Archief voor december, 2013

Waarom de islam science fiction nodig heeft

Hawjan

‘Ik ben Hawjan…
Hajwan, de zoon van Mihal al-Fayhie
Een jonge man van begin in de negentig
Ik zal je mijn verhaal vertellen
Een verhaal dat pas een paar jaar geleden is begonnen, toen ik Sawsan ontmoette… het Menselijk Wezen.
Maar weet je wat? Ik praat liever niet met types die mij zien als een eenogig gedrocht met hoorns en geitenpoten. Wij djinns moeten altijd vreselijk lachen om die onnozele monsterlijke voorstellingen die jullie van ons maken.”

Smeuïge openingszinnen, afkomstig uit Hawjan, een roman van de Saoedische schrijvers Jasser Bahjat en Ibrahim Abbas. De hoofdpersoon Hawjan is een djinn: een bovennatuurlijke, uit vuur geschapen geest die deel uitmaakt van de islamitische verhalencultuur – denk aan ‘Alladin en de wonderlamp’ – en die ook voorkomt in de Koran.

Djinn op een Hongaarse postzegel ©public domain

Djinn op een Hongaarse postzegel ©public domain

 

Toch is Hawjan geen boek dat veilig voortborduurt op oeroude verteltradities – het wil juist een genre vestigen dat in de Arabische literatuur nog praktisch onontgonnen is: science fiction. De schrijvers leggen een direct verband tussen de bovennatuurlijke eigenschappen van de djinn in hun verhaal en moderne natuurkundige begrippen als parallelle werelden en de snaartheorie. Dat dit niet te hoog gegrepen is blijkt uit het voor Saoedische begrippen zeer hoge aantal van 25 duizend verkochte exemplaren. Opvallend is dat de vertelling vooral tienermeisjes aanspreekt.

 

Natuurlijk zou het Saoedische Comité ter bevordering van de deugd en voorkoming van het kwaad niet zijn wat het is als het hier niet iets verkeerds in zag. En dus werd dit op het oog onschuldige boek verboden op verdenking van aanzet tot hekserij. Er volgde een stormachtige twittercampagne van lezers en sympathisanten tegen deze beslissing, en zie: in een zeldzaam blijk van buigzaamheid trok het Comité het verbod in. Helaas is het boek nu weer verboden in Koeweit en Qatar.

Interessante vraag is ondertussen waarom een dergelijke roman weerstand oproept bij de autoriteiten en hoeveel kwaad een verbod aanricht. Twitteraarster ‘Ally’ (‘laugh more, worry less’) lijkt de vinger op de zere plek te leggen: ‘Het in diskrediet brengen van een groot werk der verbeelding door (een) vernieuwende auteur(s) is precies de reden dat Saoedi’s de motivatie missen om uit te blinken.’

Een uitspraak die aansluit op een TED talk van een van de twee schrijvers, Jasser Bahjat. Hij betoogt dat er een rechtstreeks verband is tussen bloeiende science fiction en technologische vooruitgang, en dat elke technologische vinding die tegenwoordig voorhanden is ooit in een boek, film of tv-serie is voorspeld. Zo schreef Jules Verne halverwege de 19de eeuw al over glazen wolkenkrabbers, over machines die erg lijken op faxapparaten en over een grenzeloze wijze van communiceren die veel weg heeft van internet. Spock uit Star Trek kon enkel door gebaren allerlei wonderbaarlijks op beeldschermen toveren, in een tijd dat computers nog met ponskaarten moesten worden gevoed.

Schrijnende achterstand
Science fiction is dus niet alleen leuk, maar ook bittere noodzaak, een integraal onderdeel van de ‘vooruitgang’. Dat het genre nauwelijks bestaat in de islamitische wereld is dan ook veelzeggend. Creatief en innovatief denken worden er onvoldoende gestimuleerd. Op het gebied van onderzoek en ontwikkeling is sprake van een schrijnende achterstand. De wereld telt 1.6 miljard moslims, maar slechts twee wetenschappers uit islamitische landen hebben ooit een wetenschappelijke Nobelprijs gewonnen. De 46 islamitische landen zijn tezamen slechts goed voor 1 procent van de wetenschappelijke literatuur in de wereld. Volgens de Amerikaan Steven Weinberg, winnaar van de Nobelprijs voor de  Natuurkunde in 1979, zijn er genoeg getalenteerde wetenschappers van islamitische komaf actief in het Westen, maar hij zegt in veertig jaar tijd niet één lezenswaardige publicatie te hebben gezien van een in een islamitisch land werkende natuurkundige of astronoom.

Ooit dronk ik in Teheran met een Iraniër een blikje ZamZam-Cola – ZamZam is de naam van de bron bij Mekka in de buurt waarvan de heilige Ka’aba ooit werd opgericht. Hij wees me op het ouderwetse lipje dat je met een zekere kracht moest los rukken om het blikje open te krijgen. Deed je dat te hard, dan liep je kans dat de inhoud eruit gutste of dat je je in je vingers sneed. De Iraniër was onlangs in Europa geweest en had daar blikjes gezien waarvan je de lipjes niet hoefde los te trekken, maar moeiteloos kon indrukken – dat was niet alleen gemakkelijker, maar ook veiliger.

‘Zoiets simpels,’ sprak hij bewonderend. ‘Maar bij ons zouden ze er in geen honderd jaar op zijn gekomen.’

Het tragische is dat de islamitische wereld niet altijd verstoken is geweest van wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Het is misschien een van de meest intrigerende historische raadsels dat ze ooit op de drempel stond van vrijwel alle wetenschappelijk ontdekkingen die later in het Westen zouden worden gedaan, maar vervolgens stokte, als het ware terugdeinsde voor wat er achter die drempel lag.

