Archief voor april, 2017

Gordijnenafhaaldag – door Carl Stellweg

Adapazari7

In 1999 ging ik als krantenverslaggever naar Turkije, nadat een aardbeving er aan tienduizenden mensen het leven had gekost. Een spektakel van verwoesting en ontreddering, maar ook van moed en initiatief, dat ik nooit zal vergeten. Af en toe speelt de herinnering op.

 

De naam van de stad is het eerste dat hem verbaast: Adapàzari.
Adapa-wat? Sakarya was het toch? Niet volgens de borden. Later zal hij erachter komen dat veel Turkse steden twee namen hebben, maar voor hem blijft de naam Adapàzari, met die onverwachte klemtoon op de derde lettergreep, die schokkerige opeenvolging van eendere klinkers waar je tong bijna over struikelt, altijd verbonden met de toestand waarin hij deze stad van 200.000 zielen zou aantreffen.

Adapàzari. Met de A van Apocalyps. Dat ook nog.

Zodra hij samen met een lokale chauffeur Istanbul verlaat, haalt hij zijn opschrijfboekje tevoorschijn. Aanvankelijk valt er niets te noteren. Of het moet zijn dat er niets bijzonders is te zien. Hoe zit dat? Is er helemaal geen aardbeving geweest? Hallucineert hij dat er helemaal geen aardbeving is geweest? Is hij niet in staat iets te zien dat volkomen anders is dan wat hij kent, zoals de Aboriginals niet in staat schenen te zijn om de eerste grote schepen van de bebaarde bleekhuiden te zien, ook al waren die pontificaal en onheilspellend in hun blikveld verschenen?

De chauffeur dommelt steeds weg achter het stuur. Hij heeft ook nog een andere baan. ‘s Nachts bewaakt hij de receptie van een klein hotel, overdag rijdt hij van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat buitenlandse verslaggevers rond, brengt hij ze naar plaatsen die tot voor kort weinigen buiten Turkije kenden: Izmit, Gölcük, Yalova. En Adapàzari.

Er is nog een reden dat hij slaap tekort komt. Als hij zijn ogen sluit, begint de aardbeving opnieuw, gaat de boel kantelen in zijn hoofd. Dat vertelt hij de verslaggever en die heeft dan toch nog iets om op te schrijven.

Hoe had hij zich op het grillige, groteske karakter van dit natuurverschijnsel kunnen voorbereiden? Een aardbeving is er wel of is er niet, er zit niets tussen. Een aardbeving veroorzaakt niet alleen een breuk in de aardkorst, maar ook een breuk met de normaliteit, een vertrouwensbreuk met de werkelijkheid van alledag.

Na een kilometer of 150 geeft de rampspoed zich abrupt prijs. De zwaartekracht heeft een macabere slapstick opgevoerd: daken die scheef als een feesthoedje op gebouwen staan, huizen die een plagerige zet naar achteren, naar voren of opzij hebben gekregen, een linnenkast die kaarsrecht en volkomen ongeschonden, in droeve luister, uit een stapel steen en gruis steekt. Een van de wrangste kenmerken van de catastrofe is misschien wel de soms komische aanblik.

Adapazari6

Dan rijden ze Adapazari binnen, waar de seismische krachten alle registers hebben opengetrokken. Het centrum is een onmetelijke pan omgewoelde, grijze betonlasagna, een langgerekte harmonica van puin, een gemutileerd monster waarvan de roestige ingewanden zijn uitgerukt. Halleluja-armpjes van lantaarnpalen hangen troosteloos langszij, en om te zeggen dat de middenstand plat ligt is een smakeloos understatement: de begane grond waar vrijwel alle winkels waren gevestigd, is nu een door natuurkrachten gegraven souterrain geworden.

Wat er kan worden gered wordt gered, al is het nog zo onbetekenend: een tafeltje met afgebroken poten, een speelgoedauto, een wonderbaarlijk ongeschonden gebleven flesje siroop. In een flatgebouw dat in een hoek van pakweg 30 graden slagzij heeft gemaakt, haalt een vrouw op de derde verdieping de gordijnen af, alsof het een doodgewone dag is om gordijnen af te halen. Alsof het vandaag gordijnenafhaaldag is, aardbeving of niet.

En dan die lucht van rotting, weerzinwekkend zoet. Onder het puin, gelukkig niet zichtbaar, eet de dood zich een indigestie aan een grand dessert van verwrongen vlees.

Wat hiertegen te doen? Hoe dit te verwerken? Misschien dat absurde gebeurtenissen op absurde wijze dienen te worden gepareerd. Overal in het rampgebied klinkt een gulle lach. ,,Jullie westerlingen willen niet dat wij ons aansluiten bij Europa?’’ zegt een jongeman die voorlopig op een bank op straat woont. ,,We zijn nu toch maar mooi twee centimeter naar Griekenland opgeschoven. We komen eraan, of je het leuk vindt of niet.’’

En dan die achtkoppige familie die een relatief comfortabel onderdak heeft gevonden in een legertent. ,,De eerste dagen scholen we samen onder een parasol”, zeggen ze. ,,Er was niets te eten. Maar beter ook: eten betekende naar de WC gaan en… er was geen WC!” Bulderend gelach.

‘Onder het puin, gelukkig niet zichtbaar, eet de dood zich een indigestie aan een grand dessert van geknakt vlees’

Een aardbeving is een onzichtbare vijand. Een cliché, maar je ontkomt er niet aan. Waar is het leger dat al deze verwoestingen heeft aangericht? Waar verschuilt het zich? Onder de grond, dat is waar het zich verschuilt, en daar slaapt het meestal, maar waar zou het van dromen? Kunnen we daar een idee van hebben? Zouden we iets van die dromen kunnen begrijpen? Wat voor soort dromen zou aanleiding kunnen geven tot zo’n gewelddadig ontwaken?

De aarde is een kooi slapende honden. De aarde is geen schip dat ons veilig over de peilloze troggen van het universum loodst, de aarde is misschien niet meer dan een onbeduidende richel, voortkomend uit het niets, op weg naar niets, tollend door een onbegrensd niets, waar we elk moment vanaf kunnen kieperen. De grond onder onze voeten is een valse vriend. Was dat in de begindagen van de mensheid ook niet zo? Wat moesten de wezens die altijd veilig in de bomen hadden geleefd aan met die grond waartoe ze waren veroordeeld nadat de savannen waren uitgedroogd en de bomen gestorven? Bood die verraderlijk vlakke, uitgestrekte grond de zekerheid die de takken en lianen hadden geboden? De vraag stellen is hem beantwoorden! Op de grond was de vijand overal, alomtegenwoordig en onzichtbaar, loerend tussen het hoge gras, tenzij ze zich zouden oprichten en om hen heen zouden kunnen zien. En dus deden ze dat, de grond dwong hen ertoe, duwde hen opwaarts, en zo zouden ze uiteindelijk de horizon ontdekken, in zich opnemen en zien hoe die voortdurend veranderde, steeds nieuwe perspectieven uitrolde, als rode lopers voor hun veroveringsdrift.

Adapazari5

Maar lang bleven de bannelingen uit de bomen nog beklagenswaardige wezens, zonder klauwen, zonder slagtanden, en ook nog eens opgezadeld met de zorg voor een ontstellend zwak kroost: immers, de bekkens van de wijfjes versmalden zich doordat ze rechtop moesten gaan lopen, waardoor hun jongen pijnlijk, voortijdig en weerloos ter wereld kwamen.

De soort overleefde, zoals we weten, zij het destijds tegen alle verwachtingen in.

