Archief voor januari, 2020

De content uitnutten langs multimediale kanalen

Content_Unmilited

Dit verhaal verscheen eerder op de website van Literair Tijdschrift Extaze 

DOOR CARL STELLWEG

Hij stapt de metro uit en meteen is alles vertrouwd.  Alsof hij nooit is weggeweest. Even gedachteloos als vroeger loopt hij door de poortjes en komt dan in het tochtige halletje van het kleine treinstation waar ook de metro stopt.

Hij negeert de kiosk met de koude chocomel en vette gevulde koeken, kinderlijke traktaties die hij ook als volwassene tijdenlang niet kon weerstaan. Nu lukt hem dat wel, zoals hij zoveel impulsen heeft leren beteugelen – behalve die ene impuls die hem nu weer hier heeft gebracht.

Wat voor nut deze onderneming heeft? Moeilijk te zeggen. Hij is bereid er het nodige voor op het spel te zetten, dat in ieder geval, al was het maar omdat de tijd begint te dringen, hij is immers al bijna bejaard.

Bejaard: een woord dat nog maar weinig wordt gebruikt, maar waarvoor hij niet terugdeinst. De tijd van terugdeinzen, van bange eufemismen, van zoete broodjes bakken, ligt achter hem, dat heeft hij nu genoeg gedaan. Hij is dus geen ‘senior’, hij is een oude knar, een man op leeftijd, b-e-j-a-a-r-d, verstaat u wel? Of bijna dan.

Niets om hem heen trekt zijn bijzondere aandacht, hij loopt net zo doelgericht door als in de jaren dat hij hier dagelijks kwam en zich belangrijk en nuttig mocht voelen.

Net buiten het station pauzeert hij even. Hij ziet de fietsenstalling,  het kleine busstation ernaast, alles onveranderd, ook het kantoorvee dat zich naar huis haast om weer mens te worden, nu de dagtaken erop zitten. Best mogelijk dat hij op dit moment de enige is die hier een bitterzoete sensatie van thuiskomst ervaart.

Over hooguit een uur is deze oude, gammele bedrijvenpolder helemaal leeggelopen, is de tijd er tot stilstand gekomen. En dan? De hemel mag weten of het allemaal gaat lukken. En of ze er ook echt zal zijn. Zijn enerverende afspraakje. Hij weet wat ze vermag, kent haar metier, ze heeft er trouwens meer dan één: beklimster van pyloonbruggen, paaldanseres, om er  nog een paar te noemen.

Het metier waar het nu om gaat baart hem de meeste zorgen. Ze mag er goed in zijn, het kan altijd een keer fout lopen, het moet wel een keer fout lopen, en is het niet onvermijdelijk dat zij hem dan in haar val meesleurt? Zal hij er zich tegen verzetten? Zo ja, waarom gaat hij dan eigenlijk zo vertrouwelijk met haar om? Om haar een veilige haven te bieden wanneer ze de destructieve dollemansrit van haar leven even moe is? Hij weet wel beter.

Hij passeert een viaduct waar het treinspoor overheen loopt, ziet de graffiti die er  jaren geleden in opdracht van de gemeente is aangebracht, en constateert dat het kunstwerk lelijk is aangetast maar daardoor toch niet lelijker is geworden.

content5

Hij werpt een blik op het talud met bosjes waar hij vaak zijn blaas heeft geleegd, hoewel een WC niet meer dan vijf minuten lopen was. Misschien had hij toen al die oerdrang om uit de pas te lopen. Of wilde hij een geheim met de bosjes delen door er iets achter te laten.

Hij loopt langs een blinde muur van grijs gespoten baksteen, gaat rechts de hoek om, en ja, daar staan ze nog, de kantoorgebouwen van vroeger, zij aan zij, als logge schepen aangemeerd, het water geen water maar asfalt, en daartussen ook het pand dat jarenlang stond voor een vast inkomen, collega’s, waardering, en het genoegen om zichzelf dagelijks in druk te zien.

Het pand is al jaren leeg, de vastigheid met het naderen van de oude dag verdampt. Amper genoeg geld om van te leven, geen collega’s en waardering meer, geen bewijzen van zijn bestaan in druk, en ook vrouw en dochter na alle tegenslag met de noorderzon vertrokken…  en toch, toch is hij opgebloeid. Hij weet haar nu aan zijn zijde. Het meisje van de vele metiers.