Manuscripten uit Timboektoe, gewijd aan wiskunde en astronomie. ©public domain

Manuscripten uit Timboektoe, gewijd aan wiskunde en astronomie. ©public domain

 

De Afghaanse schrijver Tamim Ansary noemt in zijn boek Destiny Disrupted een aantal in de vergetelheid geraakte islamitische wetenschappelijke wapenfeiten: in de elfde eeuw, zes eeuwen voor Newton, kwam Ibn Sina met een mathematische analyse van beweging. In de 13de eeuw, drie eeuwen voor Vesalus, beschreef ibn al-Nafis de bloedsomloop. De theorieën dat materie bestaat uit atomen en dat het heelal door mechanische wetten wordt geregeerd waren moslimse geleerden ook bekend, al hadden ze die van de Indiërs overgenomen. De basisbeginselen van de moderne wiskunde hebben ook een oosterse oorsprong, zoals het begrip ‘nul’. Van het Arabische woord hiervoor – sifr – is het woord ‘cijfer’ afgeleid. ‘Algebra’ is ook een Arabisch woord, en dat is niet voor niets.

De islamitische wereld kende dus ooit briljante geleerden. Het verschil met het Westen is dat het wetenschappelijk denken zich niet blijvend in de samenleving nestelde en uiteindelijk uitstierf. Waarom? Het voert te ver om daarover op deze plek te speculeren. Maar dat het probleem wordt onderkend bewijzen de schrijvers van het boek Hawjan. Inmiddels hebben zij Jatakhajaloen (letterlijk: ‘zij die zich verbeelden’) opgericht: een uitgeverij en bond van science fiction-auteurs ineen. Maar dat ook zij de noodzaak inzien van voorzichtig manoeuvreren in een zeer conservatieve samenleving  blijkt uit de tweet waarin Ibrahim Abbas verzekert dat zijn beschrijving van djinns niet in tegenspraak is met wat de Koran hierover te melden heeft. Het zal, kortom, nog wel een tijd duren eer de verbeelding werkelijk aan de macht komt in het Saoedische Koninkrijk.

 

Jongleren met de bezetting

PSC4-800x533

Palestijnse Circusschool: kweekvijver van zelfbewuste jeugd

Het is zo’n typische eerste lentedag. De wereld heeft zijn winterjas afgelegd, onschuldig blauw kleurt de lucht. Op zo’n dag toont zelfs Jenin, dat oude, rurale roversnest in het noorden van de Westbank,  een toegeeflijk gezicht. Enkele jaren geleden stond het nog bekend als wereldhoofdstad van het zelfmoordterrorisme, maar dat is nu, slenterend langs de kakelbonte handelswaar van een uitpuilende middenstand, moeilijk voor te stellen.

Niet dat alle sporen van vergeefse heroïek zijn uitgewist in deze ooit roerige provincieplaats. Ze hangen er nog, de portretten van de martelaren met een automatisch geweer over de schouder en de Rotskoepelmoskee in Jeruzalem als goudkleurig baken op de achtergrond. Ze zijn nog niet verdwenen, de gekalligrafeerde leuzen die het geknevelde vaderland bezingen. Maar ze zijn oud en vergeeld. Ze hebben terrein moeten prijsgeven aan de bedrijvigheid van gewone mensen, aan kramen met klokjes en knuffelbeesten, aan met fruit beladen handkarren en aan etalagepoppen die winkeliers vaak midden op het trottoir hebben geplant, misschien om elkaar de loef af te steken.

Straatbeeld in Jenin ©Carl Stellweg

Straatbeeld in Jenin ©Carl Stellweg

 

En dan is hier vandaag, behalve het voorjaar en de belofte van een alledaags, nijver burgerbestaan, ook nog de Palestijnse Circusschool neergestreken. Vrolijke jongeren, verlegen gezinnetjes en een enkele solitaire oudere heer verzamelen zich in de vriendelijke avondschemering bij de ingang van de bioscoop waar dit bijzondere gezelschap zal optreden. Het groepje biedt zo’n normale, ontspannen, zelfs hoopvolle aanblik dat het ontroert.

Maar niets is wat het lijkt op dit kleine stuk land dat al ruim 45 jaar kreunt onder een militaire bezetting. Niets in Palestina is onbekommerd, zonder lading, zonder politieke betekenis. Wat de toeschouwers  in de tot een theatertje omgetoverde bioscoopzaal wordt voorgeschoteld is geen gewoon circus. Er zijn geen apen op driewielers of honden in rokjes, geen tenenkrommende clowns of spreekstalmeesters met sleetse frases. De voorstelling is een door vier energieke jongemannen opgevoerde mengeling van acrobatiek en bewegingstheater; soms grappig, soms feeëriek, vaak wervelend en met een krachtige muzikale ondersteuning -  maar bovenal met een boodschap, een verhaal zonder woorden waarvan de symboliek voor een buitenstaander niet altijd makkelijk te doorgronden is, maar die voor het lokale publiek opvallend toegankelijk blijkt te zijn.

Zoveel is duidelijk: hier wordt, met nauwelijks meer dan een evenwichtsbalk, een trapezemast en wat rekwisieten, een machtsspel uitgebeeld, een strijd om dominantie en bezit. De humor is nooit ver weg en geregeld hoor je kinderen lachen; maar hoe grimmig de onderliggende strekking is blijkt ook uit de titel Kol Saber. ‘Eet de cactus’ betekent dat letterlijk, maar het is ook  een uitdrukking : ‘Eet geduld’. Vrij vertaald: opzouten, slikken  of stikken – een gevoel dat Palestijnen al te vertrouwd is.

