Archief voor april, 2017

Gordijnenafhaaldag

Adapazari7

DOOR CARL STELLWEG

In 199 ging ik als krantenverslaggever naar Turkije, nadat een aardbeving er aan tienduizenden mensen het leven had gekost. Een spektakel van verwoesting en ontreddering, maar ook van moed en initiatief, dat ik nooit zal vergeten. Af en toe speelt de herinnering op.

De naam van de stad is het eerste dat hem verbaast: Adapàzari.

Adapa-wat? Sakarya was het toch? Niet volgens de borden. Later zal hij erachter komen dat veel Turkse steden twee namen hebben, maar voor hem blijft de naam Adapàzari, met die onverwachte klemtoon op de derde lettergreep, die schokkerige opeenvolging van eendere klinkers waar je tong bijna over struikelt, altijd verbonden met de toestand waarin hij deze stad van 200.000 zielen zou aantreffen.

Adapàzari. Met de A van Apocalyps.

Lees meer

Een liederencyclus voor de geschonden kinderen van Gaza

Eduard de Boer2

CARL STELLWEG

De componist en de dichter, er is veel dat hen scheidt. Een oceaan. Letterlijk. Een tijdsverschil van zes uur. Drukke bezigheden, niet al te veel liquide middelen – componeren en dichten zijn nu eenmaal geen vetpot.

Daardoor konden ze elkaar niet in levenden lijve ontmoeten, zelfs niet spreken: de dichter zegde Skype op na een virusaanval, de reguliere telefoon is uiteraard veel prijziger. E-mail, daar bleef het bij.

En dat was genoeg om de creatieve vonk te laten overspringen tussen twee kunstenaars die elkaar niet kenden, elkaar eigenlijk nog steeds nauwelijks kennen, en toch tot een unieke coproductie in staat bleken: een liederencyclus, gewijd aan de kinderen van Gaza.

Lees meer

Het Walhalla der Maestro’s

Walhalla4

DOOR CARL STELLWEG

Het leek een avond te worden als vele andere, die nazomeravond in de jaren tachtig die ik met twee studievrienden doorbracht in Café de Zijsprong in een Brabantse stad. Nee, aanvankelijk wees niets op de komst van mijn ka­meraad, mijn beste kameraad.

Wie hij is? Maar dat ligt toch voor de hand: hij is mijn wil, mijn merg, hij is het die mij dwingt tot daden. Eigenlijk is hij ieders kameraad. Maar het was die zomeravond voor het eerst dat hij ook werkelijk liet merken míjn kameraad te zijn.

Eerlijk gezegd vond ik De Zijsprong niet meer dan een verzamelplaats voor onschuldige, maar gesjochte figu­ren. Mijn vrienden dachten daar anders over. Avond aan avond bezochten ze dit onbeduidende wormgat in de binnenstad, deze mistroostige pijpenla waar schuwe drinkers zich verschansten.

De reden stond 12 uur per dag achter de tap en heette José. Ze was een forse vrouw van achter in de veertig, niet smaakvol maar wel ver­zorgd gekleed. Aan haar monumentale polsen bengelden opzichtige armbanden, als van een circusvorstin, een hei­dense hogepriesteres, een vervaarlijke hoerenmadam.

Lees meer