Vreugdekreten wekken de vreemdeling met het opschrijfboekje uit zijn overpeinzingen. Oprechte vreugdekreten ditmaal, geen cynisch geveinsde hilariteit, en hij haast zich naar de plek waar het geluid vandaan komt, zoals het een alerte verslaggever betaamt. Op een heuvel van brokstukken heeft een groepje mannen en vrouwen zich om een bundeltje geschaard, een bundeltje dat een klein kind blijkt te zijn, haast een baby nog. Levend is het aan de krachten van de aarde ontrukt, en het is spookachtig en sprookjesachtig bedekt door grijswit puinstrooisel,  de wenkbrauwen wonderlijk goed zichtbaar, als donzige spinnenpootjes. Een kind, ademend, adembenemend, hoestend, goor en puur, ofwel: wedergeboren, voor de tweede keer de wereld in gespuwd door de wereld.

En even, heel even, schijnt het de vreemdeling toe dat het puin van Adapazari bitterzoet opglanst.

Adapazari8

 

Een liederencyclus voor de geschonden kinderen van Gaza – door Carl Stellweg

Eduard de Boer2

De componist en de dichter, er is veel dat hen scheidt. Een oceaan. Letterlijk. Een tijdsverschil van zes uur. Drukke bezigheden, niet al te veel liquide middelen – componeren en dichten zijn nu eenmaal geen vetpot. Daardoor konden ze elkaar niet in levenden lijve ontmoeten, zelfs niet spreken: de dichter zegde Skype op na een virusaanval, de reguliere telefoon is uiteraard veel prijziger. E-mail, daar bleef het bij. En dat was genoeg om de creatieve vonk te laten overspringen tussen twee kunstenaars die elkaar niet kenden, elkaar eigenlijk nog steeds nauwelijks kennen, en toch tot een unieke coproductie in staat bleken: een liederencyclus, gewijd aan de kinderen van Gaza.

Op 22 april beleeft het stuk, dat uit negen liederen bestaat en 40 minuten duurt, zijn première in de Oosterkerk in Hoorn. Een dag later is er een uitvoering in de Singelkerk in Amsterdam. En daarna? Wie zal het zeggen. Voor de kinderen van Gaza en hun situatie staan cultuurminnende geldschieters niet in de rij: er zijn genoeg minder ‘beladen’ charitatieve doelen. De totstandkoming van het zangproject was echter zo wonderbaarlijk dat de initiatiefnemers stilletjes hopen op een bijzonder vervolg.

Vanwaar de focus op kinderen? Uiteraard hebben niet alleen kinderen het moeilijk in de Gazastrook, die door geweld, wanhoop en isolement getekende vuilstortplaats aan zee waar twee miljoen mensen op 400 vierkante kilometer leven. Maar door de aandacht specifiek op kinderen te richten, hopen de Nederlandse componist en de Amerikaanse dichter de valkuil van de politiek te omzeilen. Kinderleed is immers politiek nooit te rechtvaardigen. Kinderleed is onverdacht. Nietwaar?

Geïmproviseerd kinderplezier in Gaza ©Mohammed Abed

Geïmproviseerd kinderplezier in Gaza ©Mohammed Abed

Inderdaad – maar toch: in Israël en Palestina is elke molecuul ideologisch en politiek geladen. Wie zich met de regio bemoeit, al is het nog van zo’n grote afstand, en al is het nog uit zulke onverdacht humanitaire motieven, kan zich niet aan die ideologie en politiek onttrekken. Actief opkomen voor de Palestijnse bevolking ligt niet voor de hand in de Westerse wereld. Daarvoor moeten vaak barrières aan vooroordelen en desinformatie worden beslecht, een spervuur aan verdachtmakingen worden getrotseerd. Misschien dat Michael R. Burch (59) en Eduard de Boer (60) – zeg maar ‘Mike’ en ‘Ed’ – toch meer gemeen hebben dan ze bevroeden. Bijvoorbeeld de ideologische achtergrond waarvoor ze niet zelf hebben gekozen. De uitgesproken christelijke omgeving waarin ze opgroeiden, een dikke 7000 kilometer van elkaar vandaan, en toch kennelijk zo eender.

Eduard de Boer bezocht de Johannes Calvijn-school in Kampen, waar hij hoorde wat een zegen het was dat het joodse volk het in Palestina weer voor het zeggen had gekregen: in de eerste plaats bestond daarvoor het overbekende Bijbelse argument, in de tweede plaats het praktische argument dat de zionistische pioniers zoveel beter in staat waren het land tot bloei te brengen dan de Arabieren, een achterlijk en verwerpelijk volk.

‘Het was niet zo dat ik deze opvattingen met overtuiging aanhing, ze waren domweg een gegeven, een blauwdruk, een uitgangssituatie,’ zegt Eduard de Boer nu in zijn woning in het Noord-Hollandse Midwoud. ‘Ik was ermee geïmpregneerd en dacht er verder niet over na.’

Pas toen hij, 19 jaar oud, besloot om zijn vakantie als zo veel jongeren in de jaren zeventig op een kibbutz door te brengen, verschoof het perspectief. Hij was daar naartoe gegaan op uitnodiging van Nathan, een Amerikaans-joodse jongen die in hetzelfde studentenhuis woonde als hij. De conservatoriumstudent had niet veel omhanden, geen vastomlijnde plannen, eigenlijk geen reden niet op de uitnodiging in te gaan. Dus ging hij, en hij kreeg er geen spijt van. Het leven beviel hem goed in de kibbutz. ‘Er heerste een hele internationale sfeer, de egalitaire opzet sprak me ook wel aan.’ En de Palestijnse kwestie? ‘Er lagen Engelstalige kranten, die repten van aanslagen, van de PLO. Ik nam er kennis van, maar nog altijd op een neutrale manier, en zonder werkelijk inzicht in de situatie. De PLO stond in een kwaad daglicht, waar de Palestijnse zaak precies om draaide was niet duidelijk.’

Een aantal doodgewone voorvallen deden zijn passieve kijk op de zaak pas kantelen, zoals het grote wel vaker in het kleine verborgen zit. Er was die keer dat hij met een groepje Israëlische jongeren op de bus stond te wachten. Toen die bus kwam werd hij ruw aan de kant geduwd. Zo maakte hij kennis met de onbehouwen omgangsvormen waar de Israëlische samenleving bij vriend en vijand om bekend staat, en hij was er niet op bedacht, want Israël was beschaafd.

Vervolgens was er de kennismaking met een Palestijnse opzichter op een zonnebloemplantage die bij de kibbutz hoorde. ‘Een ontzettend aardige man, die elke dag iets lekkers voor je meebracht, en erop toezag dat je niet werd afgebeuld. Aan wie geen onvertogen woord ontsnapte, behalve dat hij liet doorschemeren weinig betaald te krijgen.’ En alweer stond hij verbaasd, want Arabieren waren primitief en agressief.

Tenslotte het viertal Palestijnse mannen dat hem in hun kale huis uitnodigde toen hij daar vlakbij stond te liften, hem eten en drinken voorzette en hem vertelde waar de sleutel lag, mocht hij ooit weer in de buurt zijn en een slaapplaats nodig hebben. ‘Het was niet meer dan een gebaar, maar ik was er zeer door getroffen.’

Kleine belevenissen waaraan geen enkele politieke conclusie te verbinden viel, maar die De Boer zich toch altijd zou blijven herinneren omdat ze hem duidelijk maakten dat zijn opvoeders hem met stereotypen hadden opgezadeld. Hij zou nooit meer terugkeren naar Israël en Palestina, toch legden deze schijnbaar onbeduidende ervaringen van een nog nauwelijks volwassen man de kiem voor wat hij tientallen jaren later tot stand zou brengen.

