Archief voor juli, 2016

De historica op het strand – door Carl Stellweg

versailles4

De dubbele vloek van het lerarenechtpaar heeft ook mijn schooljeugd bezocht. Le-ra-ren-echt-paar, en daarmee bedoel ik meteen de schadelijkste soort: man en vrouw die benevens bed, dak en broodwinning in het onderwijs, dezelfde school, dezelfde leerlingen deelden.

Mannen en vrouwen van wie je het bange vermoeden had dat je bij hen thuis over de tong ging. Onder het ontbijt. ‘s Avonds bij de televisie. En misschien ook wel – o gruwel – in de echtelijke stee.

Leraren en leraressen van wie vast stond dat ze er de onuitsprekelijke obsceniteit van een privé-leven op nahielden. Die je na schooltijd in dezelfde auto zag wegrijden. Die elkaar dan toevertrouwden hoe onuitstaanbaar je die dag weer was geweest. Die zich naar huis spoedden om plannen tegen je te smeden.

Leraren en leraressen die gegevens over je uitwisselden. Die elkaar na werktijd troostten voor jouw wandaden. Die elkaar verdrietig maar solidair in de ogen keken: liefste, ik weet dat het moeilijk is, maar laat het ons leven niet vergallen. Leraren en leraressen die jou, onzalige puber, opzadelden met onredelijke schuld.

Lerarenechtparen, ze waren om de een of andere reden altijd afstotend excentriek. Neem meneer en mevrouw Gerton. Zij een Zweedse die er met haar muisachtige verschijning allerminst Zweeds uitzag en daarom wellicht dacht te kunnen doorgaan voor lerares Frans. Wier uitspraak nog knarsender was dan die van haar leerlingen. Wier Frans trouwens maar moeilijk van haar Nederlands was te onderscheiden en die daarom misschien telkens verwachtte dat we zouden gaan gniffelen als er ergens ‘Claude’ stond.

Hij, meneer Gerton dus, leraar godsdienst, predikant met zwart leren jack, Gauloises en motorfiets. Die zijn onwelkome, harige jat op je schouder legde en sprak van de Heer. Die elke ochtend met zijn 1250cc-er stapvoets het schoolplein opreed, kennelijk diep beducht voor het machtige mechaniek tussen zijn knieën. Alsof hij vagelijk vreesde voor het gebruik ervan in een later leven te worden gestraft.

Versailles19

Lerarenechtparen, ze staan me nog haarscherp voor de geest. Ze verschijnen zelfs nu nog in mijn dromen. Zij aan zij, in besmuikte afkeuring naar mij wijzend, over mij pratend, maar ik kan ze niet verstaan!

Neem meneer en mevrouw Graaf. Hij een leraar scheikunde met zijige manieren en het gezicht van een oude vrouw. Die zo zorgvuldig articuleerde, ar-ti-cu-leer-de, dat het klonk als een implosie van woede. Die altijd rook naar zijn practicum. Die zijn haar aan een kant van zijn hoofd liet groeien om het over zijn kale schedel te kammen. Die er op de fiets uitzag als een verwaaide heks.

Zij, mevrouw Graaf dus, een verkreukeld type dat telkens meedogenloos werd gestraft voor haar meisjesachtige trouwhartigheid. Die Aardrijkskunde probeerde te geven, maar sprakeloos toekeek hoe haar goede bedoelingen uitmondden in totale anarchie. Wier vriendelijke gezicht soms helemaal rood aanliep van weerloze drift, waarop wij, ellendelingen, ellendige pubers, zeiden: u hebt zeker last van de overgang.

Maar het meest opmerkelijke lerarenechtpaar was toch het echtpaar Stuurman.

Stuurman en Stuurvrouw zeiden we altijd, want onze geestigheid kende geen grenzen.

Beiden gaven geschiedenis, hij daarenboven Nederlands.

Stuurman was een van die mensen die tegenstrijdige gevoelens in je oproepen: angst, medelijden, afkeer, bewondering, haat, sympathie. Hij was voos voor zijn leeftijd, met een pafferig en klam gezicht, potsierlijk kleine handjes en een deftige manier van doen, die gêne voor zijn vroegoude fysiek moest verdonkeremanen.

 

versailles21

Stuurman hield van opvallende kleding. Hij droeg felgekleurde overhemden waarop brede, al even felgekleurde maar scherp contrasterende stropdassen flikkerden. Hij had, zomer en winter, een dikke, blauw gestreepte blazer aan met zware manchetknopen. Het was onmogelijk je Stuurman voor te stellen zonder blazer. Dan was hij naakt – en dat was op zich natuurlijk al helemaal niet voor te stellen.

Fascinerend was Stuurmans bril. Een zwaar, zwart montuur met dikke, rechthoekige glazen. Daarachter sidderden zijn ogen in gekooide hysterie. Soms waren die ogen klein en stonden ze moe en heel treurig, vogeltjes die zo graag wilden wegvliegen, weg van ons, pubers. Het was onmogelijk je Stuurman voor te stellen zonder bril. Het ding van zijn hoofd grissen was hem beroven van een essentiële prothese.

Stuurman was in zeker opzicht een uitstekende leraar. Hij was erudiet, welbespraakt en hield van zijn onderwerpen. Maar hij hield niet van zijn leerlingen. Hij had een rake opmerkingsgave, maar bevuilde deze vaak met onbeheerst sarcasme. Hij verstond niet de kunst net hard genoeg te trappen, waardoor hij in de eerste plaats zichzelf schade toebracht. Zijn wraak was machteloos en misplaatst. Hij had de onuitstaanbare gewoonte leerlingen alleen bij hun achternaam te noemen. Hij was bang.

Stuurman verwachtte van ons volwassen gedrag en opinies. Als wij er blijk van gaven die niet te bezitten, kon hij het niet opbrengen zijn minachting voor ons te verbergen. Hij voelde zich torenhoog boven ons verheven. Doordat hij ons, mentale extremisten van 17, desondanks niet aankon, sloeg zijn afkeer soms om in kleine, benarde haat.

