Archief voor juli, 2020

Vergeef ons alsjeblieft het Tilburgse stadje T.

Tilburg9

DOOR CARL STELLWEG

In die onvergetelijk gemoedelijke jaren tachtig ‘studeerde’ ik enige tijd in het Tilburgse stadje T.

Ik hoor je nu al: Het ‘Tilburgse stadje T.’? Wat is dat voor flauwigheid?

Zo noemen ik en een voormalige studiegenoot het nu eenmaal. Het is allang geen grap meer. We hebben het niet eens zelf verzonnen, toch zeggen we het al een jaar of vijftien, zonder dat we echt weten waarom, en dus komen we er waarschijnlijk nooit meer vanaf.

Vergeef ons dus alsjeblieft ons ‘Tilburgse stadje T.’, het is een raadsel, het is sterker dan onszelf. Lees verder.

In het Tilburgse stadje T., zo was ik aan het vertellen, studeerde ik aan de Academie voor de Journalistiek. Die was destijds nog gevestigd op een tochtig bedrijventerrein aan de Groenstraat. Nu ik dit zo sec heb opgeschreven voel ik een huilerige weemoed onstuitbaar in mij opborrelen.

Lees meer

‘Donkere zonen van Kanaän’

slaves2

In 1999 interviewde ik voor het Algemeen Dagblad de Amerikaanse journalist en schrijver Edward Ball over diens boek ‘Slaven in  de familie’ (oorspronkelijke titel, u raadde het al: ‘Slaves in the family’). Gezien het huidige racismedebat lijkt het interview ineens weer heel actueel, en daarom druk ik het opnieuw af.  Saillant detail: het herdenkingsmonument voor de slavernij waarvan aan het eind van het interview sprake is, is er nooit gekomen. Wel is er sinds 2016 een National Museum of African American History and Culture in Washington DC. Daar werd al meer dan een eeuw voor geijverd.

DOOR CARL STELLWEG

Tussen 1698 en 1865 bezaten de voorouders van de Amerikaanse journalist en schrijver Edward Ball 4000 slaven, die op tientallen rijstplantages hun gedwongen arbeid verrichtten. Als eerste van zijn familie sprak Ball met enkelen van hun nazaten, ontdekte zelfs (verre) bloedverwanten en schreef hierover een lijvig boek.

Slaven in de familie is zowel een imposante reconstructie van de meest duistere episode uit de Amerikaanse geschiedenis, als een pijnlijk gewetensvolle afrekening met de mythes uit de jeugd van de auteur.

Het werk, dat vorig jaar de National Book Award won, is onlangs in Nederlandse vertaling verschenen. Edward Ball: ,,De erfenis van de slavernij maakt het voor blanke Amerikanen nog steeds onmogelijk om op te groeien zonder angst en afkeer voor zwarten te voelen. En vice versa.”

Lees meer

‘Niets’, of: ‘Nous sommes les invincibles’

Niets1

DOOR CARL STELLWEG

Ooit, toen de wereld nog was zoals we haar kenden, bevond ik mij in Het Middle of Nowhere. Het enige echte Middle of Nowhere. Aardedonker was het om mij heen, maar boven mij zag ik grillige reuzenstrengen van flonkerend gruis.

Dit was de nachtelijke hemel boven de Pacific waar ze zo hoog over opgaven. Terecht, bleek nu. Eindelijk was ik er dan onder beland.

Ik leek een nooit voorziene eindbestemming te hebben bereikt. Mijn receptoren gingen als klaproosjes open, mijn gedachtenstromen vloeiden groots samen. Alles kwam goed, wás goed. Alles hoorde bij alles en stond in de sterrenhemel gegrift. Dus toch. Misschien was het wel het handschrift van goden dat ik boven mij zag, je kon nooit weten.

Lees meer

Goedemorgen, koddebeiers

koddebeiers2

DOOR CARL STELLWEG

Rotterdam, vroeg in de ochtend, eind jaren negentig. ‘t Was weer eens zover. Beschonken in de tram, de hele nacht doorgehaald. De zon kwam op, en op zo’n moment, in de staat van zelfoverschatting waarin ik verkeerde, nam een mallotige liefde voor life, the universe, and everything vaak bezit van me.