Hij versnelt zijn pas, en staat dan voor het gebouw dat eens het hoofdkantoor van zijn voormalige werkgever was. Een dikke glazen wand met twee draaideuren, een leeggeruimde ontvangsthal daarachter.

Vluchtig kijkt hij om zich heen. Geen sterveling te bekennen. Hij duwt tegen een draaideur. Die geeft niet mee. Tot zijn opluchting doet de andere deur dat wel. Kijk aan, het slot is geforceerd. Hij grijnst veelbetekenend.

Binnen voelt hij zich niet meteen op zijn gemak, ook al heeft hij niet het idee dat hij iets doet wat niet mag. Hij komt zijn herinneringen opeisen. Is daar iets mis mee? Hangen hier trouwens camera’s, CCTV of hoe heet die shit? Hoeft hij zich geen zorgen om te maken, zo heeft ze hem verzekerd. En zij zal het wel weten.

Rechts op een tafel ligt een stapeltje toetsenborden, links ziet hij de voormalige receptie, de slanke balie een perron waar geen vreemdeling meer zal stranden. Vóór hem, in de uitgestrekte ontvangsthal, het wezenloze zitje waar nooit iemand zat.

Hij kijkt op. Het atrium. Acht verdiepingen hoog torent het boven hem uit. In het midden de glazen liftschacht, met op elke verdieping een brug die de vroegere redactielokalen aan weerszijden van het atrium met elkaar verbindt.

kleine aaseters6

Een groot karkas, daar bevindt hij zich in, en hij voelt zich er thuis. Ook karkassen kunnen leven herbergen, ze krioelen er soms van. Parasitair leven, kleine aaseters, zoals hij, de bijna-bejaarde, en zijn afspraakje.

Moeizaam klimt hij over een van de toegangspoortjes op weg naar de lift. Zijn knieën kraken. Hij voelt zich nogal bespottelijk, ook door die rugzak vol lekkers en lectuur. Laptop verboden. Kaarsen en dekentjes verplicht.  Pathetisch? Jammer dan.

Hij drukt op de liftknop. Wat dacht hij nou, natuurlijk gaan de deuren niet open… altijd naïef gebleven hè. Hij zal het geraamte van dit karkas via de wervelkolom – de trap  – moeten bestijgen. Dat gaat hem redelijk goed af, hij is best een krasse knar, ook volgens haar, al laat ze steevast een ruwe schalkse lach volgen op die vaststelling. Hij vindt dat hij wel wat heeft teruggekregen voor al zijn moeizaam aangeleerde zelfbeheersing, hoewel geen wijsheid, anders liep hij nu niet de trappen op van een gebouw waar hij feitelijk niets te zoeken heeft. Heeft hij er niets te zoeken? Hij grinnikt, voelt zich ineens uitgelaten, vrij. Hij komt het weeskind dat zijn verleden is aan een nieuwe, jonge moeder voorstellen.

Op de vierde verdieping, waar hij ooit werkte, staat hij stil. Hij spitst zijn oren, maar hoort niets. Ook de stemmen van vervlogen tijden houden zich koest.

Voorgoed verstomd, dat panische circus van strebers. Voor altijd verwaaid, die apenrotsgeluiden.

content4

Dan klinkt er een oorverdovend, rinkelend alarm. Het stopt, en begint opnieuw. Hij klampt zich vast aan de reling, voelt een diepe rilling in zijn schouders, een ijskoude klem om zijn hart, een hete vlam die door zijn darmen schiet. Als het geluid is opgehouden, stelt hij opgelucht vast dat hij het niet in zijn broek heeft gedaan. Nog niet.

Snel loopt hij de brug af, in westelijke richting het gangetje in dat leidt naar de redactieruimtes, en duikt daar de WC in. Hij doet de deur op slot, trekt in één beweging zijn broek en onderbroek omlaag en produceert onmiddellijk een lange, kurkdroge drol, een puntgave angstplastiek.

Nog even blijft hij met bonzend hart op de pot zitten. Radeloosheid kruipt langs zijn broekspijpen omhoog, doet zijn geslacht krimpen. Het gerinkel klinkt na in zijn oren. Hij zal zo wel in de kraag worden gevat. Vocht vult zijn ogen.