Maar af en toe kwam Stuurman tot bloei. Dan sleepte hij je mee in zijn fascinerende betoogtrant. Dan vergat je voorgenomen terreurdaden. Dan had je het gevoel als een ander, rijker mens het lokaal te verlaten dan toen je het betrad. Dan had menselijk contact met Stuurman bijna mogelijk geleken. Even verbazingwekkend als Stuurman was Stuurmans vrouw — Stuurvrouw. Zo geremd en ongemakkelijk als zijn houding was, zo zelfverzekerd en onbevangen trad zij ons tegemoet. Met haar echtgenoot deelde zij een voorkeur voor extravagante kleding, waardoor we even dachten met eenzelfde soort stoethaspel te maken te hebben. Maar met het eerste woord dat ze tot ons richtte, logenstrafte ze deze vooronderstelling.

In haar stem klonk vanzelfsprekende autoriteit door — geen angst, geen haat, geen huilerige wrok. Dat stemgeluid was hoog, bijna kirrend. En de enkele keer dat ze het verhief, kreeg het een metaalharde bijklank – het deed denken aan een duimschroef die langzaam wordt aangedraaid. Ze was niet veel meer dan anderhalve meter groot, maar als ze op haar podiumpje voor de klas zat, waren wij toch onmiskenbaar onderworpen. Stuurvrouw was een amazone die ons bereed met kalme, zekere hand.

En alsof dat niet genoeg is, moet nog worden vermeld dat Stuurvrouw een ongewoon mooie vrouw was. Ze was achterin de dertig of begin veertig, de aantrekkelijkste leeftijd, wist ik toen al. Als ik haar met iemand zou moeten vergelijken, dan zou ik zeggen: Liz Taylor, als iemand zich die nog kan herinneren. Liz Taylor in de bloei van haar leven, maar etherischer, en zonder de latente plompheid.

versailles7

Ze bood een exclusieve combinatie van een zeer lichte huid, helblauwe ogen en gitzwart haar. De mogelijkheid bestond natuurlijk dat de kleur van dat haar niet echt was, maar gegevens daarover ontbraken. Het zag er in elk geval levensecht uit. Het bezat een haast dierlijke weelderigheid.

Dan was ze nog gezegend met sierlijke, volle lippen, die altijd iets van spot leken uit te drukken, hoge jukbeenderen, een elegant voorhoofd en een mooie, enigszins spits toelopende kin. De idylle van haar gezicht werd alleen wat verstoord door het keiharde, hermetische zelfvertrouwen dat het onveranderlijk uitdrukte.

Maar dan die kleding! Die ‘opzichtig’ noemen was een understatement. Stuurvrouw was een wandelende snoepwinkel. Ze droeg wijd uitstaande jurken in zuurstokkleurtjes, met een strik op schouder of achterwerk. Haar voeten staken, in een vermetele diagonaal, in schoenen met hoge hakken en open neus. Daaruit sproot een gloeiend rood gelakte teennagel, als een sensuele oorlogsverklaring. Haar nagels zagen er vals uit, in beide betekenissen van het woord. Op haar rechterwang had ze een zwarte schoonheidsstip aangebracht. Stuurvrouw had kortom – en we rilden bij het woord – iets ‘hoerigs’.

Wat echter met voorsprong de meeste aandacht trok, en waarbij ik het voorrecht had helemaal vooraan te zitten, was haar immer diep uitgesneden decolleté. Het bood een welwillend uitzicht op haar volle, witte borsten, die ze als veelbelovende tweelingbaby’s voor zich uit droeg. Telkens als Stuurvrouw vooroverboog en de zwaartekracht haar gemoed teder uitrekte, kreeg ik nieuwe informatie – of visioenen – betreffende grootte, gewicht en bungelende bereidwilligheid.

versailles12

Gezegd moet worden dat Stuurvrouw bij ons niet veel meer opwekte dan schrale, eenduidige lust – kwestie van die benauwende garderobe, die onkreukbaarheid, dat ongenaakbare gezag. En haar hoerigheid was zonder twijfel schijn. Het was beslist niet voor te stellen dat zij ooit in iets een scheve schaats reed.

Temeer daar Stuurvrouw en Stuurman het innigste lerarenechtpaar vormden dat ik ooit heb gekend. Elke dag schreden ze stijf gearmd de schooltrap af. Zij keek tevreden naar hem op. Hij glom als een bruidegom.

Zij laafde zich aan zijn eruditie en had meer dan genoeg bagage voor tegenspel. Zijn gebrek aan talent om alledaagse problemen op te lossen, stelde haar in staat te domineren. Zij gaf hem het gevoel dat hij meer was dan alleen een man van letter en geest.

Zij hoefde geen mooie jongen, maar een knappe kop om voor te zorgen. Dat was degelijk en oprecht. Zij had natuurlijk ook de hand in zijn malle kleding. Zij werkte aan hem. Zij schiep hem.

Eens zag ik Stuurvrouw en Stuurman in een restaurant. Ze zaten tête-a-tête aan een piepklein tafeltje. Hij was onophoudelijk aan het woord en schonk geen aandacht aan zijn eten, terwijl zij grote garnalen kraakte met een achteloosheid en onverstoorbaarheid waarin iets vagelijk wreeds en opwindends school. Ze keek hem intens glimlachend aan, maar ik had de indruk dat ze niet echt naar hem luisterde.

Mijn omgang met Stuurman was houterig. Maar met Stuurvrouw had ik een harmonieuze, bevredigende, zij het soms wat vermoeiende haat/liefde verhouding. De ene keer was ik saboteur, de andere dag galante borst. Ze begreep dat deze cyclus van uitdagen en terugtrekken een spel was, een confrontatie die wel eens onverbiddelijk was, maar waarbij de tegenstrevers elkaar verstonden, bepaalde regels in acht hielden en waardering konden opbrengen voor elkaars capaciteiten.

Ik kon me niet voorstellen dat Stuurvrouw mij ooit zou laten zakken. ‘Jij kunt bij haar wel een potje breken’, constateerden klasgenoten dan ook, naar mijn idee terecht.