Michael Burch

Michael Burch

En Mike Burch? ‘Ik ben opgegroeid in een traditioneel christelijk milieu,’ meldt hij telefonisch vanuit Nashville, Tennessee. ‘Ons was geleerd dat de joden Gods oogappel waren, en de Arabieren een verschrikking. Informatie die dit weersprak was niet voorhanden. Tot deep in my forties was ik zeer pro-Israël en diepgaand geïnteresseerd in zogeheten Holocaust-poëzie. Ik kende veel joodse dichters, en die kwamen mij voor als zeer weldenkend, humanistisch en vooruitstrevend. Totdat het mij begon op te vallen dat ze als een blad aan een boom omdraaiden wanneer de Palestijnen ter sprake kwam. Dan werd hun houding defensief en onbarmhartig en leken al die liberale beginselen niet meer van waarde.’

Uiteindelijk besloot Burch zelf te gaan uitzoeken hoe dat nu precies zat met die Palestijnen en vielen de schellen hem van de ogen. ‘Ik had echt niet veel tijd nodig om te beseffen dat de kwestie behoorlijk anders lag dan mij en vele anderen was voorgespiegeld. Dat de Palestijnen fundamenteel onrecht was aangedaan. Dat hun hele bestaan werd ontkend, bijvoorbeeld door Golda Meir, die woordelijk zei dat Palestijnen niet bestonden. Ik was er letterlijk dagenlang ziek van. Toen ik mijn joodse vrienden met mijn bevindingen confronteerde, volgden er agressieve pogingen mij te bekeren. Ik kreeg iemand op mij af die deel uitmaakte van de Hazbara, de zionistische propagandamachine. Natuurlijk liet ik mij niet vermurwen. Nu hebben mijn vrienden  van weleer een hekel aan mij, al zeggen ze mij ook te ‘respecteren’. Want ik mag dan een leugenaar zijn, ik houd het wel ‘beschaafd’. Is dat niet eigenaardig?’ Er klinkt onderdrukt gegrinnik van de andere kant van de oceaan.

Michael Burch werd een activist, die zelfs een eigen vredesplan ontwierp (de Elberry Burch peace initiative). Hij bouwde de website The HyperTexts, die zeer breed van opzet is, maar waarop een prominente plaats is ingeruimd voor Holocaust- en Nakba-poëzie, en wat meer is: gedichten uit Gaza, waarvan vele geschreven door kinderen. Gedichten die Eduard de Boer onder ogen kwamen, omdat hij ernaar op zoek was, aangezien hij het plan had opgevat een zangstuk te schrijven voor de kinderen van Gaza. Op dat idee was hij gekomen toen hij vele jaren na zijn bezoek aan Israël op de onderbelichte situatie van de Palestijnen werd gewezen door zijn Belgische vriend en organisator van klassieke concerten, André Posman (broer van de bekende Vlaamse componist Luciën Posman). Via Posman, die getrouwd is met een Arabische vrouw, kreeg hij een boek in handen over de Gazastrook, met daarin ook een aantal ‘interessante’ gedichten. ‘Wat ik las was schrijnend, en bracht de herinnering aan mijn aangename contacten met Palestijnen van bijna een kwart eeuw geleden weer terug.’

Kwam het ambitieuze voornemen om een zangstuk te schrijven dan enkel daaruit voort? ‘Nou, nee,’ zegt de Boer. ‘Er speelt meer mee. Kijk, ik ben voor componeren in de wieg gelegd. Ook al zou ik de allerslechtste componist zijn die ooit heeft bestaan, dan nog kan ik niets anders dan componist zijn. Zo ben ik geboren, kan ik ook niet helpen. En als ik mijn talenten kan gebruiken om een positieve bijdrage te leveren aan deze kwestie, dan wil ik dat graag. Of beter: voor zover ik in staat ben een bijdrage te leveren, is dit de manier waarop ik dat kan en wil. De beste motivatie voor alles wat je doet is de wereld een beetje beter maken. Als je een bakker bent, dan maak je een lekker broodje. Dit principe geldt natuurlijk niet voor alle beroepen. Wie woekerpolissen bedenkt, beweegt zich op een ander niveau. Maar volgens mij word je daar niet gelukkig van.’

Dit ambachtelijk idealisme dreef De Boer er enige jaren geleden ook toe een Elegie voor Tohoku te schrijven, ter nagedachtenis van de slachtoffers van de tsunami die dit gebied in Japan zo zwaar trof. Hij kon het van tevoren niet weten, maar met zijn instelling kon de componist geen betere werkpartner vinden dan Michael Burch, die hem volstrekt onbekend was, maar die hij besloot aan te schrijven om hem te vragen of hij wat gedichten op diens toevallig gevonden site mocht gebruiken.

 

“De beste motivatie voor alles wat je doet is de wereld een beetje beter maken”

 

‘Het plan van Ed sprak mij onmiddellijk aan,’ vertelt Burch, ‘alleen stuitte het idee om bestaand werk van kinderen uit Gaza te gebruiken op nogal wat bezwaren. De leraar in Gaza die ik ken en kinderen bij het schrijven van gedichten begeleidt, wil hun identiteit om al te begrijpelijke redenen niet prijsgeven, en dus zou het erg moeilijk worden de rechten van de gedichten te krijgen. Daarom stelde ik Ed voor zelf nieuwe gedichten voor de cyclus te schrijven. Gelukkig ging hij akkoord. We wilden graag de verhalen van deze kinderen vertellen, maar moesten hen tegelijkertijd beschermen.’

De flexibiliteit en dienstbaarheid van Burch ervoer de Boer als heel bijzonder. ‘Ik mocht hem het onderwerp, de lengte en het metrum van elk gedicht opdragen. Aanpassingen waren nooit een probleem. Het verbazingwekkende was ook dat hij kwam aanzetten met perfecte liederenpoëzie, kleine ariateksten, simpel maar elegant.’

Burch: ‘Of ik iets weet van muziek? Nou, nee. Ik ben er dol op, en ik kan aardig meezingen, vooral onder de douche. Verder gaat het niet. Opera? Mag je me midden in de nacht voor wakker maken, maar ik versta er geen woord van, want er zijn maar weinig opera’s in het Engels, nietwaar? Dus dat het zo mooi heeft uitgepakt zal een kwestie van inspiratie zijn geweest. Tja, en wat mijn souplesse betreft: voor sommige dichters is elk woordje dat ze schrijven heilig. Zo ben ik zelf helemaal niet. Ik heb een weinig elitaire kijk op poëzie en houd me vooral bezig met de vraag of de boodschap overkomt. Ook als die boodschap onbarmhartig is, want het Palestijnse kind dat een stem krijgt in de cyclus sterft aan het eind een gewelddadige dood, zoals dat helaas ook in werkelijkheid regelmatig gebeurt. Mijn gedichten zijn toegankelijk en zeker ook niet wars van sentiment, want mensen zijn nu eenmaal sentimentele wezens. Let wel, ik heb ook obscure poëzie geschreven, maar daar ben ik al een tijd geleden vanaf gestapt, want ik wil mensen bereiken.’