Dan herinnnert hij zich een paar zinnen uit een onverwerkt verleden.

We moeten de content uitnutten langs multimediale kanalen.

Langs wat voor kanalen? had hij ongelovig herhaald.

Multimediale kanalen! En als je dat niet kunt handlen, dan is het uitzetten van een outplacement-traject misschien wel alles wat we nog voor je kunnen betekenen. Jij en de rest van dat krakkemikkige zooitje hebben lang genoeg lopen fucken, zitten snurken, met je pik zitten spelen, de belangen van de Nieuwsconsument met voeten getreden.

Hij was naar zijn bureau teruggesjokt. En had gedacht:

De content, tut-tut.

Uitnutten, toe maar.

Langs multimediale kanalen, het mocht wat.

De nieuwsconsument, gaan jullie je mond eens spoelen, tuig dat je bent.

Afijn, een outplacement-traject dus. Hij kreeg de zak.

Nu, jaren later, vraagt hij zich af waar al die grote uitnutters zijn gebleven. Wat de multimediale kanalen zoal hebben opgeleverd.

Niks, niente, nada, nitsjewo, zeker?

Maar wacht even: hij is hier niet om met zijn broek op zijn enkels uit de plee te worden getrokken. Om hier opnieuw in zijn hemd te worden gezet. Deze keer zal hij waardig het pand verlaten. In boeien desnoods, maar met opgeheven hoofd. En hopelijk met het meisje van de vele metiers aan zijn zijde, zijn prinses roekeloosheid, ook zij in boeien, en daardoor rebelser, heroïscher dan ooit. Men zal opkijken van zo’n flamboyant tweetal.

content2

Wanneer hij wil doorspoelen beseft hij dat het water is afgesloten. Laat die drol maar lekker verstenen. Hij sluipt de WC uit, houdt even zijn adem in, laat nog een keer de stilte op zich inwerken.

Hij loopt langs de koffieautomaat waar in de uitsparing boven het roostertje door drab aangevreten plastic bekers zijn gepropt, en bereikt de grote zaal die hij zo goed kent.

Alle bureaus staan er nog, de meeste computers zijn weg. Hij inspecteert de kasten, vindt wat krantenleggers, slaat er eentje open, bladert wat door de broze, vergeelde inhoud tot hij op iets stuit dat zijn aandacht trekt: ‘Geen enkele herinnering kan Marguérite Hélie troosten.’

Het is de kop boven een reportage uit een Normandisch dorpje, die hij een kwart eeuw geleden, ter ere van vijftig jaar D-Day had geschreven, toen hij wegens personeelsgebrek even over de grens mocht gaan kijken. Daar stond ze, samen op de foto met een van haar illustere bevrijders, de Amerikaanse generaal Omar Bradley: Marguérite Hélie. Omar Bradley pakt een glas van een dienblad dat ze hem voorhoudt, en lacht haar daarbij hoffelijk toe. Een mooie herinnering, maar niet een die opwoog tegen het verdriet om de gestorven dierbaren, de afgebroken studie, het gedwongen huwelijk na de oorlog, het verspilde leven in een spelonkachtig woninkje op het klamme Normandische platteland.

Marguérite Hélie is ongetwijfeld allang dood, maar hij is haar niet vergeten. Niets is hij vergeten van al die jaren dat hij dagelijks iets van  zichzelf in druk mocht zien.

En dan, eindelijk, hoort hij iets. De lokroep waarop hij al die tijd heeft gehoopt. Die hij heeft gevreesd, dat ook. Parelende zang, kwajongensachtig, al is dat niet het goede woord. Iets over een feest dat kan beginnen, want zij zijn binnen. Welja, hij kon alles verwachten: van basgitaar spelen in een grungeband tot carnavalsgezang in het uur der waarheid, en alle metiers daartussenin.

En nu komt hij er niet meer onderuit. Hij kijkt een deel van de ruimte in dat hij eerder met zijn blik heeft gemeden, ziet zijn bureau van weleer, ziet haar hoofd erbovenuit steken, het grofgebreide wollen mutsje, het beeldige blonde haar eronder, de zowel koele als sprankelende blik, de benen op tafel, de stoere werkmansschoenen met het pak semtex ernaast.

Zijn mooiste parasiet. De welkome, wonderbaarlijke ontwrichting van zijn levensavond.

