Archief voor mei, 2011

Mijn beeldschone aandoening: de eerste recensies, per 19 juni geactualiseerd!

recensies

De eerste drie recensies van mijn roman ‘Mijn beeldschone aandoening’ zijn verschenen en ik mag warempel niet klagen. Dit schrijft Leestafel.info, een veelgelezen literatuursite:

Het is een bijzonder boek, alles haakt in elkaar, het een kan niet zonder het ander. Je voelt een constante dreiging.  Eigenlijk wil je steeds het boek wegleggen omdat je iets heel akeligs verwacht en toch lees je maar door en door omdat je wilt weten of je gevoel klopt. Het akelige valt mee, maar wel zijn sommige gedeeltes vrij bizar. Normaal gesproken houd ik niet van dikke boeken, vaak wordt daarin enorm uitgeweid over omgeving, uiterlijk etc. De verveling slaat bij mij dan snel toe. Tot mijn verbazing was ik in zeer korte tijd al op de helft van het boek en wilde ik het liefst verder lezen.’

En verder:

‘Er komt veel seks voor in het verhaal, is het niet de daad dan wel de gedachte aan de daad en ik vraag me af waarom dat is. Om het verhaal aantrekkelijker te maken? De geschetste personen zijn interessant genoeg. De vreemde ouders van Jacob, Frauke met haar geheimzinnige ziekte, de drie bizarre volwassenen, de zeer interessante Hans-Jürgen… allemaal sterk neergezette karakters die je voorlopig nog wel bijblijven.  Hoewel het niet platvloers geschreven is, had al die seks of verwijzingen naar seks er voor mij niet zo veel bij gehoeven  Toch ben ik zwaar onder de indruk van dit boek. Het is heel goed geschreven en het verhaal zit knap in elkaar. Lees het! ‘

Lees hier de hele recensie!

Zeer lovend is ook inkt!, de glossy voor liefhebbers van lezen.

De stijl van Stellweg (…) is zeer leesbaar. Hij houdt de lezer vast en sleurt hem mee in een verhaal dat ontzettend aan het nadenken zet. Wat dat betreft heb je na het lezen eigenlijk het gevoel dat het nog te kort was, die 548 bladzijden. Als een schrijver dat presteert, heeft hij zijn talent bewezen.’

Lees hier de hele recensie (het downloaden van de pdf kan even duren – half minuutje geduld is soms nodig).

En dit vindt J. T. G. Maas van NBD|Biblion, een organisatie die diensten levert aan bibliotheken:

‘Geen gemakkelijk boek door de introspectieve schrijfstijl, wel knap geconstrueerd en ook boeiend.’

Lees hier de hele recensie.

Mijn beeldschone aandoening: de presentatie!

boek carl 075

Op 12 mei was dan eindelijk de officiële presentatie van mijn roman ‘Mijn beeldschone aandoening’. In het mooiste hotel van Rotterdam,  Pincoffs aan de Stieltjesstraat. Het werd een geslaagde bijeenkomst, geslaagder dan ik had durven dromen. Eén bezoekster bezigde na afloop zelfs de term fanfuckingtastic. Let wel: haar Engels is heel goed, want ze geeft er les in.

Allereerst stak Pim Wiersinga, gelouterd auteur en redacteur van Compaan, een gloedvol betoog af over mijn boek.

presentatie1Hier zien we Pim zijn aanvankelijke afschuw uitspreken over de titel ‘Mijn beeldschone aandoening’. Ik hoor een en ander besmuikt aan. Uiteindelijk zou Pim tot de conclusie komen dat ‘Mijn beeldschone aandoening’ de enig mogelijke titel was voor dit wonderlijke boek, dat zo veel meer is dan de som van zijn delen en op even diepe als beeldschone paradoxen is gestoeld – maar toch heel lekker wegleest, blijkens deze recensie.

presentatie2 Het gevreesde moment: men gaat voorlezen uiit mijn werk. Ik wist niet welk fragment Pim had gekozen. Dit bleek het te zijn:

Eerder op de dag had ik met haar kennis gemaakt. Ja, ik had haar daarvoor al wel opgemerkt, maar mijn Künstleraugen, zo ik die bezat, waren er niet door beroerd geraakt. Ze behoorde tot categorie ‘oud’, want boven de twintig. Nu ze in een eenvoudig zomerjurkje voor me stond, met dank aan haar zoon die ons aan elkaar wilde voorstellen, besefte ik dat haar leeftijd er niet toe deed: voor altijd een meisje was ze, de blauwogige, hoogblonde, voluptueuze moeder van Hans-Jürgen. De hele wereld werd zachter en geiler als zij op het toneel verscheen. Ik durfde het mezelf nauwelijks te bekennen, maar al snel vertoonde ik alle tekenen van een stormachtige verliefdheid. De symptomen – toenemende hartslag, bevingen,verminderde eetlust – waren nieuw voor me, en toch wist ik meteen wat ze betekenden. Natuurlijk liet ik Hans-Jürgen dit niet merken, al bekende ik hem wel dat ik zijn moeder ‘sehr hüpsch’ vond. Hij keek alsof ik een wagenwijd openstaande deur had ingetrapt – wat ook zo was. Toch meende ik ook verlegen dankbaarheid in zijn ogen te lezen.

Hij was verzot op zijn moeder, zoveel was duidelijk. En zij op hem. Toen ik eens bij de lift stond te wachten en de deuren openschoven, zag ik hen tegenover elkaar staan en kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze zich zojuist uit een innige omhelzing hadden losgemaakt.Tot mijn bange vreugde leek ze ook mij een alleraardigst jongensexemplaar te vinden – ondanks mijn zichtbare handicap, mijn afwijkende, onelegante loopje. Een keer stond ze naast me aan het ontbijtbuffet en zag mij moeizaam naar de Kaiserbrötchen en de Tilsiter Käse reiken. Ze legde haar hand op mijn heup, boog iets naar mij toe en vroeg met haar vreemd kinderlijke, hese stem: ‘Hast du Schmerzen?’ Voor het eerst besefte ik dat het niet altijd nodig was mijn gebrek te camoufleren- dat het ook mocht worden gekoesterd; dat op het slagveld van de liefde, met zijn perverse wetten, mijn zwakte in een wapen kon veranderen; en dat vrouwen als de moeder van Hans-Jürgen weliswaar volmaakt waren, maar daarom zelf nog niet altijd op volmaaktheid zaten te wachten.

Voortreffelijke keuze, omdat hier een belangrijke gedachte in het boek wordt verwoord en er  een direct verband is met de titel. Maar uit onderstaande, geforceerd spottende uitdrukking valt wel af te leiden dat het mij, bij het aanhoren van een en ander, niet al te aangenaam te moede was.

Pim gebruikte overigens de term ‘Lolito’. Uiteraard een verwijzing naar de beroemde roman van Nabokov, met de legendarische beginzin: Lolita, light of my life, fire of my loins.’ Dat ‘alleraardigste jongensexemplaar’ in bovenstaand fragment was volgens Pim dus een Lolito.Leuk gevonden, hoor. Maar kan iemand dan ook de mannelijke vervoeging van ‘nimfijn’ (nymfet in Nabokoviaans) leveren? Een gratis exemplaar van ‘Mijn beeldschone aandoening’ voor wie daartoe in staat is!

Lees meer

Edele wilden, ooit (aflevering 3, slot)

greed

(Lees hier de vorige aflevering)

In de periode dat haar positie steeds machtiger werd, raakte de Koningin der Aarde omringd door hovelingen van overwegend bedenkelijk allooi. Dat wreekte zich toen haar troon begon te wankelen. Stukje bij beetje roofden de hovelingen haar paleis leeg.

De geldwolven waren niet geïnteresseerd in het redden van de krant, ze probeerden alleen het juiste moment te kiezen om ervandoor te gaan, met medeneming van zoveel mogelijk bankbiljetten in hun buitenzakken, binnenzakken, achterzakken, borstzakken, capuchon, hoed, schoenen, onderbroek, mond, oren, oksels, bilnaad, neusgaten, aarsgat, enfin, waar ze maar bankbiljetten in kwijt konden.