Misschien alweer iets dat de componist en de dichter gemeen hebben: een afkeer van pretentie. De Boer zelf heeft al een tijd een broertje dood aan de in de volksmond als ploink-ploink en piep knor bekend staande moderne klassieke muziek waarmee hij tijdens zijn studie werd opgezadeld. ‘Aan dat soort muziek liggen zeer complexe abstracte ideeën ten grondslag, maar het eindresultaat is betekenisloos. Ik laat mij liever inspireren door volksmuziek uit alle windstreken en voel me gesterkt door de wetenschap dat Mozart en Haydn en veel andere grote componisten volksdeuntjes verwerkten in hun composities.Ik vond het dan ook erg leuk om in deze liederencyclus Palestijnse volksmelodieën te gebruiken, melodieën die vrij repetitief zijn, vanwege hun epische karakter.’


Eduard de Boer: geen liefhebber van 'ploink ploink' en 'piep knor', maar van volksmuziek

Eduard de Boer: geen liefhebber van ploink ploink en piep knor, maar van volksmuziek

Beide kunstenaars koesteren dus zowel laagdrempeligheid als engagement. Heeft Michael Burch dan ook de illusie dat verhalende kunst de wereld kan veranderen? ‘Ik weet het wel zeker,’ zegt hij vol overtuiging. ‘Of denk je soms dat William Blake, Charles Dickens en Walt Whitman geen invloed hebben gehad met hun aandacht voor de misstanden van hun tijd? En wat dacht je van The Beatles en Bob Dylan? Hebben die hun stempel niet gedrukt? Poëzie is overal om ons heen, meestal in de de vorm van populaire muziek, en de boodschap is vaak positief. Wat zingen Madonna en Lady Gaga? Wees jezelf. Je bent goed zoals je bent. De wereld is in de loop der tijd een betere plek geworden en literatuur en geschreven en gezongen poëzie hebben daaraan een onschatbare bijdrage geleverd.’

Tegelijkertijd beseft zowel De Boer als Burch dat twee uitvoeringen van deze liederencyclus geen rimpelingetje teweeg zullen brengen in de stand van zaken. Maar wie weet wat er nog in het vat zit? Er is reden voor hoop, een reden die de rationaliteit iets ontstijgt en toch niet helemaal onredelijk lijkt. Het project heeft tot nu toe onder een zeer gunstig gesternte gestaan. ‘Ik dacht er vele jaren mee zoet te zijn in plaats van drie maanden, want ik krijg ik er natuurlijk niet voor betaald en zou er dus tussendoor aan moeten werken,’ zegt De Boer. ‘Maar toen volgde er een verbazingwekkende reeks meevallers, ik zou haast zeggen: een serie wonderen. Eerst viel mij onverwacht een behoorlijk bedrag toe uit de nalatenschap van een overleden vriend. Daarmee was het geldprobleem opgelost. Vervolgens werden twee opdrachten waarvoor ik was aangezocht uitgesteld. Dus had ik ineens ook tijd. Voeg daarbij het feit dat ik zomaar de ideale tekstdichter vond, en je kunt begrijpen dat ik mijn geluk niet op kon. Het enige wat ontbrak was een zangstem. En zie: die vond ik, na alweer een zoektocht op internet, ook al snel in de persoon van Dima Bawab, een Jordaanse-Palestijnse sopraan die in Parijs woont en onmiddellijk enthousiast haar medewerking toezegde (‘wat geweldig dat jullie aan mij hebben gedacht’).  En als klap op de vuurpijl, al zegt dat misschien alleen mij als musicus iets, valt de compositorische climax van de cyclus, zonder dat ik daarnaar bewust had gestreefd, op het punt van de guldensnede (a:b = a+b : a). Geen verplichte, maar wel een geliefkoosde vorm. Beethoven, bijvoorbeeld, had er een feilloos gevoel voor.’

Dima

De Jordaans-Palestijnse zangeres Dima Bawab.

Zo veel gelukkig toeval geeft beide kunstenaars, al zijn ze niet bepaald religieus, toch te denken.
‘Je gaat haast geloven in de voorzienigheid,’ zegt de Boer.
En Burch: ‘Einstein zei het al: toeval is een manier van God om anoniem te blijven. Ik houd het erop dat mensen met hetzelfde doel vaak zijn voorbestemd elkaar te ontmoeten. In welke vorm dan ook.’

Zaterdag 22 april 2017, 20.15, in de Oosterkerk, Grote Oost 58-60, 1621 BX Hoorn (http://www.oosterkerkhoorn.nl/index.php?action=agenda)
Zondag 23 april 2017, 15.00, in de Singelkerk, Singel 452, 1017 AW Amsterdam.(http://www.doopsgezindamsterdam.nl/programma/)

 

Herinneringen aan een circusvorstin – door Carl Stellweg

circus

Het leek een avond te worden als vele andere, die zomer­avond ergens in de jaren tachtig, dat ik met twee studie­vrienden in café De Zijsprong zat in een Brabantse stad. Nee, aanvankelijk wees niets op de komst van mijn ka­meraad, mijn beste kameraad. Wie hij is? Maar dat ligt toch voor de hand: hij is mijn wil, mijn merg, hij is het die mij dwingt tot daden. Eigenlijk is hij ieders kameraad. Maar het was die zomeravond voor het eerst dat hij ook werkelijk liet merken míjn kameraad te zijn.

Eerlijk gezegd vond ik De Zijsprong een saaie boel, een verzamelplaats voor onschuldige, maar gesjochte figu­ren. Mijn vrienden dachten daar anders over. Avond aan avond bezochten ze dit onbeduidende wormgat in de binnenstad, deze mistroostige pijpenla waar schuwe drinkers zich verschansten. De reden stond 12 uur per dag achter de tap en heette José. Ze was een forse vrouw van achter in de veertig, niet smaakvol maar wel ver­zorgd gekleed. Aan haar monumentale polsen bengelden opzichtige armbanden, als van een circusvorstin, een hei­dense hogepriesteres, een vervaarlijke hoerenmadam.

Ze bestierde het café in haar eentje. Van een echtgenoot was geen sprake, wel had ze het af en toe over twee dochters in een ver buitenland. Het etablissement dreef zij naar eigen zeggen niet voor het gewin – dan had ze wel een ander vak gekozen – maar voor de gezelligheid.

circusvorstin3

Ach, José: ze zal er geen flauw benul van hebben, ze zal me misschien al lang zijn vergeten, maar ik denk nog ge­ regeld aan haar. Werkelijk, ik denk nog geregeld aan haar, mijn, treurige, rondborstige circusvorstin, en aan wat ze mij heeft geschonken.

Eens zei ze tegen mij: ‘De grootste boerenlul kan kinder­tjes maken, wat jij?’ Ik antwoordde snedig: ‘De grootste boerenlul zeker.’ Het gezelschap aan de toog lachte sma­kelijk om deze troebele kwinkslag, waarvan ik wist dat die hier in goede aarde zou vallen. José glimlachte vaag en keek mij aan met een mengeling van verbazing en lichte afkeuring, een onaangestoken sigaret jaknikkend tussen haar vingers.

José was een vrouw alleen die haar mannetje stond, met een tong zo scherp als een scalpel en een ruiterlijk hart vol tomeloze, geknechte moederlijkheid. En dat laatste was wat mijn twee vrienden naar haar toe dreef. Ze wa­ ren met hun 18 en 19 jaar een paar jaar jonger dan ik en net op eigen benen in een vreemde stad. Zij zorgde, ver van hun ouderlijk huis, voor plaatsvervangende nest­ warmte en ze aanvaardde deze rol met een bijna dankba­re vanzelfsprekendheid.

Wat ik en mijn vrienden gemeen hadden, was dat we geen van allen de ‘sociale vaardigheden’ bezaten om ons onbekommerd in het verplichte feestgedruis van studen­ tenintroductiedagen te storten. Zodoende hadden we de boot gemist en elkaar op die manier, paradoxaal genoeg, gevonden. Ons verbond was er een tegen studentikoze gezelligheid en daarom was De Zijsprong, waar geen an­ dere studenten dan wij kwamen, de ideale plek voor onze samenkomsten.