Hier en nu begint het feest, en eindigt het ook. Ze zwaait, en hij zwaait terug.

Mijn magisch moment in 2019: een optreden van The Libertines

Foto The supermat

DOOR CARL STELLWEG

Het jaar 2019 ligt achter ons, Men heeft zich bezonnen. Teruggekeken, de balans opgemaakt. Zo is Men nu eenmaal, en omdat ik Men niet altijd tegen de haren in wil strijken, heb ik er maar aan meegedaan.

Kleine moeite, want ik was snel klaar: ook het afgelopen jaar ben ik voor de volle honderd procent gelukkig geweest.

Oké, oké, het leven is lijden, de mensheid gemankeerd, de wereld een open wond, shit man, ik ben de laatste die dat onder stoelen of banken zal steken – maar aan mijn persoonlijke geluk doet dat niets af. En daar heb ik drie keiharde redenen voor.

Eén: geen dag in mijn leven heb ik armoe of gebrek geleden. Twee: geen dag in mijn leven ben ik ernstig ziek geweest. Drie: geen dag in mijn leven heb ik niet geweten dat er iemand was die om mij gaf.

Let wel, mijn geluk is niet volmaakt, want dan zou het niets meer betekenen, maar aan de basisvoorwaarden is geheel voldaan, en omdat ik dit ten diepste besef, kan ik toch oprecht zeggen dat ik geheel gelukkig ben.

Was het dan een jaar als alle andere? Nee. Samen met mijn vriendin heb ik namelijk iets magisch en onvergetelijks meegemaakt: een concert van de rockband The Libertines.

Viering van het leven
Jullie kennen The Libertines niet? Ach, stakkers. The Libertines zijn de ultieme muzikale viering van het leven. De perfecte combinatie van overrompelende jongensachtige bravoure en lyriek. De volmaakte samensmelting van punk en poëzie.

De muziek van The Libertines pepert je ongevraagd in wat een grenzeloos voorrecht het uiteindelijk is om te leven. Wat een ongehoord geluk het is om te ademen, te bruisen, te bestaan. Om er te zijn in plaats van er niet te zijn.

‘Garagerock’ schreven de kenners. En: het Britse antwoord op The Strokes en The White Stripes. Duh! Vergeleken met The Libertines maken The Strokes en The White Stripes simpele, houterige blues.

De Libertines spelen hard, snel en slordig, dat is de enige overeenkomst. Aan hun melodische en tekstuele rijkdom, de hectiek en dynamiek, de wendingen en tempowisselingen, het flamboyante drama en de grootse, zoete melancholie, kunnen die Strookjes en Stripetjes en hoe het verder heten mag niet tippen.

Pete_Doherty_

Pete Doherty Foto Yeti-vert

The Libertines zijn het geesteskind van twee problematische, demonische jongens. Geluk kent namelijk altijd een prijs – anders zou het, alweer, niets betekenen. De ene jongen – Pete Doherty – is nog veel problematischer dan de ander – Carl Barât.

Vanwege zijn uitputtend gedocumenteerde drank- en drugsgebruik is Pete Doherty de meest beruchte Britse rockster sinds Keith Richards. Maar waar Keith Richards iets weg heeft van een roverhoofdman, straalt Pete Doherty met zijn kwetsbare lichaamstaal en bijna kitscherige kindergezicht een eeuwige onschuld en hang naar liefde uit.

Koning van de knuffeljunks
Pete won op zijn zestiende een poëziewedstrijd die hem een door de British Council georganiseerd reisje naar Rusland opleverde. Op zijn zeventiende maakte hij zijn televisiedebuut met de onbetaalbare uitspraak: ‘I subscribe to the Umberto Eco view that Noel Gallagher’s a poet and Liam’s a town crier, and I’ve always seen that as a perfect combination’.  Dat zei hij toen hij in de rij stond voor een nieuw album van Oasis en een verslaggever van MTV hem een microfoon onder z’n neus duwde. (‘Ik heb nog nooit van die mensen gehoord’, zei Umberto Eco desgevraagd in 2015. ‘Ik ben een muzikale dinosaurus, mijn kennis reikt niet verder The Beatles.’)