Als het meezat. Nu was er een machtige kwade dronk in mij opgestaan. Een jubelende haat tegen precies datzelfde leven, datzelfde universum, datzelfde alles.

Halverwege de dertig was ik, in de kracht van mijn leven. Ik mocht mij met een hoop zaken gelukkig prijzen: een prachtbaan die mijn veeleisende ego meer dan voldoende streelde. Mooie, avontuurlijke reizen. Een zowel jolige als stimulerende werkomgeving. En of het niet op kon, ook nog eens vaste verkering. Zo noemden mijn geliefde en ik dat, met kokette zelfspot, maar ook oprechte trots. Anders dan veel leeftijdgenoten hadden wij ons niet laten insnoeren door huwelijk, hypotheek, nakomelingen: in ons leven was nog ruimte voor ongeremde hartstocht.

Er moet iets afstotends zijn geweest aan al die voorspoed, dat zelfvoldane geluk. Misschien dat ik het daarom wel op het spel zette met drie tot vier zware dranksessies per week.

Soms had ik het over mijn demonen, waartegen ik vocht. Vergeefs. Steeds weer overtuigden die mij ervan dat ik in diepste wezen een alcoholisch stuk vreten was, gretig aansturend op zijn eigen ondergang.

En dus zei ik die ochtend tegen de conducteur, toen hij mij vroeg om mijn strippenkaart, dat ik er geen had en ook niet van plan was er een te kopen. En toonde ik hem grijnzend mijn middelvinger na zijn verzoek ‘het voertuig’ in dat geval onmiddellijk te verlaten.

‘Ik blijf zitten,’ zei ik. ‘Leer ermee leven, conducteurtje.’

Waarop conducteurtje zich terugtrok in zijn hok, en de tram een tijd bleef stilstaan. Ik hoorde zijn stem: ‘Heb hier een meneer die…’ Een ingeblikte stem die iets terugzei. Er vond afgemeten overleg plaats in het conducteurshokje, dat was duidelijk. Ondertussen leunde mijn hoofd tegen het raam en verwarmde de zon mijn gezicht. Ik werd er loom van. Waarom reed die kuttram niet eens door? Kon ik naar mijn nest.

Nee, wacht even, ik ging nog niet naar mijn nest. Een tintelfrisse woede begon weer als een bergbeekje door mijn lichaam te ruisen. Een superieure, stijfkoppige toorn tilde mij boven de wereld uit.

Ik was, met andere woorden, uit op trammelant.

En die kreeg ik.

Ineens stonden ze voor me. Vier barse dienders. Misschien was ik in slaap gesukkeld en hadden ze me wakker gemaakt.

‘Goedemorgen, koddebeiers!’ Zo zal ik ze hebben begroet. Want ik kon verdomd leuk uit de hoek komen in die dagen.

Ze gingen er niet op in, kenden het woord misschien niet eens. In plaats daarvan vroegen ze me of ik het normaal vond me zo te gedragen.

Waarop ik de onsterfelijke woorden sprak: ‘Doet dat nou pijn, zo’n laag IQ?’

Vliegensvlug sleurden ze me uit de tram en smeten me op de keien. Gooiden me op m’n buik. Twee van hen gingen met hun volle gewicht op me liggen, of zitten, terwijl ze schreeuwden dat ik me kalm moest houden, en dat maar bleven schreeuwen, waardoor ik er niet eens tussenkwam.

Door het dolle heen leken ze. En niets scheen hun razernij te kunnen temperen. Steeds harder drukten ze op me, terwijl ze me toch al helemaal in hun macht hadden. Het leek of dát hun agressie juist opstookte: mijn onvermogen iets tegen ze te  beginnen, mijn verachtelijke hulpeloosheid.