Goed, we waren wat aan het kaarten op die avond in juni 198… toen een luidruchtig gezelschap van vier mannen binnen kwam. In hun kielzog, maar onzichtbaar, mijn kameraad. Hij begon zich ook, haast onmerkbaar, in mij te roeren. Want hij kan tegelijkertijd in mij en buiten mij be­staan. Althans: zo stel ik me dat voor.

Twee van de mannen luisterden naar de namen Jan en Sjef . Jan was van middelbare leeftijd en had een gegroef­de karakterkop. Hij droeg een witte coltrui waar een gou­ den kettinkje zich af en toe overheen worstelde als een drenkeling. Zijn haar glom en stond stijf in model als het kapsel van een ouderwetse quizmaster.

Sjef had een imposante, maar wat hulpeloze gestalte. Door zijn opgetrokken schouders leek hij permanent in het defensief gedrongen. Zwart haar hing in vette slierten over zijn voorhoofd. Hij had machtige, ongeschoren ka­ ken. Ze zagen er dreigend uit, die kaken, maar daar stond zijn gulle en frequente lach tegenover.

De twee anderen gedroegen zich aanzienlijk rustiger. De ene, wiens naam ik nooit heb geweten, was een armoedi­ge verschijning in een vaal overhemd, die zich op een ge­ spannen manier afzijdig hield en zich beperkte tot spa. De andere, een kleine man met een baard, dronk met mate en probeerde de conversatie af en toe een serieuze draai te geven. Pas een dag later zou ik horen hoe hij heette.

Meer klanten waren er niet in De Zijsprong. Jan voerde het hoogste woord en had in Sjef een dankbaar klank­bord. De gesprekken gingen over allerlei stamgasten wier hebbelijkheden even uitputtend als honend aan de kaak werden gesteld. Verzachtende kanttekeningen van de kleine man met de baard gingen steeds resoluut van tafel.

Vervolgens werd José’s lof geprezen. Onvervangbaar, een rots in de branding, een ‘tof weifke’, dat was ze, en jammer dat ze allemaal niet wat jonger waren, want jon­gens, dan hadden ze het wel geweten. Jan greep bij her­haling José’s handen om er smakkende zoenen op af te leveren. Ze leek me al met al niet erg te benijden – had dan toch een ander vak gekozen. Waarom was ze daar nooit toe gekomen?

Het bier vloeide rijkelijk, zoals dat heet, en de stemming steeg. Het werd, zoals dat heet, ‘gezellig’. Vooral Sjef was op dreef met het verstrekken van rondjes, waarbij wij niet over het hoofd werden gezien. Wanneer wij het glas op hem hieven, kneep hij zijn ogen dicht en zei met zijn hoge, hese stem: ‘Prut, mannen.’

circus2

 

We voelden ons vereerd dat we op deze wijze door een man als Sjef werden toegesproken en onze harten maak­ ten helemaal een sprong van dankbaarheid toen we wer­den gepromoveerd van ‘mannen’ tot ‘maestro’s’. Wel vond ik het vervelend dat de vier de weg naar het toilet versperden, want het leek me om de een of andere reden niet raadzaam me langs Sjefs ontzaglijke rug te wringen. Allengs werd de toon die Jan tegen José aansloeg vrijpos­tiger. Hij vroeg haar quasi-argeloos hoe vaak ze ‘het’ deed en met wie, waarbij hij niet aarzelde helemaal duidelijk te maken wat hij bedoelde door zijn duim tussen wijs- en middelvinger te steken. Ook opperde hij dat in José’s ‘slipke’ toch wel ‘drie snikkels’ pasten.

Nu behoorde het bestoken van de waardin met schut­tingtaal tot de plaatselijke folklore, maar het was ons al­len duidelijk dat Jan een grens had overschreden. De ge­zelligheid nam af, de rondjes voor de hele zaak werden schaarser en wij werden van het Walhalla der Maestro’s weer gedegradeerd tot de categorie die voor ‘mennekes’ is ingeruimd.

Ik besefte dat het hier nooit ‘gezellig’ was geweest, ook vanavond niet. Cafés als De Zijsprong waren de antithese van gezellig. De deur stond voor iedereen open, en de koffie was altijd klaar, maar wie zich door deze werven­de teksten naar binnen liet leiden, deed zichzelf ernstig tekort. Ik wist dat, en toch moest ik me keer op keer in dit soort krochten wagen. Waarom? Vanwege de belofte van vergetelheid, van schrale geborgenheid? Ongetwijfeld, maar wat diende er dan te worden vergeten, welk gevaar moest ik ontvluchten? Cafés spelen al lang geen rol meer in mijn leven, maar toch heb ik nooit een bevredigend antwoord kunnen vinden op de vraag wat ik in gelegen­heden als De Zijsprong kwam doen. Of misschien toch, al durf ik mezelf dat zelfs nu nog nauwelijks te bekennen: Café De Zijsprong was het Niets. En dat was ik ook, lan­ ge tijd: niets. Niets bepaalds.

Dit alles terzijde. Opgelucht was ik toen Sjef probeerde Jan tot de orde te roepen: ‘Wat zit ge nou allemaal te kut­ten tegen José, wat zit ge nou te kutten?’ Jan antwoordde: ‘Dat is geen kutten, dat begrijpt ge niet. Ik mag dat tegen haar zeggen, want zij weet wat ik voor haar voel.’ En na deze moeilijk op juiste waarde te schatten bekentenis boog hij voorzichtig naar haar toe, nam met een delicaat gebaar haar halsketting in zijn handen en leek heel even, met een bevende maar vastberaden vinger, dat deel van de vrouwelijke anatomie te beroeren waarmee José in zeer ruime mate was bedeeld.

Tot mijn verbazing bleef ze roerloos zitten. Ze keek Jan met bezeten ogen aan. Langzaam, als in gedachten ver­zonken, nam hij zijn hand terug, een strategische, wel­ overwogen terugtocht was het, die hij vergezeld deed gaan van een zacht uitgesproken, maar nog duidelijk hoorbaar ‘slet’. Het klonk als een oorlogsverklaring, het dichtslaan van een deur. Er daalde een bijna plechtige sfeer over de aanwezigen.

Even was het stil in café De Zijsprong, op het gekweel van Peter Maffay na: ‘Du, du allein kannst mich verste­hen.’ Toen wendde Jan zijn hoofd naar een van mijn stu­dievrienden, die naast hem zat, en vroeg hem, op een toon of het een ultimatum betrof, of hij iets van hem wil­de drinken. Mijn vriend antwoordde bedremmeld dat hij geen geld meer had om een rondje terug te geven. Hij rook onraad – en dat rook hij goed.

circusvorstin5

Jan liet het antwoord enige tijd bezinken, keerde zich toen langzaam af en draaide zich weer plotseling om. Hij sleurde mijn vriend van zijn barkruk, gooide de inhoud van een glas bier in zijn gezicht, pakte een stoel en dreig­de deze te laten neerkomen op het hoofd van zijn slacht­offer, dat inmiddels op de grond lag. Het tafereel leek zich in slowmotion aan mijn ogen te voltrekken, waar­door het een bijna obscene onbeholpenheid had, als een scène uit een derderangsfilm.

De uitdrukking op Jans gezicht was dramatisch veran­derd. De pesterige blik had plaats gemaakt voor een soort radeloosheid. Hij was een desperado die op het punt stond alle schepen achter zich te verbranden. Zijn ogen flakkerden in hun kassen als – wat zal ik zeggen? – ‘nachtelijk vuur’.