Dat was trouwens maar goed ook, want het verloop van mijn schoolcarrière hing voor een belangrijk deel af van haar goedertierenheid. Op mijn strenge school volstonden drie vijven om te blijven zitten. Mijn vijven voor wiskunde en economie stonden vast als een huis. En ook wat geschiedenis betreft, het vak van Stuurvrouw, was mijn positie précair.

Voor een uitgesproken alpha-klantje als ik was dat eigenlijk een schande. Maar een en ander lag ook aan Stuurvrouws wijze van beoordelen. Zij maakte geen onderscheid tussen beurten voor de klas, onverwachte schriftelijke overhoringen en aangekondigde repetities. Alles telde even zwaar. Haar argument daarvoor was eenvoudig en sluitend: ‘Je kunt jezelf wel even opladen voor een proefwerk, maar een paar weken later ben je de stof alweer vergeten. Ik verwacht daarom dat jullie altijd je huiswerk doen. Pas dan beklijft de kennis.’

Helaas kwam huiswerk niet in mijn woordenboek voor. Ik had wel wat beters te doen, dank u beleefd. Ik had niet eens een schooltas (wel een elegante, bruinlederen platte aktetas, waar bijna niets in kon en dus ook bijna nooit iets in zat) noch aparte schriften voor elk vak. Ik noteerde voor de vorm wel eens wat in een en dezelfde blocnote. Mijn achten en negens voor proefwerken werden daarom afgewisseld door enen en tweeën voor overhoringen. Per saldo stond ik onvoldoende.

Alles hing af van de scriptie over de Eerste Wereldoorlog die ik in het laatste trimester moest schrijven. Stuurvrouw maakte voor dit werkstuk een uitzondering: het telde, als magnum opus, drie keer zo zwaar als enig ander werk. En bij een onvoldoende mocht je het één keer overmaken.

Nu had ik een hekel aan het schrijven van scripties, zoals ik aan veel een hekel had of veinsde te hebben in die dagen. Het plegen van research was me een gruwel. Ik leende daarom een dun boekje van mijn ouders over het onderwerp, maakte daarvan een duidelijke samenvatting en vertrouwde er verder op dat ik bij Stuurvrouw ‘een potje kon breken’.

British Troops March To Trenches, World War I

Maar dat bleek een vergissing. Ik kreeg, volkomen terecht, een vier. Ze had erbij geschreven: Ik heb me verbaasd over jouw ‘scriptie’.

Als opstel zou het getuigen van goede

zakelijkheid. Nu is het veel te beknopt

en ontbeert het diepgang en analyse.

Misschien dat je jezelf om de tuin kunt

leiden, maar mij in ieder geval niet. Ga

eens aan het werk!

Achteraf beschouwd had ik wel kunnen voorzien dat ik mijn hand zou overspelen. Ik kon natuurlijk niet blind varen op Stuurvrouws sympathie. Ze was wel goed maar niet gek. Maar ik kon mezelf er evenmin toe brengen om me serieus aan de scriptie te wijden, hoezeer het vooruitzicht van blijven zitten me met afgrijzen vervulde. Ik stelde het werk voortdurend uit en krabbelde, een dag voor de uiterste inleverdatum en in plotselinge paniek, wat aanvullingen, zoals ik ze noemde, op twee vel A4.

De laatste schooldag bracht ik door met bezwaard hart. Mijn almaar toenemende ongerustheid probeerde ik te sussen door mezelf voor te houden dat Stuurvrouw het eenvoudigweg niet over haar hart kon verkrijgen het dreigende vonnis over me te voltrekken. Wij hadden een pact. Een verbond. Dat voelde ik. Dat ‘wist’ ik.

De eerste vakantiedag hield ik het niet meer uit. Over tien dagen werden we op school verwacht om de uitslag te vernemen. Ik besloot mijn zorgen even te vergeten op het A2-strand, een zandafgraving die gevuld was met water voor recreatieve doeleinden, zoals dat in stadhuistaal heet. Ik ging alleen. Ik had geen behoefte aan gezelschap, zoals ik aan veel geen behoefte had of veinsde niet te hebben in die dagen.

Hoewel ik pas laat in de middag arriveerde, was het nog druk op het hoofdstrand. Met de gebruikelijke onwennigheid verrichte ik noodzakelijke handelingen als uitkleden en mijn handdoek uitspreiden. Ik ging zitten en voelde me niet op mijn gemak, zoals altijd op een strand. Ik stelde me er steeds meer van voor dan achteraf gerechtvaardigd bleek. Ik bekeek het tienervolk om mij heen. Iedereen die twee, of zelfs maar één jaar jonger was dan ik, beschouwde ik als een kind waarmee geen zinnig woord viel te wisselen. Getuige de zorgeloosheid die de tieners op dit strand aan de dag legden, waren ze er allemaal al zeker van dat ze overgingen, wat de kloof tussen mij en hen alleen nog maar verbreedde.

Ik stak een sigaret op: Gitanes. Een smaak alsof er een stofdoek door je keel werd getrokken, maar met het pakje maakte je goede sier. Ik rookte ook sigaren en overwoog aan een pijp te beginnen. Men moet weten dat ik een flamboyante, onafhankelijke persoonlijkheid was, die zijn onorthodoxe smaak en opvattingen koesterde.

versailles0

Daarvoor betaalde ik wel een prijs. Het was eenzaam aan de top. Ik had nauwelijks vrienden en ook in de liefde wilde het niet erg lukken. Ik was een gangmaker, maar tevens een eenling, een zonderling. Ik schrok af. Ik was geen man, verre van dat, zo bevond mijn seksleven zich nog maar in een heel pril stadium, en toch leek ik al erg op een man. Dat lag zowel aan mijn uiterlijk als aan mijn gedrag. Ik was groot en natuurlijk gespierd en had een indrukwekkende hoeveelheid donker haar. (En moet je me nu eens zien: grijs, gekloofd, vernield door jaren van uitspattingen. Maar nog steeds een ‘jonge’ man, dat wel.)