Ik kreeg amper lucht en wist zeker dat ze mijn arm gingen versplinteren. Zo voelde het. De euforische haat maakte plaats voor broodnuchtere paniek. Ik werd bedreigd door iets dierlijks dat voor geen rede of argument meer vatbaar was. De koddebeiers leken te zijn samengesmolten tot een of ander wild beest, een kwaadaardig, Hulk-achtig wezen dat alleen nog uit was op mijn vernietiging, alleen maar daarvoor leefde.

hulk

De pijn was verbijsterend, maar nog erger was de angst, die in de buurt kwam van doodsangst. Ik begreep daar en toen wat absolute macht kan doen, al is het maar voor even. Ik begreep dat de oertaal van elk levend wezen de taal van het geweld is.

Op zeker moment sloeg de angst om in woede. Woede omdat ik dacht dat ik niets meer te verliezen had.

Met het beetje adem dat ik nog kreeg brulde ik:

vuile klootzakken dit gaat jullie bezuren laat me los klootzakken ik ben journalist ik werk voor het AD smerige klootzakken je komt hier niet mee weg dit gaat jullie mooi je baan kosten

Wat ook zo was. Ik bedoel: dat ik voor het AD werkte. En dat het klootzakken waren. De rest was bluf.

Maar het hielp.

De hulk verschrompelde en splitste zich weer tot een stel norse agenten, die mij overeind hielpen, een beetje afstoften, op een bijna beleefde manier handboeien omdeden en meenamen naar het bureau, waar ik mijn roes kon uitslapen.

Er was geen wc in de cel en ik mocht er niet uit, dus moest ik in een hoek pissen, waarna ik de zaak zelf kon opdweilen.

Ik geloof ik dat ik nog tegen een paar dienders achter een bureau mijn beklag heb gedaan. Hun verongelijkt zwijgende koppen staan me nog bij. Ze leken wel schuldbewust. Met het AD dreigde ik niet meer. Ik hield het voor gezien, en zij ook: er werd geen proces-verbaal opgemaakt.

Ik griste mijn sleutels en portefeuille mee, en even later lachte een zonnige vroege voorjaarsmiddag mij toe en klaarde mijn humeur op. Mijn heroïsche bohemienbestaan moest ik maar pijlsnel hervatten om de vieze smaak van dit naargeestige incidentje weg te spoelen.

 

bohemien

 

Ik hoefde die dag niet te werken, vandaar de dranksessie van de vorige avond. Ik vond het een gouden suggestie van mezelf het nog eens dunnetjes over te doen. Het was een gouden tijd.

Ik had een kater maar die zou ik snel wegspoelen, en die pijn in mijn arm ging vanzelf over.

Zelfverzekerd, in de kracht van mijn leven, begaf ik mij naar het eerste etablissement van mijn keuze.

 

*

 

Ruim twintig jaar later, niet meer in de kracht van mijn leven, de katers al jaren wijselijk mijdend, zie ik op YouTube hoe een blanke smeris het leven uit het lichaam van een op zijn buik liggende zwarte man perst. Nonchalant, handen in de zakken, kalmpjes doordrukkend met zijn knie op de nek van zijn slachtoffer. De blik van de smeris is even uitdrukkingsloos als van een kat die ik ooit, langzaam, haast verveeld, een gillend konijn heb zien ontleden.

koddebeiers

 

Mijn gedachten gaan terug naar die ochtend in de tram. Mijn plaats is ingenomen door een lange, slanke, ietwat slungelachtige zwarte man van achter in de twintig. Een man in de kracht van zijn leven. Maar ook hij ziet de zon die ochtend opkomen zonder er vreugde aan te beleven.

Aden Husayn heeft tot ’s avonds laat als schoonmaker in een kippenslachterij gewerkt, honderd kilometer verderop, en is door een busje naar huis gebracht. Maar hij is niet gaan slapen. Hij is naar de Oase-bar gegaan, een tot op de draad versleten animeertent die tot zeven uur ’s ochtends openblijft.