Poster van de voorstelling Kol Saber ©Palestinian Circus School

Poster van de voorstelling Kol Saber © Palestinian Circus School

 

,,Dit ging over hoe wij hier leven,’’ zegt na afloop de 25-jarige ambtenaar Shada Younis, romanschrijfster in haar vrije tijd. De solitaire heer toont zich verbaasd: ,,Dit was politiek, vermomd als amusement.” Waaraan hij glimlachend toevoegt: ,,Dat heeft me aangenaam verrast.’’ En Nofar Hayat, middelbare moeder met hoofddoek van vier kinderen: ,,Ons hele verhaal zit er in, onze worsteling met de machten die ons beheersen.”

De Palestijnse Circusschool is een klein maar verbazingwekkend instituut. Opgericht in 2006 heeft het pas sinds begin 2012 een vast onderkomen: een sfeervolle, door de circusmedewerkers zelf gerestaureerde Ottomaanse villa, gelegen in Bir Zeit; dit hoog in de heuvels verstopte voorstadje van Ramallah is ongetwijfeld de enige plaats in Palestina waar je kans loopt iemand op een eenwieler voorbij te zien fietsen.

Van een even sprookjesachtige onwaarschijnlijkheid als dit beeld is de geschiedenis van de school zelf. Die ontsprong zowel materieel als maatschappelijk aan het niets. Er was geen circustraditie op de Westbank, er waren geen attributen. Er was niets meer dan een droom van een ongewoon echtpaar: de Vlaamse Jessika Devlieghere en de Palestijn Shadi Zmorrod. De droom was er zelfs eerder dan hun liefde. Voordat de vonk oversloeg waren ze al collega’s, die het circus naar Palestina wilden halen.

Jessika’s belangstelling voor jeugdwerk en haar preoccupatie met sociale ongelijkheid voerde haar naar Latijns Amerika, voordat zij in Zuid-Libanese vluchtelingenkampen werd overweldigd door het Palestijnse verhaal van ontheemding. Wel ging ze zich gaandeweg storen aan het starre, sentimentele nationalisme waarmee veel Palestijnen zich in een geïdealiseerd verleden opsluiten. Ze zocht een tegenwicht voor deze slachtoffercultuur en vond die in ‘sociaal’ of ‘pedagogisch’ circus. ‘Ik begreep dat de energie waarmee het verleden werd gekoesterd, naar de toekomst moest worden omgekeerd,’ zegt ze. ‘Maar je kunt niet in de toekomst geloven zonder zelfvertrouwen. Om dat te kweken bij jongeren die in een situatie van permanente, negatieve spanning leven, is circus een perfect middel. Want als je het tot acrobaat of jongleur wilt schoppen , moet je leren op jezelf te vertrouwen. Tegelijkertijd moet je ook vertrouwen op anderen: acrobaten mogen elkaar immers – letterlijk – niet  laten vallen.’

"Je kunt niet in de toekomst geloven zonder zelfvertrouwen. Om dat te kweken bij jongeren die in een situatie van permanente, negatieve spanning leven, is circus een perfect middel.." ©Carl Stellweg

"Je kunt niet in de toekomst geloven zonder zelfvertrouwen. Om dat te kweken bij jongeren die in een situatie van permanente, negatieve spanning leven, is circus een perfect middel." ©Carl Stellweg

 

Onderling vertrouwen, een geloof in constructieve samenwerking – volgens Devlieghere ontbreekt het de Palestijnse samenleving daaraan juist. ‘De passiviteit is groot: de Palestijnse Autoriteit heeft het verenigingsleven deels leeggezogen, buitenlandse hulporganisaties dreigen met alle goede bedoelingen de bevolking  structureel behoeftig te maken. Dan is er nog de ontwrichtende haat die de bezetting oproept.’

Wat die bezetting inwendig met je doet – dat vindt Jessika’s echtgenoot Shadi Zmorrod misschien nog het moeilijkst te verteren. Tijdens de tweede intifada, van 2000 tot 2005, zag hij het als zijn taak gewonden bij checkpoints weg te slepen. Eén keer moest hij de darmen van een man in diens lichaam terugproppen. Sindsdien is er nog maar weinig wat hem beroert. ‘Ik merk het als ons zoontje zich bezeert. Ik ben geen vader die dan onmiddellijk bezorgd opspringt. Die ouderreflex is mij afgenomen.’

Shadi groeide op in Oost-Jeruzalem. Al op zijn twaalfde zag hij theater als zijn bestemming. Nadat hij een circus op televisie had gezien leerde hij zichzelf jongleren. Bij gebrek aan ballen kocht hij sinaasappelen op de markt. Hij sloot zich aan bij een Arabisch-Joods circusinitiatief in Oost-Jeruzalem, maar knapte af op het huichelachtige en ook tegenstrijdige mengsel van verplichte politieke neutraliteit en neerbuigende sympathie voor hem als Palestijn. Hij besloot alleen nog circus dóór Palestijnen vóór Palestijnen te maken. ‘Ik zou een klein fortuin aan subsidiegeld kunnen opstrijken met een of ander verzoeningsproject,  maar dat zou een leugen zijn,’ zegt hij opvallend geëmotioneerd. ‘Israëliërs zijn welkom kennis te nemen van wat wij hier doen, maar uitwisselingen hebben geen zin zolang er zo veel ongelijkwaardigheid is tussen onze volken.’

Leerlingen van de Palestijnse circusschool op hun oefenterrein in Bir Zeit. ©Carl Stellweg

Leerlingen van de Palestijnse circusschool op hun oefenterrein in Bir Zeit. ©Carl Stellweg

 

Shadi trok naar Ramallah en kwam er in contact met Jessika, die daar een cursus Arabisch volgde. Snel diende zich een gouden mogelijkheid aan hun droom te verwezenlijken: een Belgische circusschool wilde een team sturen om mensen te trainen die de Palestijnse circusschool zouden moeten vormgeven. Maar een week voor hun komst raakten Israël en Hezbollah slaags. De Belgen durfden de reis niet aan. Dat was een zware slag, maar Shadi  gaf niet op: ‘Ik zie altijd dat piepkleine lichtje aan het einde van een lange donkere tunnel. Typisch Palestijns: hoop doet ons leven.’