Niemand – Pete zelf waarschijnlijk ook niet – kon vermoeden dat dit guitige, bijdehante, overigens liefdevol opgevoede ventje  zou uitgroeien tot de koning van de knuffeljunks.

tegelpiet3
Inmiddels beweegt hij zich in een duistere wereld van parasieten, pushers en mede-verslaafden, heeft hij drie keer in de gevangenis gezeten, is betrokken geweest bij diefstal en geweldpleging, is vele malen gearresteerd, heeft erbij gestaan toen vier mensen in zijn onmiddellijke entourage, onder wie Amy Winehouse, een beetje slordig en voortijdig om het leven kwamen, kortom: hij is meer dan een deugniet, hij Deugt Niet, en velen hebben inmiddels hun afkeer van hem geuit – en toch heeft hij nog altijd fans bij de vleet.

Mensen die een getormenteerde bohemien in hem blijven zien. Die niet twijfelen aan zijn onschuld en zijn dichtersziel. Onder wie mijn vriendin en ik.

Ja, we zouden beter moeten weten. Dat willen we alleen niet. Want ach, die liedjes. De pracht. You’re my waterlooMusic when the lights go outI am the rain. Om er maar een paar te noemen. We vergeven hem alles. Vanwege die liedjes, die ons leven hebben veranderd.

Het valt natuurlijk niet mee een fan van Pete te zijn. Met zijn eigen begeleidingsband, de Puta Madres, zou hij op 21 juli optreden in het theater in het Amsterdamse Bos. Voor het eerst gingen mijn geliefde en ik hem live zien. Dachten we. Hoopten we.

Na een wandeling van een uur in de snik-hitte, van ons shithotel in Amstelveen naar dat verdomde theater in dat stinkbos, bleek hij ons, uitgerekend ons, zijn overbekende kunstje te hebben geflikt: meneer zat nog in Ierland, waar hij de avond tevoren had opgetreden. Paspoort kwijt, Ierse immigratiedienst wilde niet meewerken. ‘Pete apologizes and is very upset,’ aldus het management. Het feest ging niet door.

doherty cancelled

Very upset? Nee, dat waren de fans die uit Engeland, Duitsland, Frankrijk en Rusland naar het Amsterdamse bos waren toegestroomd, niet Pete. Want op zijn instagram- twitter- en facebookaccount maakte hij geen woord vuil aan de afgelasting.

Enfin, we kregen ons geld terug, en alsof er niets was gebeurd, togen we op 21 november naar Tivoli/Vredenburg voor een optreden van The Libertines. In de hoop dat Carl Barât de boel nu in goede banen zou leiden.

Carl Barât is Pete’s hartsvriend en soulmate, met wie hij twintig  jaar geleden de gelofte aflegde dat ze het samen zouden maken in de muziek. Met wie hij een persoonlijke mythologie creëerde, waarin ze op het schip de Albion naar het gedroomde land Arcadia zouden zeilen.

Barat

Carl Barât

En lo and behold, Arcadië werd bereikt: rond 2004 lagen pers en publiek aan hun voeten. Maar toen ging het mis. Pete was door zijn drugsgebruik en  onberekenbare gedrag niet te handhaven, en Carl gooide hem uit de band. The Libertines hielden op te bestaan, Pete ging door met The Babyshambles, ofwel Libertines 2.0, Carl begon aan een moeizame solocarrière, want hij mag dan zelf niet gespeend zijn van charisma en eigenlijk de betere muzikant zijn, en een prima songsmid bovendien, hij heeft domweg niet Pete’s grandeur.

Explosieve liefdesrelatie
Natuurlijk kwam het tot een verzoening, want Pete en Carl zijn hopeloos aan elkaar verknocht, ze hebben een explosieve liefdesrelatie zonder dat het nichten zijn. Zoiets heet geloof ik een bromance. Hun fysieke affectiebetuigingen zijn niet seksueel geladen, maar kinderlijk romantisch en ongeremd. Na een reünieconcert in 2010 volgde er in 2015 eindelijk weer een album, het overtuigende Anthems for a doomed youth.

Pete raakte even van de drugs af, ging natuurlijk weer gebruiken omdat hij namelijk niet deugt, maar al met al nam het wangedrag gestaag af. Zelfs Pete leek op zijn manier een beetje wijzer te zijn geworden, dat afgelaste concert in het Amsterdamse Bos was waarschijnlijk een incident.