Aden Husayn heeft moeite met slapen. Als hij zijn ogen sluit ziet hij vaak zijn ouders. Maar het zijn z’n ouders niet. De gewapende mannen hebben zijn ouders van hem afgenomen, en hun lichamen achtergelaten. Hij heeft ook geen geld om zich te laten animeren. Hij is trouwens nog maagd. Hij heeft vijf uur op drie cola’s geteerd. Hij komt niet voor de vrouwen in de Oase-bar, maar voor de lankmoedige sfeer. Niemand in de Oase-bar houdt een schijn op, het is er dus echt een oase. Het wrakhout dat er aanspoelt is er zacht voor elkaar. Of het is te verdoofd, te moedeloos, om elkaars aanwezigheid heel scherp op te merken.

Oase bar

 

De laatste tijd is de Oase-bar Aden gaan tegenstaan. Zoals heel Holland en al die Hollanders die er wonen hem zijn gaan tegenstaan. Een bijna fysieke weerzin voelt hij nu voor hun besproete varkensvel met dat enge varkenshaar, hun melklucht, die genadige uitdrukking in hun grijsblauwe ogen, al die zakelijke compassie, die beheersing en dat voorbehoud die geen houvast bieden.

Het spijtige geschud van al die hoofden achter om het even welk loket. De manier waarop ze je eerst met hartveroverend verantwoordelijkheidsbesef opnemen in hun superieur georganiseerde samenleving, je het idee geven dat je er werkelijk bij hoort, om je vervolgens, met een leedwezen dat iets te achteloos, iets te resoluut is om geloofwaardig over te komen, naar de rand van diezelfde samenleving verbannen.

Aden heeft ook een hekel gekregen aan Niels, de vaste barman in de Oase-bar. Niels, die hij in het begin juist zo aardig vond. Aden  kan zijn grapjes nog maar slecht verdragen. Dat zou hij hem willen zeggen, en zou hij ook kunnen zeggen, want Adens Nederlands is inmiddels behoorlijk goed: ‘Niels, jouw grapjes is geestelijk mishandeling voor mij.’

Maar hij zegt het niet. Hij weet wel beter. Hij lacht maar weer zijn tanden bloot wanneer Niels voor de zoveelste keer een pen in zijn kroeshaar plant (‘mag ik je nog één keertje als pennenhouder gebruiken, Aden?’).

Aden kan het niet helpen dat hij zulke grote witte tanden heeft, en dat zijn verplichte lach daardoor zo overrompelend en vertederend is. Dat het hem niet gegeven is te lachen als een boer met kiespijn. ‘Kijk, kijk, kijk, hij heeft er zelf de grootste lol om!’ Waarop hij van Niels een knuffel krijgt, en Aden die misselijkmakende schijnheilige melklucht weer ruikt, die aanmatigende Hollandse varkenspens weer tegen zich aanvoelt.

Aden verafschuwt Niels, maar veracht hem niet. Hij veracht zichzelf om zijn lieve, hagelwitte lach, om zijn afhankelijkheid. Om het feit dat hij maar blijft aanspoelen in de Oase-bar.

Dus wanneer de conducteur hem vraagt of hij zijn kaartje mag zien, zegt hij, voordat hij er erg in heeft: nee.

En wanneer de conducteur hem vervolgens verzoekt ‘het voertuig te verlaten’, zegt hij nog een keer, licht gehinderd, bijna afwezig: nee.

Het zijn natuurlijk precies dezelfde vier dienders die voor Aden verschijnen. De koddebeiers from hell. Wanneer zij hem naar buiten sleuren, op de keien smijten, op zijn buik gooien, op hem gaan zitten, tegen hem gaan schreeuwen, hem ‘Sambo’ noemen, kan hij bezwaarlijk met iets dreigen. En zeker niet met de krant, want bij Nederlandse kranten werken in de jaren negentig voor minstens negentig procent blanke mannen.