Ik onderscheidde mij met stijlvolle, tijdloze kleding waaraan ik veel zelfverdiend geld uitgaf, een opzettelijke plechtstatigheid in gebaren en taalgebruik, snelle, bitse woordgrappen en een zelfvertrouwen dat een onnatuurlijke indruk maakte voor iemand van mijn leeftijd. Ik was een imposante dandy, maar soms bekroop mij de oncomfortabele gedachte dat niemand echt in mij geïnteresseerd was, dat ik op cruciale momenten over het hoofd werd gezien omdat ik nooit eens iets verrassends of spontaans deed, in een rol gevangen zat. In mijn somberste momenten zag ik mijzelf als een vorst zonder hofhouding, die dwaalde in de gangen van het praalpaleis dat hij voor zichzelf had opgericht, maar waarvan hij de uitgang niet meer kon vinden.

Versailles22

Ik dronk niet, ging zelden uit, vertoonde me nooit op feestjes. Het droeg bij aan mijn mysterie, zo nam ik aan, maar de waarheid was dat ik niet tegen al dat hormonale gewoel kon. Het verstijfde me. Waarom deed ik niet mee? Ik was per slot toch maar zeventien? Nee, ik had behoefte aan rust, aan reflectie. Ik droomde van die ene baanbrekende ervaring die alles zou onthullen, alles zou veranderen, en waarvan ik zulke nauwkeurige voorstellingen had dat ze wel voorspellende waarde moesten hebben. Geduld was alles wat ik nodig had. En alleen het beste was goed genoeg.

Ineens overviel mij, daar op dat A2-strand, een gevoel van intense eenzaamheid. Als een giftige damp steeg het in mij op. Ik had steeds vaker dit soort stemmingen. Ik sprak er met niemand over, waardoor ik in de veronderstelling leefde dat ik de enige was die leed aan deze langzaam voortschrijdende zielenrot. Ik moest die tot staan zien te brengen, maar hoe, als ik geen vermoeden had van de oorzaak? Ik wist alleen dat er gevaar voor mij dreigde. Het was vlakbij: hier, waar ik zat, sloop het onzichtbaar om mij heen.

In paniek stond ik op. Moest ik hier niet beter weg?

Plotseling viel mij een beschut plekje in, achter een bocht, waar zelden iemand kwam. Opgelucht raapte ik mijn spullen bij elkaar, liep er naar toe en bleef er perplex staan. Vier, vijf meter van mij vandaan zat Stuurvrouw. Rechtop, een been gestrekt, het andere opgetrokken, haar handen om haar gevouwen knie gevlochten, alsof ze aan het poseren was voor een ouderwetse pin-up-kalender. Verdomd, zoals ze daar zat, had ze echt veel van een jonge Liz Taylor.

versailles8

Maar nooit had ik haar hier verwacht. Ze was tenslotte geen pin-up, ze was een beëdigde historica, een koele blanke amazone van benijdenswaardig rijpe leeftijd. Wat had dit dan te betekenen, dit zonnen in een massapark?Ze had me kennelijk niet opgemerkt. Ik ging enigszins verdekt, net achter de knik van de bocht zitten, zodanig dat ze mij waarschijnlijk niet, maar ik haar wel kon zien.

Van Stuurman geen spoor. Ik stelde mij voor dat hij ergens in de schaduw zat, zijn broekspijpen opgerold, verdiept in een ernstig boek.

Stuurvrouw droeg een eenvoudige bikini die een geheel nieuw licht op haar wierp. Ontdaan van karikaturale jurkjes, bood ze een lieflijke aanblik. Haar lichaam was slank, gaaf en teder, haar blanke huid smetteloos, een spectaculaire openbaring van jeugdigheid.

Nu kwam de volgende verrassing. Een magere jongeman, die even tevoren met veel geweld het water in was geplonsd, kwam het strand opgelopen, ging naast haar zitten en droogde zich af met de handdoek die ik de hare had gedacht. Ik kende hem, maar het schoot me niet te binnen waarvan.

Ze praatten met elkaar, waarbij ik haar zag lachen. Het was een weerloze, gelukkige, verliefde lach, die ik niet van haar kende. Was hij misschien haar zoon? Schei uit. Stuurman en Stuurvrouw kinderen? Uitgesloten. Hij leek me er ook iets te oud voor. Ik schatte hem een jaar of twee ouder dan ik. Bovendien: ik kende hem. Wie hij ook was – niet haar zoon. Hij stond op en ging weer het water in. Hij hield zeker veel van water.

Toen werd er een wens vervuld, die ik, onvervulde puber, innig maar met minimale hoop had gekoesterd. Stuurvrouw keek vluchtig rond, waarbij haar blik rakelings langs me heen leek te schieten. Ze zocht de sluiting van haar beha en leverde haar zoete geheim uit aan de zomerse buitenlucht.

versailles2

Een halve minuut bleven haar welvingen hangen in ontspannen, fiere eenparigheid. Het leek of de draagster wilde dat ze werden gezien, al had ik niet de indruk dat mijn aanwezigheid, indien opgemerkt, op prijs zou worden gesteld. Toen ging Stuurvrouw liggen en dook haar bezit gedeeltelijk onder in een lillend glooilandschap – gedeeltelijk. De fluwelen kuil van haar maag kwam af en toe zuchtend omhoog. Ik dacht vervoerd: ze ligt er bij als een schilderij.

Geheel onverwacht kwam het schilderij soepel overeind. Opnieuw keek ze vluchtig rond, waarbij ik er deze keer niet zeker van was dat ik ongezien was gebleven. Maar kennelijk had ze de kust opnieuw veilig bevonden: ze ging het water in, liet zich daar uitbundig door de jongeman omhelzen en kwam er snel weer uit, met loom deinende, glinsterende vracht.