Palestijnen met wie hij eerder in Jeruzalem had samengewerkt liepen naar hem en Jessika over,  jongleerballen werden eigenhandig gestikt, WC-borstels veranderden in werpkegels, buitenlandse trainers kwamen alsnog over, en… enkele weken later was daar het wonder: in Ramallah werd de voorstelling  ‘Circus behind the wall’ voor 250 toeschouwers opgevoerd. Dat het beperkte technische kunnen van de artiesten geen onoverkomelijk bezwaar was, kwam doordat er toen al – in de woorden van Shadi – sprake was van ‘een verhaallijn, een boodschap, een vraag’. Het gaat altijd ergens over bij de Palestijnse Circusschool, en het is ook grensverleggend, een soort totaaltheater. ‘Hoe meer disciplines, des te groter je mogelijkheden. We hebben lang genoeg in een gevangenis geleefd.’

Graag schuren Jessika en Shadi ook aan tegen de grenzen van wat een conservatieve samenleving kan verdragen. Zo schitterde in ‘Kol Saber’ een Naakte Man. Dat wil zeggen: hij droeg alleen een lange onderbroek. Mohammad Abu Sakha (21) uit Jenin voelde geen gêne: ‘Ik zie het zo: Op het podium bepaal ik de regels.’ Neemt niet weg dat zijn verschijning weerstand opriep. ‘Klopt,’ zegt hij grijnzend. ‘Maar moet je horen: Mijn vader is heel gelovig. Hij bidt vijf keer per dag, gaat elke ochtend om vijf uur naar de moskee. Mijn moeder vroeg hem mij te verbieden zo op het podium te staan. Nee, zei mijn vader, er is niets mis mee. Het verhaal heeft het nodig.’

Palestijnse CS6

Mohammed Abu Sakha (r.) legt uit waarom hij optreden in zijn onderbroek niet eg vindt:. Sirin Tukam (19) sloot zich aan bij de school toen ze 14 was. Ze wilde acrobaat worden. ”Maar ik heb veel meer geleerd. Ik heb geleerd op te groeien.” ©Carl Stellweg

 

Mohammad is een mooi voorbeeld van een jongen die door het circus uit zijn lethargie is gewekt en zijn vader met zijn nieuwe zelfbewustzijn kennelijk heeft aangestoken. ‘Het circus heeft me geleerd scherper te kijken, dieper te graven. Als je mensen hier vraagt wat ze willen, is het antwoord steeds: een auto, een huis. Zou ik vroeger ook hebben gezegd. Niemand zegt: Ik wil naar Parijs. Of: Ik wil leren koorddansen. Ze denken dat het te moeilijk is, koorddansen. Maar het is makkelijk.’ Hij lacht: ‘Ik bedoel: Je kunt het gewoon leren.’

De ster van de circusschool straalt inmiddels. Tientallen meisjes en jongens krijgen wekelijks les. Het circus is op tournee geweest in België, Duitsland, Egypte, Frankrijk, Italië. Enkele artiesten van het eerste uur hebben zich tot volbloed professionals ontwikkeld. Daartegenover staat dat de levens van de leerlingen nog altijd even onbeschermd zijn. De hoop van ieder van hen kan elk moment de bodem in worden geslagen. Het lichtje aan het eind van de tunnel kan zich versmallen tot een speldenprik  – of uitdoven.  Er heerst nog altijd dezelfde onverzoenlijkheid, er zijn nog steeds dezelfde gevaren en beperkingen, hekken, muren, versperringen, controleposten, uitkijktorens,  onteigeningen die nooit kunnen worden aangevochten, vergunningen die altijd worden geweigerd. En steeds dreigen er confrontaties met de paranoïde moordmachine die elk paraat leger – dus ook het Israëlische leger – nu eenmaal is. Wat baten initiatieven als de Palestijnse Circusschool dan eigenlijk?

Hopelijk is dit het antwoord: ze kweken een gevoel van eigenwaarde dat op den duur sterker zal zijn dan al die onmenselijkheid en tragiek.

De woning in Hebron van wijlen Mohammed Al-Salaymeh is een stenen krot in een steegje van tien meter lang en twee meter breed. Checkpoints omsingelen de buurt, door de hoofdstraat lopen dagelijks kolonisten naar de synagoge. Bossen onkruid groeien uit de muur, maar binnen schenkt Mohammeds moeder Seven Up in sierglaasjes. Ze vertelt me wat ik al weet. Mohammed, een stevig gebouwde, roodharige jongen die goed Engels wilde leren, kreeg bij een checkpoint  vlakbij  zijn woning ruzie met een soldaat. Een andere soldaat meende te zien dat hij gewapend was. Ze schoot hem van dichtbij zes kogels door de borst. Mohammed bleek ongewapend. Een vergissing, zoals vaker. Geen excuses, geen onderzoek.

Mohammed

Mohammed Al-Salaymeh (midden, geel T-shirt) een leerling van de Palestijnse Circusschool, werd op zijn verjaardag door een Israëlische soldate doodgeschoten ©Palestinian Circus School

 

De vader van Mohammed was naar het checkpoint gesneld nadat hij had gehoord wat er was gebeurd. Toen hij met zijn zoon meewilde in de ambulance, mishandelden de soldaten hem. Daarop ontstond een rel met omwonenden. Er  werd met traangas en rubber kogels geschoten, terwijl het lijk van de jongen nog op straat lag.