Maar toch weet Aden wat. Hij roept:

vuil klootzak dit gaat jullie moeilijk maken ik ken journalist is mister Carl hij heeft gezorgd dat ik hiernaartoe ben gekoom ik vertel mister Carl alles over jullie wat jullie doen en dan ben jij je baan kwijt vuil klootzak

Het maakt geen indruk. De Hulk begrijpt niet waar Sambo het over heeft, en verschrompelt en splitst zich pas weer tot een handvol dienders nadat er iets in Sambo’s arm hoorbaar is geknakt. Hij gaat mee naar het bureau, er wordt een dokter bij gehaald. Hij krijgt een mitella, twee paracetamols, een verwijsbrief voor het ziekenhuis, maar eerst wordt er proces-verbaal opgemaakt, zonder vermelding van de gebroken arm, en moet hij toch een paar uur in de cel blijven.

Aden had maar wat gebluft over mister Carl. Hij weet helemaal niet bij welke krant mister Carl werkt, en of die er  werkelijk voor heeft gezorgd dat de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR hem naar Nederland heeft gestuurd. Na het verlaten van het politiebureau neemt hij dus geen contact op met mister Carl.

Maar hij herinnert zich hem nog goed. Die beetje cynisch overkomende man die hem vroeg naar zijn vluchtelingenverhaal, in een kamp midden in Afrika, midden in de woestijn, waar Aden al maanden vast zat, samen met pak’m beet 60.000 andere Afrikanen uit wel tien andere laden.

 

Kenya. Daily life in Kakuma Refugee Camp and Kalobeyei Settlement

 

Het zweet steeds van zijn rode varkensvel wissend, had mister Carl het allemaal aangehoord en heel precies opgetekend. Tenminste: zijn vragen waren heel precies. Dus zullen zijn aantekeningen dat ook wel zijn geweest.

Aden vertelde. In het vormelijke Engels van een Afrikaanse jongeman van goede familie. Over de ontvoering van zijn vader, magistraat in de hoofdstad van zijn door stammentwisten verscheurde vaderland, die unfortunately eindigde met diens dood. Logisch, vader had veel misdadigers berecht, dus had hij veel vijanden. Over de verkrachting en gewelddadige dood van zijn moeder, die als arts werkte voor het Internationale Rode Kruis. Moeder was een hoer want werkte met buitenlanders, zo zullen de gunmen hebben gedacht, naturally. Ze zullen ook hebben vermoed dat ze door die zondige omgang over de nodige deviezen beschikte.

Aden vertelde over hoe zijn broer omkwam tijdens een shoot-out. Over hoe hij zelf, na al deze regrettable casualties, zijn studie medicijnen moest afbreken. Naar een zuidelijker gelegen havenstad moest vluchten voor vijandige clanhoofden met hun milities. De kapitein van een Australisch schip wist over te halen hem mee te nemen naar nog een havenstad, in een ander land.

SOMALI ARMED GUARDS, MOGADISHU, Somalia

En daar ontfermde de UNHCR zich over hem en bracht hem onder in het vluchtelingenkamp. Waar hij zich verdienstelijk maakte als verpleger in een cholerakliniek, en als hulpverlener in een psychiatrisch dagcentrum, en tal van cursussen volgde.

Nu waren zijn mogelijkheden uitgeput. Een zusje van hem was verhongerd, een ander, die in een vluchtelingenkamp honderden kilometers verderop zat, was afhankelijk van zijn financiële steun. Aden had nog één brandende wens: mister Carl kon het misschien raden.

De zwetende journalist sloot zijn blocnote, en zei: ik ken wel wat mensen van UNHCR. In Nairobi en in Nederland. Ik zal zien wat ik doen kan.

En hij hield woord, mister Carl. Hij kaartte het aan. Maar wat er van Aden is geworden, en of hij echt in Nederland terecht is gekomen, weet hij niet.

Zoals gezegd, katers heb ik al een tijd niet meer. Het privilege van een slordig leven heb ik al een tijd geleden afgezworen. De koddebeiers from hell ben ik zelf niet meer tegengekomen. Maar dat ze nog rondwaren, speurend naar de Adens van deze wereld, en dat ze met velen zijn – dat acht ik zeker.