Ik stelde vast dat mijn eindeloze schattingen betreffende grootte en bungelende bereidwilligheid door de bank genomen behoorlijk accuraat waren geweest. Ik had er kennelijk kijk op. Hooguit was het gebodene, als ik wilde scherp slijpen, iets minder stevig, iets minder spectaculair opgericht dan ik me had voorgesteld. Niet erg. Wat overheerste was een beeld van feestelijke, zelfbewuste overdaad. Tegenwoordig zou het een en ander me – hoe moet ik het zeggen – iets te zwaar op de maag hebben gelegen. Tegenwoordig heb ik meer op met klein en speels. Toen, een kwart eeuw geleden, lag dat anders. Toen mocht niets klein zijn in mijn leven, en eigenlijk ook niet speels. Ondanks al mijn spotternijen, het pantser van ironie waarmee ik mij tegen het leven teweer stelde, was elk detail een ernstige zaak.

Het schouwspel van Stuurvrouw liet me dus niet onberoerd – maar toch vooral omdat ik de indruk had dat ik later ter verantwoording zou worden geroepen voor wat ik nu zag. Want als dit alles geen luchtspiegeling was, dan behoorde ik het niet te zien. Het leek tegen de orde der dingen. Hoe vreemd het ook moge klinken, ik had de indruk dat ik schuld had aan wat ik waarnam. Het was of ik haar ‘met mijn ogen had uitgekleed’.

Ze was naar haar strandtas gelopen. Ze knielde erbij als in verering voor het object en trok er niet zonder moeite een groot gevouwen badlaken uit. Toen draaide ze haar hoofd mijn kant op en ving ze me met haar ogen. Ik wendde mijn blik af. Ik kon niet kiezen tussen vluchten en blijven – en dus bleef ik.

Mijn hart bonsde als politie op de deur van een verdachte. De zuigkracht van haar aanwezigheid was onontkoombaar. Toen ik stijfjes terugkeek, was ze gaan zitten, de badhanddoek tot vlak onder haar oksels omgewikkeld. Ze had een zonnebril opgezet en keek in mijn richting met een uitdrukking die ik onmogelijk kon peilen. Nooit eerder had ik haar met een zonnebril op gezien. Het ding leek niet bij haar te passen, een dwaas attribuut waarmee ze alsnog – en te laat – geprobeerd had zich voor mij te vermommen. Tegelijkertijd bedacht ik dat haar hele aanwezigheid hier niet bij haar leek te passen.

versailles24

De jongeman stond pal achter haar, met zijn gezicht naar mij toe, druipend, alert en wijdbeens, als een weifelende, onnozele ridder met half getrokken zwaard. Wie was hij toch ook alweer?

In een impuls stond ik op en zwaaide het tweetal langzaam toe, met een smalende glimlach. Zij antwoordde tot mijn verbijstering met een lange neus. Bestudeerd ontspannen, maar inwendig wel degelijk geschokt, ging ik heen.

Nog één keer keek ik om. Ze was op haar zij gaan liggen, met haar rug naar mij toe. De jongeman keek niet bepaald teder op haar neer, net of ze een hert was dat hij zojuist had neergeschoten. Het was een vreemd schouwspel, onnatuurlijk en een beetje verontrustend.

De zon was al aan het zakken. Het leek of met het vallen van de avond, ook droefenis en onheil over het strand daalden. Even was dit gevoel verbazend reëel, niet te weerleggen. Toen ebde het weer weg.

Thuis vervaagde het visioen van Stuurvrouw om plaats te maken voor klimmende zorg om die scriptie. Weer hield ik mezelf voor dat ik bij haar in een goed blaadje stond en dat ze me er wel doorheen zou slepen. Hoewel: onbuigzaam was ze ook. En wat voor invloed zou onze onverwachte ontmoeting gehad kunnen hebben? Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald om zo astrant naar hen te wuiven? Oei, dat zou ze me niet in dank afnemen. Maar nee, Stuurvrouw zou me niet in de kou laten staan. Dat ze een lange neus had getrokken, bewees toch al dat ze ook deze brutaliteit mijnerzijds sportief had opgevat?

Twee dagen later lag er een brief voor mij in de bus. Dat was bijzonder, want ik was tegen het ontvangen en versturen van brieven, zoals ik tegen zoveel was of veinsde te zijn in die dagen.

Ik scheurde de envelop open. De ‘aanvulling’ op mijn scriptie viel er uit als dood blad. Stuurvrouw had erbij geschreven:

Ook je ‘aanvulling’ heeft me verwonderd.

Dit is niet serieus. Ik begrijp niet hoe

je het hebt durven inleveren. Dat getuigt

van bijzonder weinig respect voor ondergetekende.

Blozend las ik verder:

Hoewel je er geen recht op hebt, hoewel ik

eigenlijk mijn eigen regels overtreed, geef ik je nog een laatste kans er een voldoende uit te slepen. Je hebt drie dagen de tijd. Stuur maar op naar onderstaand adres. Denk erom: laat jezelf en mij niet zakken. Succes.

‘Denk erom: laat jezelf en mij niet zakken!’ De dubbelzinnigheid van deze woorden trof me als de bliksem. Nu werden me ineens verschillende dingen duidelijk. Nu wist ik plotseling wie de jongeman op het strand was geweest: Berend Graaf, de zoon van de zijige leraar scheikunde. Hij had een belangrijke rol gespeeld in de rel rond de eindexamenstunt van vorig jaar: een zogenaamde schoolbezetting die was uitgedraaid op een knokpartij tussen docenten en leerlingen. Het was landelijk nieuws geweest. Berend had op het dak van de fietsenstalling heel hatelijk ‘O mein Papa’ staan zingen. Hij werd uitgesloten van het centraal schriftelijk examen, hoewel hij een briljante leerling heette te zijn.

Daarvan was in zijn omgang met mensen trouwens weinig te merken. Ik kende hem nauwelijks, maar meende desondanks te mogen vaststellen dat hij cynisch was en vol oppervlakkige arglist, zo iemand door wie je dan weer wel en dan weer niet werd opgemerkt, afhankelijk van zijn vigerende belangen.