José had de tap verlaten en was met een geluid van drif­tig rinkelende armbanden op hem af gebeend. Ze voegde hem toe, op een toon die tegenspraak uitsloot: ‘Jan, zet die stoel neer. Zoiets doe de hier niet. Wat bezielt oe?’ Jan gehoorzaamde, maar bleef haar gepijnigd aankijken, alsof hem een onbegrijpelijk onrecht was aangedaan. De groeven op zijn gezicht vormden – hoe zal ik ze noemen? – ‘verwrongen vraagtekens’: ‘Wat me bezielt? Ge weet heel goed wat me bezielt!’

Een spottend opgetrokken wenkbrauw, een spottend op­getrokken wenkbrauw die ik nooit zal vergeten, de moe­der van alle spottend opgetrokken wenkbrauwen, was José’s enige antwoord.

Jans metgezellen hadden zich om hem heen geschaard. De man met het vale overhemd keek met een soort inten­se uitdrukkingsloosheid, de kleine man met de baard had een bezorgde en afkeurende blik. Sjef nam, wijdbeens en met de handen in de zij, een centrale positie in. Hij leek, met heen en weer schietende ogen, in een toestand van verhoogde waakzaamheid te verkeren. Het had er alle schijn van dat hij vastbesloten was verdere excessen in de kiem te smoren, maar zijn houding had ook iets gedien­stigs jegens Jan.

Toen kwamen mijn twee vrienden in actie. De een trok de ander mee en ze vluchtten het rommelhok in, achterin het café. Jan keek hen verbaasd na, barstte in lachen uit, nestelde zich aan de toog en riep om bier voor de hele zaak. We begroetten deze abrupte koerswijziging met laf­hartig gejuich. De kwestie leek afgedaan.

Maar niet voor Sjef. Zijn gezicht behield een uitdrukking van opperste concentratie. Langzaam kwam hij op me af en zei: ‘Gij moet er oe ook nie mee bemoeien.’ Ik zei: ‘Dat doe ik toch ook niet?’ Toen gaf Sjef me met de vlakke hand een oorsuizende klap in mijn gezicht, zoals ik nog nooit eerder had gekregen. Ik tuimelde naar achteren, maar hervond tijdig mijn evenwicht. Ik voelde aan mijn wang, die verschroeid leek te zijn, en mompelde: ‘Nou ja, zeg.’ Ik beefde. Ik was geschonden.

Ik had me in Sjef vergist. Achter zijn enge uiterlijk had ik een goedige inborst vermoed, had ik zelfs – met zijn ‘prut, mannen’ – verondersteld dat hij edelmoedig was. En tot mijn eigen verbazing was ik nog steeds bereid die veronderstelling te handhaven, ondanks de klap. Hij had het even niet goed begrepen, dat was alles. Schaar je bij de sterkste, wees vrienden met je vijand, probeer hem te begrijpen. Lafheid is de trouwe knecht van macht en sa­men reizen ze de wereld rond.

José was niet laf. Ze nam Sjef verbaal onder handen, op een wijze waarop je een klein kind of een zwakzinnige toespreekt: ‘Sjefke, dit kende niet maken. Hij heeft oe niks gedaan. Hij bemoeit zich nergens mee.’

‘Wie is hij dan?’ riep Sjef met idiote verontwaardiging, alsof mijn identiteit al de hele avond voor hem werd ver­ zwegen. ‘Hij is een student, Sjef’, antwoordde José met zoveel deernis en respect in haar stem dat het me ont­roerde.

‘Een wat?’ bulderde Sjef. Maar toen, van het ene moment op het andere, kalmeerde hij. Er kwam een bedachtzame, zelfs milde uitdrukking op zijn gezicht. Hij begon belang­stellend en vergenoegd om zich heen te kijken, alsof hij nu pas een aardige omgeving gewaar werd. ‘Eigenlijk hedde gij een heel jofel kroegske, José.’ Zijn dikke vingers gleden waarderend langs de lambrisering: ‘Mooi afge­werkt, hoor.’ Hij plantte zijn ellebogen op de toog, ten te­ ken dat hij de avond vreedzaam en, ja, ‘gezellig’, wilde afsluiten. ‘Geef iedereen wat van mij. En sorry van net, meid. Ik wil niet tegen oe kutten.’

Toen leek tot hem door te dringen dat hij niet alleen José excuus verschuldigd was. Hij liep op me af en stak me met een vriendelijk gezicht zijn kolenschop toe. ‘Sorry maestro, ik had het efkes nie goed begrepen. Zand er­ over?’ Ik drukte hem de hand en zei ‘zand erover’. Sluit vriendschap met je vijand, hij is best schappelijk als je hem een beetje beter leert kennen.

Sjef deed zijn arm om mijn schouders en drukte me grootmoedig tegen de borst. Vervolgens trof zijn vuist me vol in het gezicht. Hij liet me los en liep met een uit­ drukking van grote tevredenheid op zijn smoelwerk te­rug naar zijn plaats. ‘Nee, Sjef…’, zei José met de luste­loosheid die gepaard gaat met het besef dat alles defini­tief verloren is. Ik had zojuist kennis gemaakt met Sjefs summum van subtiele humor. Ergens was in dit monster, deze lompe sukkel, een donkere ader aangeboord en het was nog lang, lang niet afgelopen.

Toen ontwaakte Jan, die met omfloerste blik naar mij en Sjef had zitten staren. Zijn humeur was om onduidelijke redenen weer omgeslagen. Hij keek me getergd, vol pri­ mitief verwijt aan. Met een trillende wijsvinger als een pi­stool op me gericht, zei hij: ‘Jou krijg ik nog wel jongen, ik kom jou nog wel een keer tegen. Wij hebben een af­ spraak.’

Tot mijn schrik liet hij het niet bij dreigementen. Kenne­lijk hadden we die afspraak nu meteen. Moeizaam zakte hij van zijn kruk en kwam op me af, gevolgd door Sjef. José postte zich beschermend voor me en zei tegen het tweetal: ‘Pas op hè. Ik heb de politie gebeld. Ze komen er aan.’

Jan riep: ‘Ik heb met hem een afspraak. Ik heb met ieder­een hier een afspraak.’

Op dat moment vluchtte ik op mijn beurt het rommelhok in. Daar zag ik dat er geen sleutel of grendel op de deur zat. In arren moede zette ik er een bezem schuin tegen­ aan. Even was het stil, maar toen hoorde ik een onsamen­hangend gemompel, als van mensen die, na een avond doorzakken, moeite hebben de sleutel in het slot van de deur te krijgen. Met andere woorden: ik had Jan en Sjef niet horen aankomen.

De bezem viel neer en de deur schoof open. Ik zag dom­heid en haat als wankele kameraden in de deuropening. Jan greep me bij mijn haar en gromde: ‘Nou is-ie er ge­ weest, nou gaat-ie er aan.’ Ik kromp helemaal in elkaar, vouwde mijn armen voor mijn maag en drukte mijn kin op mijn borst, als in gebed.

Het moet geen heldhaftige aanblik hebben opgeleverd, maar ik weet nu, net als toen, dat ik het verstandigste deed dat onder de omstandigheden mogelijk was. Sjefs harde, maar niet al te precies geplaatste stoten troffen wel mijn hoofd, maar andere vitale plekken hield ik buiten zijn bereik. Niet alleen mijn lichaam, maar ook mijn ge­ dachten kronkelden zich op in een egelstelling, vloeiden naar een centraal punt, waar je alleen nog maar denkt: overleven. Doorstaan. Een toestand van onverbiddelijke nuchterheid.