Dit alles gebeurde op 12 december vorig jaar, op Mohammeds 17de verjaardag. Enkele uren voor zijn dood hadden zijn vrienden hem nog op een grote taart getrakteerd. Mohammeds moeder en ik zwijgen. Ik zoek iets om te zeggen. De seconden tikken voorbij. Dan schiet het me te binnen. Ik vertel haar wat ik heb gehoord: dat hij een van de beste leerlingen was van de Palestijnse Circusschool. Shukran, bedankt, zegt ze. En door haar tranen heen verschijnt een trotse glimlach.

Een steenworp verwijderd van de gevangenis

SAM_0315

In februari dit jaar bezocht ik de Westelijke Jordaanoever. Ik kwam terug met een reportage die ik beslist zou kunnen slijten. Dat dacht ik althans. Het ging immers over iets waaraan Nederlandse media nog maar heel weinig aandacht hadden besteed: de wijze waarop de Israëlische justitie Palestijnse jongeren in de bezette gebieden behandelt.

Tot mijn verbazing ving ik bot. Geen enkele krant, geen enkel tijdschrift, toonde belangstelling. Misschien had ik beter moeten weten. Die geringe aandacht uit het verleden was niet voor niets. ‘Mooi verhaal, maar net niet uitzonderlijk genoeg’, was nog de meest positieve reactie. En de vreemdste: ‘We hebben ooit al eens iets gehad over een Palestijns dorpje’. Hieruit sprak een gebrek aan betrokkenheid dat naar mijn gevoel ook bleek uit deze brief, die de Nederlandse coalitie voor Palestijnse kinderen in gevangenschap ontving van de Nederlandse minister Rosenthal.
Inmiddels is er wel wat veranderd. Rosenthals opvolger Timmermans neemt de kwestie wel serieus en heeft er tijdens zijn bezoek aan Israël in juni van dit jaar over gesproken met minister van Justitie Livni. Ook getuigde de Israëlische reactie op een vernietigend rapport van UNICEF van een zekere inschikkelijkheid. In oktober dit jaar repte UNICEF echter nog van ‘voortgaande schendingen’.
Mijn verhaal is in het Engels te lezen op de site Your Middle East. Omdat het al met al nauwelijks aan actualiteit heeft ingeboet, verschijnt het hier alsnog in het Nederlands.

Moehannad Al-Khmoer was vijftien toen Israëlische soldaten hem kwamen halen. Om drie uur ’s nachts forceerden ze de voordeur van zijn ouderlijke woning in Bethlehem. Of hij ‘tien minuutjes’ wilde meekomen. Zo jong als hij was, voorzag hij het ergste. “Ik weet niet wanneer je me weer zult zien,’’ zei hij tegen zijn moeder.

De tien minuten werden vijftien maanden. En nog was het Israëlische leger niet op hem uitgekeken. Hij werd opnieuw opgepakt en tot acht maanden gevangenisstraf en een boete van 2000 shekel  (400 euro) veroordeeld. De aanklacht? Niet moeilijk te raden: stenengooien.

Het moet een inktzwart intermezzo in zijn adolescentenleven zijn geweest, hem opgelegd voor een betrekkelijk gering vergrijp, maar de inmiddels twintigjarige student politieke wetenschappen lijkt het allemaal redelijk te hebben verwerkt. Het is een goed geklede, zelfbewuste jongeman die zich voorstelt in het ontvangsthalletje van een gemeenschapshuis in een vluchtelingenkamp bij Bethlehem: zwart haar strak in de gel, modieus grijs vest, glanzende iPhone in  de hand. In vlot tempo, soms met een vleugje humor, verhaalt hij over zijn ervaringen met het Israëlische militaire gezag.

....inktzwart intermezzo in een adolescentenleven.... © Carl Stellweg

….inktzwart intermezzo in een adolescentenleven…. © Carl Stellweg

Hoe de soldaten hem in een jeep duwden, blinddoekten en de polsen achter de rug bonden met die beruchte, diep in de huid snijdende plastic handboeien. Hoe hij drie militaire gevangenissen van binnen leerde kennen. Hoe er tijdens urenlange ondervragingen stoelen naar zijn hoofd werden gesmeten en hij stompen in de zij kreeg te verduren, ook nadat hij had gezegd dat hij aan een nieraandoening leed. Hoe hij alle beschuldigingen dapper bleef tegenspreken en zijn ondervragers zelfs geestig van repliek diende. Zoals toen ze dreigden ook zijn moeder gevangen te zetten: ‘Doe dat, ik mis haar.’

Waarom zijn ondervragers al die moeite namen, als hij echt maar een handvol stenen had gegooid? ‘Een jongen van vijftien uit wie ze niks los kregen, dat waren ze niet gewend. Dat konden ze niet op zich laten zitten.  Ze gingen zo ver dat ze niet meer terug konden.’

Het waarheidsgehalte van dit verslag zou twijfel kunnen oproepen als de stoere presentatie van Moehannad niet af en toe veelzeggende haperingen vertoonde. Wanneer zijn veertig dagen in een isoleercel ter sprake komen, stokt de woordwaterval, wordt de ademhaling zwaarder, en begint de stem licht te beven. Hij voelde zich ‘erg triest’ in die kleine cel, klinkt het met neergeslagen blik. Alles was vies: het matras, de WC, de muren. Het eten? Oud, bedorven. Er was geen verschil tussen dag en nacht, ramen ontbraken. Wanneer hij voor een zoveelste ondervragingssessie werd opgehaald, betekende dat haast een bevrijding uit een verstikkend luchtledig.

Moehannad zwijgt en even valt er een ongemakkelijke stilte. Dan klaart zijn gezicht op: soms betrad een ‘mooie vrouw’ zijn troosteloze alkoof, herinnert hij zich, om hem te vertroetelen. In zijn dromen.