Dit was geen spel meer tussen Stuurvrouw en mij. We waren in elkaars netten verstrikt geraakt en konden daar alleen uit komen door elkaar te helpen. Ze stelde een beloning voor mijn zwijgen in het vooruitzicht en vroeg tegelijkertijd om een gunst: het intact laten van haar integriteit. Ze had teveel zelfrespect om me meteen een voldoende te geven.

Ik had mijn poot stijf kunnen houden, had haar misschien meteen kunnen chanteren, maar dat kwam niet eens in me op. De waarheid was namelijk dat ik daarvoor te zeer gesteld was op mijn lerares geschiedenis. Nu, na die episode op het A2-strand, realiseerde ik me pas goed hoe ver mijn gevoelens reikten: ze grensden aan ridderlijke hoogachting. Ze was me er eentje, een dijk van een mens. Ik neigde er toe haar als een verwante ziel te zien en ik had de indruk dat dit wederzijds was. We deelden bepaalde eigenschappen: onafhankelijkheid van geest en een zekere hang naar exuberantie, al had ik, wat dat laatste betrof, wel een beetje meer stijl en klasse dan zij. Ja, eigenlijk waren we medestanders, twee handen op een buik, zonder dat we elkaar dit konden bekennen, gescheiden als we werden door het leeftijdsverschil en de ijzeren hiërarchie waarin leerkrachten en leerlingen gevangen zaten. Nee, ik verbeeldde me dat niet. In haar ogen zag ik soms heimelijke genegenheid glanzen. Een enkele keer keek ze ook zonder enige directe aanleiding naar me, met een uitdrukking van kritische nieuwsgierigheid, maar ook van lichte melancholie, alsof ze zich mijn tekortkomingen, zoals zij die zag, persoonlijk aantrok en vocht tegen de behoefte mij die te vergeven. Als ik haar buiten het leslokaal tegen het lijf liep en haar nadrukkelijk groette, op de zowel hoofse als vrijpostige wijze mij eigen, was ze opvallend terughoudend. Misschien was ze, eenmaal afgedaald van haar podiumpje voor de klas, toch niet helemaal onkwetsbaar.

Het kon zijn dat die sporadische, lichte melancholie in haar blik ook nog een andere oorzaak had dan hierboven geschetst, maar daarover wilde ik niet eens nadenken, omdat ik daar zelf al te droef van werd.

Enfin, ik vond dat ik wat had goed te maken. Ik had haar immers, zij het onopzettelijk, ‘met mijn ogen uitgekleed’. Een dijk van een mens verdiende beter en ik behoorde zonder meer mijn plaats te kennen.

Twee dagen lang werkte ik rustig, onafgebroken en met toewijding aan mijn scriptie. Ik kreeg er bijna plezier in, maar mijn gedachten dwaalden ook af naar die dag op het A2-strand, de dag dat de voorzienigheid zich aandiende. Ik dacht: ik hoef alleen maar een beetje blijk te geven van goede wil. Dan komt het dik in orde.

Eenmaal klaar, was ik redelijk tevreden over het werkstuk. Er zaten nog wel wat zwakke plekken in, maar sommige passages vond ik uitnemend, vooral mijn uiteenzetting over de gevolgen van de Vrede van Versailles. Het vermaledijde ding was nu toch de naam scriptie waardig. Ik besefte nu pas hoezeer ik me er eerder met een Jantje van Leiden vanaf had gemaakt.

Ik dacht er nog over de scriptie persoonlijk bij haar te komen afleveren, want ik was zo brutaal als de beul in die dagen of veinsde dat te zijn, maar de mogelijkheid dat Stuurman zou opendoen, hield me van dit voornemen af.

Op een nacht had ik een vreemde droom. Ik was op het A2-strand. Een meisje dat sprekend leek op Stuurvrouw maar nauwelijks ouder kon zijn dan ik, kwam aangezwommen en richtte zich op. Tot mijn even beschaamde als jubelende vreugde droeg ze niets. Dit was het meest erotische schouwspel dat zich ooit aan mij had voorgedaan – een Stuurvrouw die al haar opwindende geheimen definitief had prijsgegeven, maar ook een Stuurvrouw van mijn leeftijd. Een jonge amazone, bandeloos en exotisch, de droom van elke seksueel geobsedeerde adolescent.

Ze gunde me geen blik waardig en liep, eenmaal op het strand, met driftige pas uit mijn gezichtsveld.

Daarop droomde ik van Stuurman. Hij zat alleen thuis, verdiept in een ernstig boek. Hij sloeg het dicht, zette zijn bril af, boog zijn hoofd en bleef zo zitten, met dichtgeknepen ogen. Hij maakte een dodelijk vermoeide indruk. Ik voelde een vreemde sympathie voor hem, alsof wij door een treurig lot waren verbonden.

Zoals wel vaker in die dagen, werd ik wakker met een gevoel van onbestemde vertwijfeling. De droom bleef me achtervolgen, als een waarschuwing, een voorbode op iets onaangenaams.

Op de dag van de waarheid was de zomer definitief doorgebroken. Fietsend naar school gleden alle zorgen van mij af, om plaats te maken voor een vreugdevolle opwinding. Ik beleefde een avontuur dat met mij als schrandere, dubbelzinnige held, alleen maar tot een gelukkige ontknoping kon leiden.

Terwijl ik voort trapte op deze prachtige dag, voelde ik mijn zware, donkere krullen op mijn hoofd dansen. In een diepe zak van mijn bandplooibroek – bandplooibroeken stonden mij erg goed – stak een klein, metalen doosje sigaren, in de andere een vers pakje Gitanes. Ik voelde mij erg volwassen, een heer van stand van 17, maar was mij tevens scherp bewust van de onbeschaamdheid van mijn jeugd. En ik genoot daar mateloos van.

versailles6

Opgewekt betrad ik de hal waar de formuliertjes met de uitslagen aan de wand van de garderobe waren bevestigd. Ook zag ik Stuurvrouw. Ze stond in een gezelschap waartoe tevens Berend Graaf behoorde. Die hadden lef.