Ik was doodsbang en voelde me toch wonderlijk gebor­gen: iemand, iets, hield mij vast, hield mij stevig vast. Mijn kameraad.

Spoedig kwam er hulp opdagen. José wrong zich tussen mij en mijn belagers. Ze huilde en riep: ‘O nee Jan, o nee, nee, nee Jan.’ Ze hield hem gevangen in een smekende omhelzing, als een afgewezen geliefde.

De man met het vale overhemd probeerde Sjef in toom te houden, zwijgend en nog steeds met dat neutrale gezicht. Iets zei me dat het maar goed was dat hij niks had ge­ dronken. De kleine man met de baard keek handenwrin­gend toe, niet wetend wat voor bijdrage te leveren aan deze wanhopige vertoning.

Vreemd is het dat ik me pas later die stem herinnerde, een stem die van veraf leek te komen, maar toch goed was te horen, door al het tumult heen. ‘Hij heeft een mes. Hij heeft een mes’, was wat de stem had gezegd.

Ineens kruiste mijn blik die van Jan en hapte ik toe. Ik zei kalm, maar doordringend: ‘Jan, hou op nu. Hou op nu.’ Ik herhaalde, even gebiedend als smekend: ‘Jan. Hou op. Nu.’

Ik had het goed gezien – wat het ook was dat ik had ge­ zien. Hij keek me getroffen aan. Er leek hem iets schim­migs te binnen te schieten, een herinnering die hij niet kon thuisbrengen, een aha-erlebnis misschien. Tegelijker­tijd leken alle kracht en woede uit hem weg te vloeien. José en de man met het vale overhemd voerden hem weg. Hij bood geen weerstand.

Sjef wist even niet wat te doen, maar slofte toen achter het drietal aan. Door de jaloezie van zijn natte slierthaar nam hij me nog één keer met vermoeide blik op. Daarna keerde hij zich definitief van me af en zei met een zucht, bijna smachtend: ’Bier.’ Ik antwoordde fluisterend, tegen zijn rug: ‘Precies. Bier. Daar gaat het om.’

De kleine man met de baard bleef even achter, vroeg me of het ‘een beetje ging’ en maakte zich vervolgens ook uit de voeten.

Toen ik weer alleen was, besefte ik dat er iets niet klopte. Mijn twee studievrienden waren hier ook in gevlucht. Ze waren gevlogen. Er moest dus een uitgang zijn. Ik keek de ruimte rond, die volstond met kratten, vuilniszakken, biervaten, afgedankte meubels en schoonmaakspullen. Er hing een lucht van natte aarde. En meer nog: er hing een geur van mystiek. Het was of ik het hok een vraag stelde en de taal van het antwoord probeerde te verstaan.

circus3
Ik liep naar achteren en vond daar, achter een oude ijs­kast, een deur. Ik deed hem open en keek een gangpad in. Het bood uitzicht op een smal stukje straat. Als een donker kleinood glom het onder de avondhemel. Toen ging de andere deur weer open.

De kleine man met de baard kwam binnen. Hij keek me ontsteld aan en vroeg wat ik van plan was, of hij me van een wanhoopsdaad wilde afhouden. ‘Even een luchtje scheppen’, antwoordde ik.

‘Vlucht nou niet’, zei hij. ‘Dat is niet nodig. Ze zijn weer rustig. Ze vragen of ge binnenkomt en een pilske mee­ drinkt. Ze willen de vredespijp roken. Jan, die het zo’ne vreselijke spijt. Hij zegt dat ge z’n ogen het geopend. Hij is niet slecht. Ik ken hem.’

Ik antwoordde dat dit wel heel vriendelijk was aangebo­den, maar dat ik toch echt op huis aan moest. ‘Een ander keertje misschien’, voegde ik er aan toe. ‘En doe Jan de zeer hartelijke groeten van me.’ Ik lachte smakelijk om mijn brutale ironie. Ik bruiste van energie. Buiten was het feest van de vrijheid aan de gang, waarin ik mij weldra zou mengen.

Ik schoot de straat op, rende naar een cafetaria en bestel­de er een taxi. Het personeel gaapte me wantrouwend aan. Toen ik in een spiegel keek, begreep ik waarom. De linkerhelft van mijn gezicht was opgezwollen en paars­ blauw. Eén oog zat vol bloed en was half dichtgeslagen, een afgedwongen knipoog. Terwijl ik naar dit morbide clownshoofd keek, welde er een onstuitbare hilariteit in me op. Het geluk was een groot en angstig dier dat ik in mijn armen droeg.

circusvorstin7

Tegen de taxichauffeur vertelde ik opgewonden wat me was overkomen. Hij luisterde ernstig en vol begrip, knik­ te instemmend. De types die hij wel eens in zijn auto kreeg… ‘Als ze voor m’n wielen komen, zou ik wel remmen, maar alleen uit reflex hè, alleen uit reflex.’

Ik hoefde niets te betalen. ‘Ga maar gauw naar bed’, zei hij vaderlijk. Ook deze taxichauffeur, wiens gezicht me niet meer bijstaat, zal er geen flauw benul van hebben dat ik nog met regelmaat, en dankbaarheid, aan hem denk. Hij is enkel een stem in mijn herinnering, de stem van de compassie.

Thuis maakte de euforie plaats voor neerslachtigheid. Het drong tot me door dat er iets ergs was gebeurd, iets onomkeerbaars. De wereld was ineens in een woestijn veranderd. De gedachte mezelf nog eens in de spiegel te bekijken, die clownskop weer te zien, was meer dan ik kon verdragen. Ik maakte een boterham en ging naar bed. De telefoon ging, maar ik nam niet op. Ik rouwde mezelf in slaap.

De volgende dag was het neerslachtige gevoel verdwe­nen, opgelost in de nacht. Ik verwonderde en verheugde me over de zelfredzaamheid van de ziel, die kennelijk haar wonden kan helen zonder dat het verstand daarop hoeft aan te dringen.

Ik durfde weer naar mijn gezicht te kijken. Het leek er minder angstwekkend uit te zien dan de vorige nacht. Het kwam me voor dat ik toen alles een beetje vervormd had gezien, als in een visioen. Het enge clownsmasker herkende ik in elk geval niet terug.

De zwellingen deden alleen een beetje pijn als ik ze aan­raakte. Daaruit trok ik de conclusie dat er niets was ge­kneusd of gebroken. Het bloed in mijn ene oog was al aan het wegtrekken. Er was vermoedelijk alleen een adertje gesprongen.

Ik besloot voor de zekerheid naar de EHBO van een zie kenhuis te gaan, maar eerst moest ik naar De Zijsprong. Dat perspectief stemde me niet vrolijk, maar ik had er mijn fiets en een tas vol spullen die ik moeilijk kon mis­sen laten staan en ik wilde zo snel mogelijk weten wat daarmee was gebeurd.

In de bus naar het café voelde ik me vreemd opgewekt. De zon scheen, door het raam zag ik mannen in korte broek en vrouwen in vrolijke zomerjurken. Ik gaf me over aan de naïeve fantasie dat ik een feestelijke intocht maakte en door voorbijgangers gastvrij werd toegela­chen.