In de week voorafgaand aan dat optreden in Tivoli bereikten ons helaas toch weer zorgwekkende berichten. Pete werd in Parijs twee keer binnen 48 uur  opgepakt. De eerste keer omdat hij in de rosse buurt Pigalle cocaïne had geprobeerd te scoren. De tweede keer vanwege een dronken handgemeen, nadat hij was vrijgelaten.

De rechter veroordeelde hem tot een boete van 5000 euro en een gevangenisstraf van drie maanden. Voorwaardelijk, waardoor de Libertines hun tournee met hem konden voortzetten.

Pete is een ontzettend lieve, zachtaardige jongen (‘un garçon extrèmément gentil, très doux’), sprak zijn advocaat, hij heeft veel spijt en het zal niet meer voorkomen.

Pete apologizes and is very upset.

Goed, mijn vriendin en ik staan in Tivoli/Vredenburg op de boomer-balustrade, het is half negen, we hebben twee belachelijke voorprogramma’s doorstaan en zijn nu in gespannen afwachting van de hoofdact. Nijvere technici brengen het podium in gereedheid. Net hebben ze drie standaards met microfoons aan de rand van het podium geplaatst.

Maar hé, wie verschijnt daar ineens tussen al die bedrijvigheid? Het enfant terrible in eigen persoon. In een pak met stropdas, want Pete, inmiddels 40 jaar, mag er dan vaak wat ongezond uitzien, hij blijft een dressman, een dandy tot het bittere eind. Het valt op hoe lang hij is. Er gaat een bepaalde dreiging van hem uit. Wat heeft hij in zijn hand? Een soort staaf.

En voordat we het weten heeft hij daarmee alle drie de microfoons keihard van hun standaards gemept, waarbij de laatste microfoon als een levensgevaarlijk projectiel de zaal in lijkt te schieten.

Daarop maakt hij zich uit de voeten, lachend, zijn armen in triomf geheven.

We zijn totaal verrast. Verbijsterd. Ontzet. Mijn vriendin kijkt naar mij op en klinkt bijna als een angstig en verontwaardigd klein meisje: ‘Dat is toch helemaal niet leuk?’

Nee, dat is zeker helemaal niet leuk. Sterker nog: wat een klootzak. Wat een idioot, wat een gek. En dat moet straks optreden? Daar heb ik meteen al een hard hoofd in.

Helemaal naar de klote
Een half uur verstrijkt. Drie kwartier. Een uur. Anderhalf uur. ‘It’s not going to happen,’ hoor ik wat routiniers uit de Britse Libertines-fankaravaan zeggen.

Ik zie een meisje van de security bij het podium. Ze is aan het bellen, ik ga naar haar toe. Gaat het nog door? Ze weet het niet. ‘Ik hoor dat Pete op dit moment helemaal naar de klote is.’

Van een ingewijde verneem ik later dat Pete overdag al erg dronken was: ‘Hij stond buiten het muziekcentrum en vroeg of ik een tequila voor hem wilde kopen, wat ik weigerde. Gezien de staat waarin hij verkeerde, kon ik me niet voorstellen dat het optreden zou doorgaan.’

Een woedend, gitzwart chagrijn borrelt in me op. Hij gaat het ons godverdomme toch niet nóg een keer flikken? Mijn stemming wordt kracht bijgezet door het boegeroep en de fluitconcerten die nu uit de zaal klinken. Sommige bezoekers pakken al hun biezen.

En dan staat-ie daar ineens toch. Alleen, zonder z’n makkers. Gitaar om z’n schouder, groot glas met iets geligs in zijn hand, geen bier, waarschijnlijk een stevige cocktail.

‘There’s a lot going on backstage at the moment, I can tell you that,’ zegt hij grijnzend.

Hij wankelt even, lijkt nog steeds half beschonken. Een regen plastic bekertjes landt op het podium.

‘Als jullie mij willen bekogelen, doe dat dan met glas in plaats van met plastic, want glas reflecteert minder hinderlijk,’ zegt hij uitdagend.

Vervolgens heeft hij het lef te schreeuwen of we nog een concert van de Libertines willen of niet. Ja, dat willen we, en vlug een beetje. Hij begint gitaar te spelen. Het klinkt meteen goed.

Daarop gaat hij zingen. Pete heeft een aangename, hese tenor, maar echt zuiver klinkt-ie zelden. ‘Dit nummer zing ik anders nooit,’ mompelt hij, en we menen een twinkeling van zelfspot te zien. ‘Carl?’ roept hij over zijn schouder, tot algemene hilariteit.  En nog eens: ‘Carl?’