Ik zocht naar het formulier dat betrekking had op mijn klas. Zo dadelijk zou ik het weten, zou ik weten wat ik natuurlijk al wist. Ik zag een hele rij plusjes achter de namen staan. Ze werden slechts onderbroken door de mededeling dat Samantha Gloudemans een herexamen Economie had en dat Flip Stoutjesdijk was blijven zitten.

versailles13

Mijn hart zonk geluidloos in de diepte.

Stuurvrouw had mij ontredderd naar het papiertje zien staren. Ze maakte zich los uit de groep en kwam naar me toe. In haar blik ontwaarde ik voor het eerst iets van deernis.

Ze zei: ‘Ach Flip, ik vind het zo spijtig, een leerling met jouw capaciteiten. Ik heb je werkelijk alle kansen gegeven, maar je bent niet verder gekomen dan je gebrek aan kennis verhullen met een virtuositeit een betere zaak waardig. Je wijdt eindeloos uit over de gevolgen van de Vrede van Versailles. Maar de scriptie werd geacht te gaan over de eerste wereldoorlog, niet over de tweede. Ik heb mijn man jouw werkstuk ook laten lezen, volkomen vrijblijvend natuurlijk, maar hij geeft tenslotte ook geschiedenis. Hij zei: wat een stomkop. Hij had het makkelijk kunnen halen. Het spijt me oprecht voor je, maar je hebt jezelf laten zakken.’

…Vervloekte, vervloekte le-ra-ren-echt-pa-ren.

‘Ik kan u ook laten zakken’, zei ik, waarbij ik vermeed haar aan te kijken. Ze dwong me tot deze smeerlapperij.

‘Dat heb je toch al gedaan?’ antwoordde ze, nogal zoetsappig.

‘Ik weet niet of u begrijpt wat ik bedoel’, zei ik, langzaam, verdoofd. ‘Ik heb u toch tien dagen geleden gezien op het A2-strand? Het was in meerdere opzichten onthullend.’

‘Laat me even denken. Tien dagen geleden? Op het A2-strand? En heb ik mezelf toen onthuld? O jee, en in meerdere opzichten nog wel.’

De woorden stokten in mijn keel. Deze kleine vertegenwoordigster van het menselijk ras, orde der primaten, nicht van de apen, was schokbestendig.

‘Luister jongen’, zei ze kalm. ‘Je moet je vergissen. Ik ga nooit naar stranden. Dus ook niet naar het A2-strand of hoe het mag heten. Ik heb wel wat beters te doen. Bovendien is mijn huid niet tegen felle zon bestand.’ Ze stak een elegante blote arm naar me uit en zei: ‘Zoals je ziet, heb ik een erg tere huid.’

Teer, ja. Verraderlijk teer. Onvergeeflijk teer. De huid die ik had gered. Maar dat kon nog worden teruggedraaid.

‘Toch heb ik u gezien’, zei ik bijna fluisterend. Ik verzamelde al mijn moed en perste het er uit. ‘Ik heb u samen gezien met Berend Graaf .’ Zelden zal ik me zo laf, zo laag, zo hopeloos en verwerpelijk middelmatig hebben gevoeld. Dat ik bijna een halve meter boven haar uittorende, gaf me geen overwicht. Integendeel: ik was even zwak als ik groot was.

Ze keek me verrast aan. Even dacht ik haar te hebben waar ik haar hebben wilde, maar toen draaide ze zich om en riep: ‘Berend!’ Hij keek onmiddellijk op, lachend als een dwaas.

‘Berend, waren wij een dag of tien geleden op het A2-strand? Een dag of tien geleden?’ vroeg ze hem. Berend zei stralend, en verdacht ad rem: ‘Was het maar waar. Zo ver heb ik het nog niet geschopt.’

Toen zag ik pas de jonge vrouw met wie hij al een hele tijd had staan praten. Een kleine, slanke, jonge vrouw. Nee, geen vrouw, een meisje — ze kon nauwelijks ouder zijn dan ik. Lichte huid, zwart, weelderig haar. Helblauwe ogen, sierlijke, volle lippen. Elegant voorhoofd, hoge jukbeenderen en een enigszins spits toelopende kin. Ik had haar nog nooit eerder gezien, maar toch kwam ze me pijnlijk bekend voor. Stuurvrouw had mijn blik gevolgd. ‘Ach, ik geloof dat ik het begin te begrijpen’, riep ze uit en ik vond haar ineens oud en aanmatigend. ‘Je kent Trudy natuurlijk niet. Ze gaat met Berend. Hij is bij ons kind aan huis.’

Ik moest het meisje verbijsterd hebben aangegaapt. Ze keek met strakke blik terug. Berend sloeg zijn arm om haar heen en probeerde haar tegen zich aan te drukken. Ze gaf niet mee.

‘Dat is dus opgelost’, vervolgde Stuurvrouw luchtig. ‘Mag ik dan nu naar huis? Mijn echtgenoot’ – ze pauzeerde even – ‘mijn echtgenoot wacht.’

Ze stapte naar voren, zodat ze recht tegenover me kwam te staan, en schonk me weer die blik waar geen speld tussen was te krijgen. Ik keek naar haar intieme hals – het tedere rompje van een klein, lenig roofdier. Ik wierp zelfs een snelle, tersluikse blik op haar decolleté. Even genereus als altijd – een zekerheidje was dat. Tien dagen lang had ik in een illusie geleefd. Wat ik had gezien, behoorde haar niet toe, maar zekere Trudy. Toch vreemd, dat ik me zo had vergist. Vreemd, dat ik het verschil niet had gezien tussen een meisje en een vrouw.

versailles23

‘Luister’, zei ze opnieuw. Ik was een en al oor. ‘Ik zal voor één keer open kaart met je spelen. Omdat ik je ondanks alles graag mag, het goed met je voor heb. Ik had niets liever gedaan dan je een voldoende geven, een leerling met jouw mogelijkheden, maar je liet me geen keus. Ik had jou, speciaal jou, dolgraag een dikke voldoende gegeven. Maar ik had al een uitzondering voor je gemaakt. Mijn eigen regels overtreden, enkel voor jou. Begrijp je? Begrijp je dat? Ik hoop dat je dat begrijpt… Flip.’ En nog een keer, zuchtend: ‘Flip…’