Toen de bus stopte bij een halte, zag ik een mooie jonge vrouw aan de overzijde van de straat aan komen lopen. Ongeveer op de hoogte waar ik zat, stond ze stil, trok haar lage pumps uit en vervolgde haar weg blootsvoets, de pumps bungelend aan haar vingers. Het leek wel of een gericht van goden, in een zeldzaam vertoon van mildheid, had bepaald dat dit kleine tafereel mij toch wel toekwam, na wat ik de avond tevoren had doorstaan. Het waren vast niet de belangrijkste goden die zich over mijn zaak hadden gebogen, het zullen de zogeheten min­ dere goden zijn geweest, maar ook die waren machtig, zeker waar het de dingen van alledag, en de schoonheid van de dingen van alledag, betrof.

circusvorstin8

Ik kreeg de onkarakteristieke aanvechting om met totale onbekenden een gesprek aan te knopen. Ik had de wereld en haar bewoners plotseling heel wat te melden. Ik wilde getuigen, getuigen van mijn bestaan en zijn onvermoede, bitterzoete rijkdom. De bleke, onhandige student, ge­remd, wrokkig om zijn onervarenheid, altijd in de verde­diging, altijd verschanst achter argwanende stellingen, leek zomaar te zijn veranderd in een man die het kalme en gelukkige besef koesterde dat de wereld aan zijn voe­ten lag. Ook had ik het gevoel in het gezelschap te verke­ren van een soort onzichtbare naaste. Het was een ge­heimzinnige ervaring, maar verre van onprettig. Onover­winnelijkheid omgloorde me.

De wrokkige student had iets meegemaakt, voor het eerst in zijn leven werkelijk iets meegemaakt. Het zal een bui­tenstaander misschien onbeduidend voorkomen, maar voor de student was het of het lot, na hem lange tijd vol­ledig te hebben genegeerd, uiteindelijk toch zijn oog op hem had laten vallen, toch genoeg interesse voor hem had kunnen opbrengen om hem eens goed door elkaar te schudden. Het was een uitdaging geweest en hij was die aangegaan. Het lot had hem voor het eerst in volle om­ vang getoond wat het vermocht, maar hij had het be­ dwongen. Hij had zich gered, en zat nu, licht gehavend maar overigens ongedeerd, in de bus te genieten van zijn eigen gezelschap. Hij was uit de slaap van zijn schijnbe­staan, zijn wrevelige studentenbestaan, in het volle, reini­gende daglicht van de echte wereld ontwaakt. Het was nog een mooie wereld ook, voor wie ogen had om te zien.

Vreemd: ik wist zeker dat ik na mijn perikelen met Jan en Sjef, nooit meer zo bang zou zijn voor fysiek geweld als daarvoor. Ik meende de bezweringsformule te hebben gevonden waarmee ik vechtersbazen in hun bewegingen kon verstarren. Hou op nu. Hou op nu. Hou op nu.

Helaas voor anderen hadden deze woorden alleen als ze door mij werden uitgesproken, bezwerende kracht.

De Zijsprong ging net open toen ik er aan kwam. Fiets en tas waren onaangeroerd. José en ik hadden het rijk alleen. Zo konden we ongestoord de ge­beurtenissen van de vorige nacht bespreken.

Ze keek me aan met een droevige, moederlijke blik. ‘Je vrienden zijn hier nog geweest. Ze waren eerst naar een ander café gegaan en hebben daarna in een portiek hier tegenover gewacht tot dat tuig weg was. Ze hebben je van hieruit nog gebeld, maar je nam niet op. Ze waren behoorlijk ongerust. Ik zou maar snel iets van me laten horen.’

Ik vroeg of de politie nog was geweest. ‘Die rukken al­leen nog uit om parkeerbonnen uit te delen’, zei ze. ‘En dat terwijl niet alleen ik, maar ook je vrienden ze hebben gebeld, vanuit dat andere café. Ja, toen het te laat was, veel te laat, toen verschenen ze.’ Ze liet een zucht ont­snappen, die even boven ons bezonken samenzijn bleef hangen.

Het viel me op dat haar woordkeus anders was als ze te­gen mij sprak, dat haar Brabantse accent dan zelfs weg­viel. Waar kwam ze eigenlijk vandaan? Wie was ze echt? We zwegen even, en in dat zwijgen voelde ik een verras­sende, breekbare intimiteit tussen ons oprijzen, een vluchtige affectieve band, een zekere aantrekkingskracht misschien zelfs. Ik keek naar deze vrouw, die ten minste twee keer zo oud was als ik: haar harde, wereldwijze, on­berispelijk gekapte boxerskop, de indrukwekkende boe­zem onder haar glittertrui, haar brede polsen, haar grove handen met rood gelakte nagels. En plotseling voelde ik de behoefte haar armen en schouders teder aan te raken.

Dat lag natuurlijk niet voor de hand, maar ik was net begonnen te leren dat wat voor de hand ligt, vaak niet meer is dan een vrijplaatsje, omsingeld door een rijk van ge­censureerde vermoedens.

Het was José die de stilte verbrak. ‘Nou, jongen…’, zei ze halfluid, terwijl ze me even scherp opnam. En daarbij liet ze het.

Ik vroeg of ze wel eens eerder dit soort problemen had gehad in haar café. ‘Gelukkig niet’, zei ze. ‘Ik heb toch al zo’n hekel aan ruzie.’

‘Het was geen ruzie’, zei ik kort.

‘Dat denk jij maar’, diende ze me even kortaf van repliek. ‘Hoe lang zijn ze eigenlijk nog gebleven?’

Ze antwoordde niet meteen, maar pakte trillend een siga­ret. ‘Lang’, zei ze tenslotte. ‘Lang.’ Ik kreeg het gevoel dat ze iets verzweeg of aarzelde te vertellen.

‘Ik begrijp Jan niet’, vervolgde ze. ‘Een man met een goeie baan, met vier kinderen. Ik ken hem goed. Nou ja, goed. Laten we het daar maar niet over hebben. Hij is een weduwnaar. Die Sjef is geen goede invloed. Woont nog bij z’n moeder, op het kamp. Heeft duizenden platen met levensliederen en speelt zelf accordeon. Z’n hele familie trouwens. Kermisklanten. Criminelen. Moet ik doorgaan? Ach, hij is pas negentien.’

We zwegen weer. Ik was er nog niet aan toe om Jan en Sjefs persoonlijke achtergronden in ogenschouw te ne­ men. Ik zag aan José dat ze meer van streek was dan ze wilde laten merken. Ze leek nog twee keer iets te willen zeggen, maar bedacht zich telkens.

‘Wat is er?’ vroeg ik.

‘Dat ze Paultje zo hebben gestoken’, kwam er tenslotte uit, terwijl tranen haar ogen vulden, meisjestranen van een oudere vrouw. ‘Zo’n lief manneke.’

‘Paultje?’ vroeg ik.

circusvorstin9

‘Ja, Paultje, die kleine met die baard. Ze hadden een mes. Ze hebben hem zo gestoken. Ze waren boos dat hij je had laten gaan. Zo kon Jan je niet laten merken dat je hem de ogen had geopend. Toen hebben ze Paultje te grazen ge­nomen. Heel erg te grazen genomen. Hij ligt in het zie­kenhuis. Op de – hoe heet het – intensive care.’

En voor ik het wist had ik het volumineuze lichaam van een te langen leste radeloze circusvorstin in mijn armen. Gedreven door de omstandigheden en er op vertrouwend dat ik een man was, zocht de circusvorstin ver troosting in mijn armen. En ik troostte haar ook, mijn cir­cusvorstin, onwennig maar toch adequaat, met overtui­ging. Ik werd geleid, gestuurd, er was een nieuwe, tomeloze kracht in mij ontwaakt. Het duurde maar even, heel even, totdat zich de eerste klanten aandienden, en ik Café De Zijsprong verliet – Café De Zijsprong voorgoed achter me liet. En mijn circusvorstin daar achter liet.