Dan duikt Carl op uit de coulissen. Hij maakt een gebaar van: wat moet ik anders? Onmiddellijk neemt hij de zangpartij van Pete over. Dat doet hij op uiterst energieke wijze. De professional grijpt het initiatief. De bassist en drummer zijn er inmiddels ook.

Het gitzwarte chagrijn ebt meteen weg, maakt plaats voor een kinderlijke uitgelatenheid. Het gaat door!

Wat volgt is pure betovering.

Zeker, de Libertines spelen schandalig nonchalant, perfectionisme is, zacht uitgedrukt, niet aan ze besteed. Desondanks is er geen speld tussen te krijgen. Ik heb nog nooit zo’n ongelooflijk hechte band gehoord. Het is alsof je een muzikale vuistslag krijgt toegediend. Een vloeiende muzikale vuistslag, als zoiets kan – en verdomd, ik weet nu dat het kan.

Geen idee hoe deze ongedisciplineerde pummels het precies voor elkaar krijgen, zonder alle toeters en bellen waarmee veel andere groepen hun onkunde maskeren, zonder effecten als distortion, fuzz en feedback, maar ze klinken als een orkaan. Een orkaan is chaos waar systeem in zit, en dat typeert de Libertines.

Ze zijn eigenlijk een raadsel, een geheimzinnige eenheid. Er gaat een hele hoop mis, en toch lijkt alles onder controle en zoals het moet zijn. Ook al rammelt het soms als een gek, het is tegelijkertijd zwierig, doelgericht en onontkoombaar. Ze zijn meer dan zomaar een band, geen twijfel mogelijk. Ze zijn tot elkaar veroordeeld.

‘We hebben altijd in liedjes geleefd, we hebben geen geloof, niets anders dat ons definieert, dus sprak het voor zich dat we op een gegeven moment eigen liedjes gingen schrijven,’ zei Pete ruim vijftien jaar geleden al, en nu begrijp ik beter dan ooit wat hij bedoelde.

Ja, het komt natuurlijk gewoon door de liedjes dat The Libertines zo vreselijk goed zijn. Die liedjes trotseren alle wanorde. Alle bekende krakers – Up the bracketTime for Heroes, What a waster, The Good old daysDon’t look back into the sunWhat became of the likely lads, You’re my Waterloo, en natuurlijk I get along  – passeren de revue. Ze moeten al honderden keren door hun bedenkers zijn gespeeld, maar er zit geen sleet op. Het is echt wervelend repertoire.

O ja, joh ? Ja, joh. Laat het me uitleggen.

In pak’m beet drie nummers van The Libertines zit meer muziek dan in een heel album van Oasis, en dat is niet overdreven. En zo slecht is Oasis niet eens.

De melodieën zijn pakkend en meeslepend en nooit voorspelbaar. Ook op CD is de uitvoering, sporadische rustpunten daargelaten, onstuimig, in elk nummer zit dynamiet, maar de structuur is vaak intrigerend en rijk gelaagd. Daarnaast vallen er heel veel verschillende invloeden te beluisteren: van punk tot pop tot music hall tot folk tot rockabilly tot vaudeville tot chanson. Geen moment zitten die genres elkaar in de weg, de stijlcitaten zijn altijd to-the-point.

Bovendien kunnen The Libertines, anders dan wel eens wordt beweerd, goed spelen. Carl Bârat soleert vloeiend, Pete heeft een lekker losse maar ook harde, trefzekere aanslag. .

Op de soepele baspartijen van John Hassall – het enige bandlid dat een stoïcijnse kalmte bewaart, zoals het een bassist betaamt – en het opwindende drumwerk van Gary Powell valt al helemaal niets aan te merken. Ze leggen een ijzersterk fundament.

Dat veel nootjes net niet op het juiste moment en in de juiste cadans worden gespeeld, dondert niet. De Libertines zouden waarschijnlijk best elk nootje zijn rechtmatige plaats kunnen geven als ze geen overschot aan energie hadden. Er is geen tijd voor finetuning, het ene nummer is nog niet afgeragd of het volgende staat al in de startblokken. Die woedende vitaliteit is essentieel.