En zelfs als ik ze nu onrecht aandoe, zelfs als ze wel degelijk goede bedoelingen hadden, dan toonden ze wat ze als ondernemers waard waren met de volgende kostelijke manoeuvre: de beste artikelen uit de krant lieten zij dagelijks gratis op het wereldwijde web plaatsen, waardoor het publiek nog minder reden had de krant te kopen. De achterliggende gedachte was om het webpubliek op deze manier ‘warm te maken voor de papieren krant’. Een kind had kunnen voorspellen dat het niet zo zou uitpakken.

De redactie werd ondertussen ‘versterkt’ met types die het tij wel even zouden doen keren. Dit bleken opportunisten te zijn die zich bedienden van trendy jargon. ‘We moeten de content uitnutten langs diverse mediale kanalen,’ zeiden ze bijvoorbeeld. Content, toe maar. Uitnutten, tut-tut. Langs diverse mediale kanalen, het mocht wat. En als jij, ex-edele wilde, geheel tegen je instinct tot zelfbehoud in, toch nog het woord ‘diepgang’ liet vallen, dan toonden de types die het tij wel even zouden doen keren geen meewarig lachje meer, nee, ze keken je aan alsof je een NSB-er was. ‘Diepgang?’, repliceerden ze dan. ‘Wat bedoel je? Je persoonlijke hobby’s, die niet aansluiten op de belevingswereld van de lezer?’ Ja, daar was je wel even stil van.

Voortaan, zo vervolgde zo’n nieuwlichter, zouden de lezers uitmaken wat belangrijk was, en niet de journalisten. Wat dachten wij traditionele dagbladjournalisten wel… dat wij eventjes voor de lezers konden bepalen wat belangrijk was? Met welk recht? Dat getuigde weer van zo’n linkse arrogantie die dit land naar de knoppen had geholpen. Welnu, de rol van de linkse kerk was uitgespeeld. Het kwam hierop neer: jarenlang hadden wij, slippendragers van de linkse regentenklasse, handlangers van de babyboomerkaste, met die lezers gesold. Hen lastig gevallen met onze persoonlijke hobby’s. Onze linkse stokpaardjes. Zo’n nieuwlichter die het tij wel even ging keren had nieuws voor ons: onze lezers waren niet links. Onze lezers, dat waren mensen die fokking hard werkten voor een fokking Dikke Vette Baan. En het was hoog tijd dat we die eens gingen bedienen! Op hun wenken!

Hadden onze lezers vooral een hekel aan Marokkaanse boefjes en hun kleinschalige misdragingen? Dan moesten wij vooral veel aandacht besteden aan het staatsondermijnende karakter van de kleinschalige misdragingen van die Marokkaanse boefjes. Nee, een beetje overdrijven kon daarbij geen kwaad. ‘Scherp opschrijven’, heette dat. Of  ‘stevig neerzetten’.  Die laffe linkse nuanceringen, daarvan had iedereen onderhand zijn bekomst. Vonden onze lezers dat Marokkaanse boefjes het land aan de rand van de afgrond hadden gebracht met hun kleinschalige misdragingen? Dat vooral de Marokkaanse boefjes met hun kleinschalige misdragingen en hun apologeten van de linkse kerk verantwoordelijk moesten worden gesteld voor de wanhopige toestand  waarin het land verkeerde? Dan moesten wij de indruk wekken dat wij dat misschien ook wel vonden. Dat de lezer daarin een punt kon hebben. Wie waren wij om de lezer vierkant tegen te spreken? De lezer was onze klant en een klant bruuskeerde je niet.

Lees meer

Edele wilden, ooit (aflevering 2)

google-as-a-giant-robot

(Lees hier de vorige aflevering)

Ook wij, edele wilden, wij van de stam die de ‘Koningin der Aarde’ werd genoemd, gingen overstag voor het wereldwijde web en alles wat het met zich meebracht. Ik moet toegeven, het was niet erg koninklijk, zo snel als wij ons gewonnen gaven. Ik moet toegeven dat wij misschien nog meer dan anderen werden betoverd. Wij vergaapten ons aan die mooie iconen, pictogrammen en kleuren, zoals domme inboorlingen zich vergapen aan spiegeltjes en kraaltjes, en voordat wij het zelf wisten begonnen wij te klikken, te slepen, te maximaliseren en te minimaliseren, te chatten en  te mailen met om het even wie, en lieten wij onze eertijds zo dierbare terminals links liggen.

