Archief voor mei, 2013

Vliegen in een kathedraal

nowhere6

Lees hier de Engelstalige versie

Ooit was ik ‘in the middle of nowhere’. Het was donker om mij heen, er waren sterren boven mij, en vóór mij stond een heel groot vliegtuig. Misschien was het niet eens zo heel groot, maar leek dat alleen zo omdat het in the middle of nowhere stond.

Het deed me denken aan een gestrande walvis. Natuurlijk lag het niet op zijn buik de verstikkingsdood te sterven, het stond parmantig op zijn onderstel, maar juist daardoor zag het er zo dwaas en verlaten uit. Het leverde zich niet uit aan het noodlot dat het hierheen had gebracht, zoals elk oud en wijs groot zoogdier pleegt te doen, het stond daar verlamd, totaal verbluft, gegijzeld door een onbegrijpelijke ramp die het plotseling was overkomen, zonder dat het enig geluid kon uitbrengen.

Ik voelde me wonderlijk ontspannen terwijl ik met een zeker mededogen naar dat vliegtuig keek. Ik stond een sigaret te roken en te praten met een collega van de Los Angeles Times, een zwaargebouwde, aardige en slimme man wiens naam ik helaas ben vergeten. Wel weet ik nog dat hij een zin vaak besloot met: ‘That’s interesting’ of ‘isn’t that interesting?’ Dat had iets argeloos en vertederends, alsof deze zwaargebouwde man van middelbare leeftijd in zijn hart nog een nieuwsgierig jongetje was. En terwijl we daar onze korte, maar exclusieve in-the-middle-of nowhere-ervaring ondergingen, zal hij wel iets tegen me hebben gezegd in de trant van: ”Stel je voor, dit is een internationaal vliegveld. Isn’t that interesting?

Ik knikte. Dat was het.

Voor zover ik in het donker kon zien, bestond het internationale vliegveld uit een miniatuur-controletoren van twee verdiepingen en een schuur die moest doorgaan voor passagiersterminal. We waren er doorheen gelopen, hadden onze paspoorten afgegeven aan een kleine, donkere, kroesharige man in een eenvoudig uniform die ons toestemming gaf door te lopen naar wat ons voorkwam als aardedonker, doodstil platteland. We zagen alleen een smal stukje weg en de schaduw van een palmboom.

We liepen terug, haalden onze paspoorten op en rookten nog een sigaret tegenover ons arme, verbijsterde vliegtuig, totdat het tijd was weer aan boord te gaan. We vermoedden dat we de enige overgebleven passagiers waren, want we hadden net een wat ouder echtpaar zien uitstappen: kleine, donkere, kroesharige mensen die grote, uitpuilende plastic tassen bij zich hadden.

Ze waren in geen velden of wegen meer te bekennen. Opgelost in het aardedonkere platteland waar ze thuishoorden. Ze waren waarschijnlijk de enige reden dat het vliegtuig op deze internationale luchthaven was geland.

Hoe was ik hier verzeild geraakt? Dat leek er niet toe te doen. Laat ik volstaan met te zeggen dat ik een week geleden nog 15.000 kilometer hiervandaan in Nederland was en dat ik helemaal niet had voorzien op reis te zullen gaan, en zeker niet zo ver weg. Het gebeurde door toeval en een enkel telefoontje.

Waar was ik?  Ik zal het toen wel hebben geweten, maar eerlijk gezegd: ik ben het vergeten. Het ging om Wallis of om Futuna. Samen vormen deze twee kleine eilanden een Frans overzees gebiedsdeel in de Stille Oceaan. Hoewel het op de kaart lijkt of ze dicht bij elkaar liggen, worden ze door 250 kilometer zee gescheiden. Historisch en geografisch hebben ze weinig gemeen, maar in de mateloosheid van de Stille Oceaan lag het voor de hand ze bijeen te voegen. Dus was het een beetje alsof we ons in een atoom bevonden, waarvan de deeltjes, zoals bekend, zich verhoudingsgewijs even ver van elkaar af bewegen ‘als vliegen in een kathedraal’.

Natuurlijk zou ik er nu makkelijk achter kunnen komen of het Wallis of Futuna was, maar ik vind het leuker het mysterie te handhaven. Ik geef er de voorkeur aan mijn herinnering aan mijn korte oponthoud in the middle of nowhere te laten voor wat ze is: een volkomen zinloos, volkomen inhoudsloos, eenmalig en onverklaarbaar vreugdevol moment in mijn leven.