Lang bleef de behandeling van Palestijnse minderjarigen door het Israëlische militaire gezag onderbelicht. Dat lijkt nu te veranderen, ook in Nederland. CDA-Kamerlid Omtzigt stelde op 16 januari schriftelijke vragen over de kwestie aan minister van Buitenlandse Zaken Timmermans. De aanleiding: een vorig jaar verschenen, zeer kritisch rapport van Britse juristen die de regio bezochten.

Structurele wantoestanden
Dit document staat niet op zichzelf: de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’tselem,  alsmede Defence voor Children International (DCI) en Save the Children brachten in 2011 en 2012 eveneens gedetailleerd verslag uit over structurele wantoestanden bij de arrestatie, berechting en detentie van minderjarigen op de Westelijke Jordaanoever, van wie er jaarlijks 500 tot 700 worden opgepakt, meestal op verdenking van stenengooien. Begin maart kwam daar een UNICEF-rapport met gelijkluidende bevindingen bij.

Geen enkel rapport laat onvermeld dat het leger de kinderen vaak midden in de nacht van hun bed licht en hen, veelal geblinddoekt en de handen pijnlijk op de rug gebonden, naar een onbekende plek voor ondervraging brengt. De arrestaties gaan niet zelden gepaard met verbaal en lichamelijk geweld, vernederingen en bedreigingen. Anders dan hun Israëlische leeftijdgenoten blijft de Palestijnse kinderen begeleiding van een ouder onthouden en gaat er geen juridische bijstand aan de ondervragingen vooraf. Noch worden zij altijd op de hoogte gesteld van hun zwijgrecht.

Wat de rechtsgeldigheid van de bekentenissen vooral discutabel maakt is de eenzame opsluiting waaraan naar schatting 12% van de opgepakte kinderen tot nu werd onderworpen: een onacceptabele praktijk, menen UNICEF- en andere VN-deskundigen, aangezien het in 1989 opgestelde VN-Kinderrechtenverdrag stipuleert dat de belangen van kinderen, ook wanneer ze worden vervolgd, altijd voorop dienen te staan en zij slechts in extreme gevallen dezelfde strafrechtelijke behandeling mogen ondergaan als volwassenen.

‘Cel 36′
De afgelopen vier jaar verzamelde de Palestijnse afdeling van Defence for Children International 59 onder ede afgelegde getuigenissen van Palestijnse jongens die één tot 24 dagen in een isoleercel zouden hebben doorgebracht. Ongeveer de helft van die getuigenissen stamt van vorig jaar en van 2011. Van een afname is dus geen sprake. Vaak wordt ‘cel 36’ in de Jalame-gevangenis in noord-Israël genoemd: een kamertje zonder ramen van twee bij drie meter; muren met een ruw, onaangenaam in de rug prikkend oppervlak en continu een diffuus, gelig licht dat hoofdpijn veroorzaakt.

De Israëlische Veiligheidsdienst Shin Bet wijst alle beschuldigingen categorisch van de hand. Maar tientallen jongens kunnen bezwaarlijk los van elkaar kamernummer ‘36’ en muren waartegen je niet kunt leunen hebben verzonnen. En het is ook niet waarschijnlijk dat dergelijke verklaringen onderling konden worden bekonkeld zonder dat organisaties als B’tselem en DCI er lucht van hadden gekregen.

Ayed Abu Eqtaish van de Palestijnse afdeling van DCI verdenkt Israël zelfs van een toenemende voorkeur voor eenzame opsluiting. In zijn kantoor in Ramallah haalt hij het geval aan van een jongen die, na 22 dagen isolement, zijn ondervrager de aardigste man noemde die hij ooit had gekend. ‘Kijk, wanneer je een verdachte fysiek onder druk zet, zal hij al zijn energie aanspreken om zich te verweren. Maar wanneer je iemand eenzaam opsluit, dan leg je hem lam. Dan ondermijn je zijn persoonlijkheid. Dat geldt zeker voor minderjarigen, die psychisch meestal kwetsbaarder zijn dan volwassenen. Deze methode is daarom veel effectiever om bekentenissen los te krijgen.’

Met wat goede wil zijn daar positieve ontwikkelingen tegenover te stellen. Zo kent de Westelijke Jordaanoever sinds 2009 speciale jeugdrechtbanken. En in 2011 werd de volwassen leeftijd voor Palestijnen van 16 jaar naar 18 jaar opgetrokken, waarmee het militaire recht in bezet gebied na ruim vier decennia deels is geharmoniseerd met Israëlisch burgerrecht en internationaal recht. Helaas is er volgens Eqtaish in de praktijk niets veranderd. ‘Het maakt voor 16- en 17-jarigen geen verschil, omdat de strafmaat tot nu toe niet is aangepast.’

De kern van het probleem, zo zegt Eqtaish het veel Palestijnen na, is de bezetting. Er zijn twee rechtsstelsels: het ene is civiel en bestemd voor Israëliërs, het andere militair en bedoeld voor Palestijnen in bezet gebied. Wat Eqtaish vooral stoort is dat de Israëlische belangen altijd als vanzelfsprekend gelden. ‘Zo is het vrijwel onmogelijk voor een Palestijn om op borgtocht vrij te komen. Israël wil dit pas toestaan als de Palestijnse justitie de vervolging voortzet. Alsof de verdachte ook in conflict is met de Palestijnse rechter, in plaats van enkel met de Israëlische. Het probleem is niet enkel juridisch. De Palestijnse overheid wordt geacht taken van de bezetter over te nemen.’

