kwestie van inspiratie zijn geweest. Tja, en wat mijn souplesse betreft: voor sommige dichters is elk woordje dat ze schrijven heilig. Zo ben ik zelf helemaal niet. Ik heb een weinig elitaire kijk op poëzie en houd me vooral bezig met de vraag of de boodschap overkomt. Ook als die boodschap onbarmhartig is, want het Palestijnse kind dat een stem krijgt in de cyclus sterft aan het eind een gewelddadige dood, zoals dat helaas ook in werkelijkheid regelmatig gebeurt. Mijn gedichten zijn toegankelijk en zeker ook niet wars van sentiment, want mensen zijn nu eenmaal sentimentele wezens. Let wel, ik heb ook obscure poëzie geschreven, maar daar ben ik al een tijd geleden vanaf gestapt, want ik wil mensen bereiken.’

Misschien alweer iets dat de componist en de dichter gemeen hebben: een afkeer van pretentie. De Boer zelf heeft al een tijd een broertje dood aan de in de volksmond als ploink-ploink en piep knor bekend staande moderne klassieke muziek waarmee hij tijdens zijn studie werd opgezadeld. ‘Aan dat soort muziek liggen zeer complexe abstracte ideeën ten grondslag, maar het eindresultaat is betekenisloos. Ik laat mij liever inspireren door volksmuziek uit alle windstreken en voel me gesterkt door de wetenschap dat Mozart en Haydn en veel andere grote componisten volksdeuntjes verwerkten in hun composities.Ik vond het dan ook erg leuk om in deze liederencyclus Palestijnse volksmelodieën te gebruiken, melodieën die vrij repetitief zijn, vanwege hun epische karakter.’


Eduard de Boer: geen liefhebber van 'ploink ploink' en 'piep knor', maar van volksmuziek

Eduard de Boer: geen liefhebber van ploink ploink en piep knor, maar van volksmuziek

Beide kunstenaars koesteren dus zowel laagdrempeligheid als engagement. Heeft Michael Burch dan ook de illusie dat verhalende kunst de wereld kan veranderen? ‘Ik weet het wel zeker,’ zegt hij vol overtuiging. ‘Of denk je soms dat William Blake, Charles Dickens en Walt Whitman geen invloed hebben gehad met hun aandacht voor de misstanden van hun tijd? En wat dacht je van The Beatles en Bob Dylan? Hebben die hun stempel niet gedrukt? Poëzie is overal om ons heen, meestal in de de vorm van populaire muziek, en de boodschap is vaak positief. Wat zingen Madonna en Lady Gaga? Wees jezelf. Je bent goed zoals je bent. De wereld is in de loop der tijd een betere plek geworden en literatuur en geschreven en gezongen poëzie hebben daaraan een onschatbare bijdrage geleverd.’

Tegelijkertijd beseft zowel De Boer als Burch dat twee uitvoeringen van deze liederencyclus geen rimpelingetje teweeg zullen brengen in de stand van zaken. Maar wie weet wat er nog in het vat zit? Er is reden voor hoop, een reden die de rationaliteit iets ontstijgt en toch niet helemaal onredelijk lijkt. Het project heeft tot nu toe onder een zeer gunstig gesternte gestaan. ‘Ik dacht er vele jaren mee zoet te zijn in plaats van drie maanden, want ik krijg ik er natuurlijk niet voor betaald en zou er dus tussendoor aan moeten werken,’ zegt De Boer. ‘Maar toen volgde er een verbazingwekkende reeks meevallers, ik zou haast zeggen: een serie wonderen. Eerst viel mij onverwacht een behoorlijk bedrag toe uit de nalatenschap van een overleden vriend. Daarmee was het geldprobleem opgelost. Vervolgens werden twee opdrachten waarvoor ik was aangezocht uitgesteld. Dus had ik ineens ook tijd. Voeg daarbij het feit dat ik zomaar de ideale tekstdichter vond, en je kunt begrijpen dat ik mijn geluk niet op kon. Het enige wat ontbrak was een zangstem. En zie: die vond ik, na alweer een zoektocht op internet, ook al snel in de persoon van Dima Bawab, een Jordaanse-Palestijnse sopraan die in Parijs woont en onmiddellijk enthousiast haar medewerking toezegde (‘wat geweldig dat jullie aan mij hebben gedacht’).  En als klap op de vuurpijl, al zegt dat misschien alleen mij als musicus iets, valt de compositorische climax van de cyclus, zonder dat ik daarnaar bewust had gestreefd, op het punt van de guldensnede (a:b = a+b : a). Geen verplichte, maar wel een geliefkoosde vorm. Beethoven, bijvoorbeeld, had er een feilloos gevoel voor.’

Dima

De Jordaans-Palestijnse zangeres Dima Bawab.

Zo veel gelukkig toeval geeft beide kunstenaars, al zijn ze niet bepaald religieus, toch te denken.
‘Je gaat haast geloven in de voorzienigheid,’ zegt de Boer.
En Burch: ‘Einstein zei het al: toeval is een manier van God om anoniem te blijven. Ik houd het erop dat mensen met hetzelfde doel vaak zijn voorbestemd elkaar te ontmoeten. In welke vorm dan ook.’

Zaterdag 22 april 2017, 20.15, in de Oosterkerk, Grote Oost 58-60, 1621 BX Hoorn (http://www.oosterkerkhoorn.nl/index.php?action=agenda)
Zondag 23 april 2017, 15.00, in de Singelkerk, Singel 452, 1017 AW Amsterdam.(http://www.doopsgezindamsterdam.nl/programma/)