Ze zweeg even. Haar stem had streng, maar ook opvallend urgent geklonken. Ik vermeed haar blik. Het drong nu pas tot me door dat ze niet zomaar aantrekkelijk was, maar overweldigend aantrekkelijk. Ze was geen dijk van een mens, ze was geen stuk, ze was alles wat je wilde, en meer. Ze had geen opsmuk nodig. Integendeel, in eenvoudige kleren, in een afgedragen trui of tuinbroek, zou ze helemaal onweerstaanbaar zijn geweest.

versailles10

Vandaar juist die buitenissige garderobe: daarmee wilde ze haar schoonheid niet onderstrepen, maar inperken. Ze had een parodie op zichzelf geschapen om het manvolk nog een beetje op afstand te kunnen houden, om zich te beschermen tegen al te opdringerig testosteron. Ze kon dat alleen bewerkstelligen door zich te vermommen als een burgerlijke vamp, een geglaceerde trut. Beetje triest, als je erover nadacht.

Ik vroeg me voor het eerst af hoe het zou zijn om door haar te worden bemind. En wat er zou gebeuren als je het bestond haar gevoelens te tarten, als je haar niet waard zou blijken te zijn. Je zou bij het grof vuil worden gezet, natuurlijk. Erger nog: je ziel zou in vliesdunne schijfjes worden geraspt. Je zou in een bibberig, afgezakt onderbroekje de vriesnacht in worden getrapt. Je zou altijd naar haar blijven verlangen, altijd weer terug naar huis willen, naar haar. Dat zou er gebeuren. Ik slikte zwaar. Stuurman leefde gevaarlijk – ik hoopte voor hem dat hij dit besefte. Ik vroeg me af of hij begreep waarom ze juist hem tot levensgezel had uitverkoren.

‘Ga nu maar eens aan het werk’, wekte ze me uit mijn dromerijen. Haar toon was zachter, toegeeflijker, bijna troostend geworden.

Ik toverde een superieur lachje tevoorschijn en dat ergerde haar kennelijk zo dat ze weer naar me uithaalde: ‘Valt er iets te lachen?’ klonk het snerpend. ‘Ik zou dat masker maar eens afleggen, jonge cynicus. Laat ik je dit vertellen: niemand kan te lang met een masker op blijven rondlopen.’

Dit ging te ver. Nooit eerder had ze me zo toegesproken. Het leek wel het einde van een verhouding.

‘Ja baas’, reageerde ik potsierlijk. ‘Tot uw orders. U kan ik niks wijsmaken, merk ik. Hoe komt het toch dat u zo alwetend bent, zo te allen tijde meester van de situatie, zo —’

‘Weet je wat je voor mij betekent?’ onderbrak ze me vinnig. ‘Tijdverspilling!’ Nu werd ze nog echt boos ook.

Maar daarop – daarop pakte ze een bril uit haar handtas. Het was een zonnebril, die ik met een schok herkende toen ze hem opzette. Een zonnebril die ik één keer eerder had gezien. Kort geleden? Mmm, dat kon je zeggen. Was het wel dezelfde? Ik dacht het wel. Zeker wel.

Mijn mond viel open. Ze deed me na, wat natuurlijk niet erg aardig was, zeker niet van je lerares geschiedenis. Achter de donkere glazen zag ik haar ogen. Ze keken in de mijne, in raadselachtige triomf. Ik begreep eindelijk dat het niet aan mij was – gemankeerde zeventienjarige cynicus die ik was – om haar handel en wandel en haar beweegredenen te doorgronden. Wat haar genot verschafte, was voor mij nauwelijks voor te stellen, bevond zich in een bizar sprookjesrijk, een sinistere lusthof, een voluptueuze onderwereld van rijpe vrouwen, alwaar mij de weg zou worden versperd, de toegang zou worden geweigerd, mij te verstaan zou worden gegeven dat ik onbevoegd was, hier niets te zoeken had, niet kon worden ontvangen, vandaag niet, morgen niet, nooit niet, en wat ik, snotaap, wel niet dacht en of mijn moeder wel wist dat ik hier was. Stralend en superieur rees ze uit boven het landschap van mijn adolescentie. En het allermerkwaardigste was: terwijl ik haar stralend zag oprijzen, voelde mij ik gezegend, welgedaan, weldadig beschenen door een haast mythologisch licht.

Een mythologisch licht, welja. Vergeef me: ik was dan wel reeds een meter vijfennegentig lang, maar nog steeds een knaap, makkelijk te verblinden. Misschien was ze echt niet meer dan een burgerlijke vamp met toevallig iets meer hersens dan gemiddeld, maar voor mij – voor mij was ze, na die wonderbaarlijke, met geen andere dag te vergelijken dag op het A2-strand, een verheven raadsel, een goddelijke karikatuur, de houdster van de sleutel tot die ene baanbrekende ervaring waarover ik het eerder heb gehad – een knapenhand is snel gevuld. En dat zou ze, met wisselende intensiteit, blijven totdat ik eindelijk een onstuimige minnares van vlees en bloed en van mijn leeftijd zou vinden. En die zou ik ook vinden, ik zou de uitgang van mijn eenzame praalpaleis vinden, zij het rijkelijk laat.

Ik wilde Stuurvrouw, met mijn rug tegen de wand van de garderobe, nog iets toevoegen, iets waarmee ik mijzelf waarschijnlijk definitief had geblameerd, maar iets in haar blik snoerde me de mond en zo had ze het laatste woord.

Ze verliet het strijdtoneel zonder te groeten. Ik keek naar Berend. Het meisje dat naast hem had gestaan, was verdwenen, alsof ze ter plekke was verdampt. En hoe ging het met onze Berend? Goed, zo te zien. Hij grijnsde.