Politisering
In haar reactie op het Britse rapport wijst de Israëlische ambassade in Londen op de politisering van de Palestijnse jeugd, waardoor kinderen al op jonge leeftijd bij ‘militante en gewelddadige activiteiten’ betrokken raken. Persattaché Amir Ofek klaagt bovendien dat het ‘slingeren van steenbrokken’ – een ander had wellicht gekozen voor de wat gematigder verwoording ’gooien van stenen’ – wordt afgedaan als een gering vergrijp, terwijl het levensgevaarlijk zou zijn. Maar vermeldenswaard in dit verband is de blogpost die de Israëlische strijdkrachten publiceerden, getiteld ‘Rocks can kill’, waarin alle dodelijke slachtoffers van stenengooien sinds 1983 worden vermeld. Het gaat om acht personen. Hoe afkeurenswaardig de incidenten die leidden tot deze sterfgevallen ook mogen zijn, het Israëlische leger lijkt hiermee toch vooral te hebben aangetoond dat stenengooien zeer zelden tot de dood leidt.

Hoe het ook zij, Kamerlid Omtzigt leek gevoelig voor het argument dat Palestijnse kinderen tot politiek geweld worden aangespoord. Een vraag aan Timmermans luidde:  ‘Deelt u de mening dat hier ook een verantwoordelijkheid bij de Palestijnse Autoriteit ligt, om te voorkomen dat kinderen onderdeel worden van het conflict met Israël?’

Palestijnse kinderen waren de stenengooiende infanteristen van de eerste intifada (1987-1993) en het is een feit dat ze nog steeds vaak voorop lopen in betogingen tegen het militaire gezag. Het hoog in de heuvels gelegen Nabi Saleh, even ten noorden van de officieuze hoofdstad Ramallah, laat zien waartoe dat kan leiden. In dit op het oog onbeduidende dorp van 500 inwoners hangen tot zwarte slingers aangeregen traangasgranaten als cynische versiering in de straten en tuinen.

Cynische decoratie van lege traangasgranaten in Nabi Saleh

Cynische decoratie van lege traangasgranaten in Nabi Saleh © Carl Stellweg

 

Op een heiige februarimiddag zijn op een tegenoverliggende helling  de ordentelijke contouren van de joodse nederzetting Halamish te onderscheiden. De twee gemeenschappen hebben een huwelijk dat in de hel is gesmeed. Zo woedt er een conflict over een bron die kolonisten in 2009 met kennelijk goedvinden van de bezettingsmacht confisqueerden. Het heeft iets oudtestamentisch: ‘De herders uit Gerar maakten ruzie met de herders van Jitschak, door te zeggen: Het water is van ons,’ staat al in het eerste Bijbelboek Genesis.

Sinds december 2009 lopen inwoners van Nabi Saleh elke vrijdag tegen deze situatie te hoop. En ook hier voeren vaak nog jonge kinderen veelal de protestmarsen in de richting van Halamish aan. Ze zwaaien met vlaggen, scanderen leuzen (‘one two three four, occupation no more’), en schelden op de soldaten die hen de weg versperren. Zij die zich het minst onbetuigd laten worden op You Tube bewonderend  ten voorbeeld gesteld. Uiteraard wordt er ook met stenen gegooid. Het leger reageert met traangas, met rubber beklede stalen kogels, of erger: ‘live bullets’.

Er lijkt nog meer aan de hand: een vete tussen de Israëlische autoriteiten en een Palestijnse familie, die ten koste gaat van een groot aantal kinderen. De meeste dorpelingen heten Tamimi; de 45-jarige onderwijzer en activist Bassem Tamimi is hun primus inter paris. Al twintig jaar tart hij de bezetter, twaalf keer zat hij reeds gevangen. Meestal luidde de aanklacht ‘aanzetten tot stenengooien en het organiseren van betogingen zonder vergunning’, maar opmerkelijk genoeg kwam het niet één keer tot een veroordeling. De EU noemt Tamimi een voorvechter van de mensenrechten.

De woning van Bassem en zijn vrouw Nariman is een blokkendoos van grijs uitgeslagen natuursteen op een rommelig erf. Boven de bank in de huiskamer prijken vier posters waarop mannen staan afgebeeld van wie alleen Narimans echtgenoot nog leeft. Ze vertelt met de indringende onbewogenheid die veel Palestijnen kenmerkt wanneer hun ontberingen ter sprake komen hoe haar zwager Mustafa in december 2011 in het dorp omkwam doordat een traangasgranaat hem in het gezicht trof en hoe haar broer Rushdi in november 2012 niet ver van haar woning stierf nadat hij in zijn rug was geschoten.

Een eerder gesneuvelde oom completeert deze droeve portrettengalerij. Daaronder is de 13-jarige Ahed Tamimi inmiddels op de bank neergeploft. Aan de manier waarop ze haar versgelakte rode nagels bestudeert en haar omgeving negeert is niet af te zien dat ze tot nationale heldin is uitgegroeid. Het YouTube-filmpje waarin ze met uitdagend gebalde vuist militairen luidkeels de les leest leverde haar een audiëntie op bij de Palestijnse president Abbas en een ‘Courage Award’ in Turkije.

Nariman Tamimi met dochter © Carl Stellweg

Nariman Tamimi met dochter © Carl Stellweg

 

Pro-Israëlische media bestempelen dit als ‘cynische manipulatie van een kind door haar ouders en politici’. Het Palestijnse kamp spreekt dit fel tegen. De You Tube-tirade tegen de Israëlische militairen zou niet zijn geregisseerd: Ahed had net gezien hoe ze haar 15-jarige broer Waed geblinddoekt wegvoerden. Dat dit op film kwam te staan, is niet verwonderlijk; de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’tselem heeft de afgelopen jaren een groot aantal videocamera’s onder Palestijnen uitgedeeld met als doel de wereld te laten zien wat ze te doorstaan hebben door de bezetting.