Veel liedjes zijn in al hun uitbundige muzikaliteit niet helemaal af, en dat is ook een reden dat ze niet vervelen: ze blijven zich in het bewustzijn, of onderbewustzijn, ontwikkelen.

De teksten, tenslotte, vallen op doordat ze wars zijn van clichés. Vertrouwde thema’s als liefde, vriendschap en het verlangen naar groots en meeslepend leven worden ongekunsteld maar met ongewone en speelse woordrijkdom en veel wrange humor bezongen. Het belangrijkste: de woorden vormen een vanzelfsprekende eenheid met de muziek.

Roekeloze schoonheid. Dát is wat de Libertines zo bijzonder maakt. En dat is wat Pete Doherty zelf, de ziel van de band, tekent.

Onder de boomer-balustrade kolkt het inmiddels. Alles wordt uit volle borst meegezongen. Fans gooien zich tegen elkaar aan, en het edele oude ambacht van het crowdsurfen wordt weer met enthousiasme beoefend, wat schitterend is om te zien.

Bier, zweet, vriendschap, seks en muziek. Rauwe, eloquente muziek: dat zijn de Libertines. Wat een feest. Hield het maar nooit op.

Pete is ineens helemaal niet meer naar de klote. Hij is bezield. De muziek tilt hem kennelijk boven alle vuiligheid en hopeloosheid uit. Geen cocktail meer voor hem, we zien hem zelfs in de weer met een flesje water. Hé uitslover, dat hoeft nou ook weer niet!

Aan het onherroepelijke einde van een in alle opzichten bijzondere avond toont hij zich zelfs even een gentleman: ‘Thank you for your patience,’ zegt hij, en is weg.

Mysterieus verband
Ik denk nog een tijdje na over die krankzinnige actie van hem met die drie microfoons. Eerlijk is eerlijk, deze avond is met name onvergetelijk geworden door die emotionele achtbaan waar Pete ons doorheen heeft gejaagd. Er lijkt ook een mysterieus verband te bestaan tussen die drie meppen en de drie redenen voor mijn geluk die ik aan het begin van dit stukje heb gegeven. Het lijkt of Pete elk zedelijk fundament onder je wil wegschoppen, elk redelijk levensbeginsel met voeten wenst te treden, elke grens die je hebt getrokken achteloos overschrijdt.

Hij heeft echt, wezenlijk, schijt aan alles. En je pikt het, voor het wonderschone dat je er af en toe voor terugkrijgt.

Pete is een klassieke rockster. Maar hij is nog zo veel meer. Hij is een genie, zelfs als ik zijn talent overschat.

Ik denk ook aan wat ik een ander briljant drankorgel, de acteur Richard Burton, ooit hoorde zeggen: ‘I did suddenly wake up one morning and found out how splendidly rich and extraordinary the world was, and I knew I couldn’t bear this richness and beauty.’

Ik zie op YouTube Pete Doherty het politiebureau in Parijs verlaten, waar hij tien dagen voor het concert even heeft vastgezeten. Hij ziet er, zacht gezegd, niet fris uit, maar dat is normaal. De grijns van de garçon extrèmément gentil, très doux verraadt dat het hem allemaal aan zijn reet zal roesten, dit akkefietje is ook weer achter de rug.

En daar rent een aantrekkelijke jonge vrouw op hem af, en werpt zich tegen hem aan, slaat haar armen om zijn nek.

. katia2

Het is zijn Franse vriendin Katia de Vidas, toetseniste van de Puta Madres. Nog mooier is ze, vind ik, dan Pete’s bekendste ex, Kate Moss. Aristocratisch mooi. Kan ze niks beters vinden dan deze pafferige vagebond, die al lang geen mooie jongen meer is met die wallen onder z’n ogen, die zweren op z’n gezicht en handen, die halfrotte tanden.  Ze wijkt al jaren niet van zijde. Is ze die eeuwige problemen van hem niet eens zat?

‘I learn so much from Peter,’ heeft ze eens in een interview gezegd.

Katia en Peter stralen. Peter maakt met twee vieze vingers het overwinningsteken. Z’n vingers zijn om een of andere reden altijd vies.

Stevig gearmd lopen ze uit beeld. En ineens komt de gedachte in mij op dat Pete Doherty gewoon gelukkig is. En verder schijt heeft aan ons, aan alles.