Israël zet Bassem Tamimi hoe dan ook graag neer als gewetenloze organisator van bataljons geïndoctrineerde, stenen gooiende minderjarigen. Deze dag is helaas niet zo geschikt om daarover kritische vragen te stellen. Narimans mobiel zit aan haar oor geklonken: als het goed is wordt haar man, die voor de zoveelste keer vastzit, vandaag vrijgelaten en is hij over enkele uren thuis. Wanneer het verlossende bericht eindelijk komt, is er maar even tijd voor tranen: al snel zetten dorpelingen feestelijkheden in gang. Een poster met Bassems triomfantelijk lachende beeltenis verschijnt boven de voordeur, Palestijnse vlaggen worden op de dakrand geplant. De huiskamer vult zich met familieleden, onder wie Waed Tamimi, wiens arrestatie zijn zusje zo van streek bracht. Hij kwam binnen een week vrij, maar niet nadat hij naar eigen zeggen was mishandeld. Een arts bezocht hem, maar toen Waed zei dat hij erge pijn had aan zijn armen, was het antwoord: ‘Daar ga ik niet over.’

Een poster en vlaggen ter viering van Bassem Tamimi's zoveelste vrijlating. © Carl Stellweg

Een poster en vlaggen ter viering van Bassem Tamimi’s zoveelste vrijlating. © Carl Stellweg

 

Op de procesdag zag hij zijn vader, die ook moest voorkomen. Anders dan Bassem Tamimi kwam de jongen er met een boete van 2000 shekel vanaf. De aanklacht, uiteraard: stenengooien.

Anan Tamimi (17) kwam eveneens tegelijk met zijn vader – een broer van Bassem – vast te zitten. Daarnaast werd hij slachtoffer van een praktijk die meestal voor volwassenen bewaard blijft: nadat de soldaten hem hadden ondervraagd, lieten ze hem ‘vrij’ – geboeid, in het holst van de nacht, en in kolonistengebied. Struikelend en sidderend van angst vond hij de weg naar huis.

De oogst van drie jaar en drie maanden burgerverzet in Nabi Saleh: heel veel rhaz (traangas), mattat (‘rubber’) en rassas (‘kogels’). Twee martelaren en 117 arrestaties, ook van tientallen minderjarigen. Dat zij door volwassenen actief bij het protest worden betrokken is een feit. Dat het Israëlische leger het speciaal op hen heeft gemunt, lijkt ook zeker: ze zijn het eenvoudigst op te pakken en tot bekentenissen te dwingen, waardoor er weer volwassenen kunnen worden gearresteerd– dat gebeurt vaak op grond van wat kinderen na urenlange ondervragingen en op de rand van geestelijke en lichamelijke uitputting al dan niet naar waarheid opbiechten.

Is er een manier om deze onzalige kruisbestuiving te stoppen? Maartje Berger van de Nederlandse afdeling van Defence for Children International vestigt haar hoop op het VN-Kinderrechtenverdrag, dat door Israël en Nederland is geratificeerd. ‘Zoals elk verdrag had het Kinderrechtenverdrag tijd nodig om ingeburgerd te raken,’ zegt ze, ‘maar je ziet het de laatste tijd aan gewicht winnen. Tot nu toe werd het lot van Palestijnse kinderen overschaduwd door de politiek. Het kinderrechtenverdrag biedt de kans de kwestie boven die politiek uit te tillen. Zo kan – en moet – Nederland Israël confronteren met de schending van Palestijnse kinderrechten. Palestijnse ouders kunnen eveneens aan de hand van dit verdrag op hun verantwoordelijkheden worden gewezen.’

Ongetwijfeld zal deze legalistische benadering nog lang op dorre bodem vallen in een tot op het bot gepolitiseerde omgeving. ‘Je kunt kinderen niet buiten de politiek houden als die hen rechtstreeks raakt,’ zegt Maartje Bergers Palestijnse collega Abu Eqtaish. ‘Waarom zouden kinderen trouwens niet kenbaar mogen maken wat ze daarvan vinden?’

Veel Nederlanders, voor wie politiek nauwelijks meer is dan tijdverdrijf en veiligheid – zeker wat kinderen betreft – het hoogste goed, kunnen misschien moeilijk bevatten dat de Palestijnen zichzelf zien als een verzetsgemeenschap, waarvan kinderen, volwassenen en bejaarden integraal deel uitmaken. Zo’n 750.000 Palestijnen hebben gevangen gezeten, letterlijk elke familie heeft er ervaring mee. De gevangeniscarrière begint vaak vroeg en de kindertijd duurt dus kort.

Het bezoek aan Nabi Saleh wordt afgesloten in de hartverscheurend armzalige woning van een ander Tamimi-gezin, waar de 13-jarige Karim vertelt hoe hij twee jaar geleden een Israëlische politiewagen bekogelde en in de kraag werd gegrepen. ‘Wij willen dieven vangen, geen jongetjes,’ zeiden de agenten. Zijn antwoord: ‘Jullie zijn de dieven, jullie stelen mijn land.’ Vader Saleh grijnst goedkeurend boven zijn hooggesloten trui in de steenkoude, donkere huiskamer.

Vader Salah Tamimi en zijn 13-jarige zoontje, die twee jaar geleden werd opgepakt door Israëlische politie. © Carl Stellweg

Vader Salah Tamimi en zijn 13-jarige zoontje Karim, die twee jaar geleden werd opgepakt door Israëlische politie. © Carl Stellweg

 

Dan komt Islam Tamimi (16) binnen en volgt er alweer een verhaal van een nachtelijke arrestatie, ruwe ondervragingen, een veroordeling wegens stenengooien, drie maanden in een Israëlische gevangenis, dreiging met deportatie naar Ramallah, en uiteindelijk huisarrest.

Hoe hij dit alles heeft doorstaan? Heeft hij boze dromen?

Op het gezicht van de jongen, dat tot dan geen emotie verried, tekent zich nu een uitdrukking van peilloos dedain af. ‘La,’ zegt hij. Nee.