Toen ze werden losgekoppeld en afgevoerd naar het terminalkerkhof, merkten we dat niet eens. Toen de werklieden binnenkwamen om, zoals zij zelf zeiden, die ‘oude rotzooi’ mee te nemen, keken wij niet eens op van onze nieuwe, veelkleurige schermen, zo druk waren wij in de weer met klikken, slepen, minimaliseren, maximaliseren en chatten en mailen met het dondert niet wie. En toen wij eindelijk wel even opkeken, viel het ons nóg niet op dat onze terminals waren verdwenen. Het is zonde dat ik het zeg, maar we waren ons dierbare gereedschap van weleer in korte tijd alweer glad vergeten.

Ja, natuurlijk, ik weet ook wel dat het zo’n stuk gereedschap niets uitmaakt dat het glad wordt vergeten. Het is immers maar een dood ding.  Alleen: dat is het punt niet. Het punt is niet wat zo’n dood ding voelt, maar wat wij zélf voelen. En wij voelden genegenheid. Vriendschap. Voor onze terminals. Die gevoelens leken sterk, maar bleken broos. Die konden zo worden verkwanseld ten gunste van iets dat onze nieuwsgierigheid en hebzucht wekte. Ik ben bang dat we onze gevoelens voor levende zielen even gemakkelijk zouden verloochenen, indien voldoende afgeleid en in de verleiding gebracht.

Goed, wij gingen dus ‘met onze tijd mee’. Dat moesten wij ook wel een beetje, uit hoofde van ons vak. Maar hoe konden wij vermoeden wat ons boven het hoofd hing? Hoe hadden wij kunnen denken dat er enig kwaad school in bedrijven met namen als Microsoft  of Google?

Microsoft, dat ging kennelijk om iets minuscuuls en zachts, iets zeer subtiels en teders. Dat was wat de naam zei. En Google? Ach, Google. De misleidende klank van dat woord. Klinkt ‘google’ niet een beetje als het geluid van een baby die zich met gulzige teugjes aan de moederborst laaft? Klinkt het niet een beetje als de oprispinkjes, of boertjes, tegen het verslikken aan, die aan een gulzig baby’tje ontsnappen wanneer het zich aan de moederborst tegoed doet? Zijn er schattiger geluidjes denkbaar? Wat kon een bedrijf dat zulke aandoenlijke associaties opriep ooit voor kwaads aanrichten? De mensen die zo’n naam voor hun bedrijf bedachten, dat konden toch alleen schatten van mensen zijn?

Wel, Google bleek inderdaad een baby te zijn. Maar dan een hele grote. Een even leeg als monsterlijk schepsel, een Ungeheuer ohne Eigenschafte, dat niet op eigen benen kan staan, dat helemaal niets kan, niets creëert, maar wel alles opeist, besmeurt en bezoedelt en uiteindelijk zal vernietigen door een ongekende machtspositie te veroveren in een maatschappij die lijdt aan informatieschimmel,  die alleen nog in abstracties handelt, die in haar eigen rekenmodellen is opgelost; door het kostbare onderscheid tussen Mijn en Dijn met voeten te treden, door het beginsel dat alles van waarde aan iemand toebehoort, het beginsel dat niet alles zomaar voor iedereen te allen tijde opeisbaar, beschikbaar en inzetbaar kan en mag zijn, het beginsel dat je iets dat je niet zelf heb bedacht of gemaakt niet zomaar in bezit en in gebruik kunt nemen of straffeloos kunt nabootsen omdat zulks neerkomt op diefstal dan wel plagiaat – door dit onschatbare marxistisch/kapitalistische Beginsel van Waarde en Eigendomsrecht, het fundament van elke beschaafde samenleving, met voeten te treden – zal Google alles vernietigen.

De baby aan de moederborst is voorbestemd om uit te groeien tot een meedogenloze parasiet die de wereld van al haar voedzame sappen zal beroven. Uiteindelijk verslindt Google alles en iedereen. Er blijft niets anders over dan Google zelf, waarop Google gedwongen zal zijn zichzelf te verslinden – als een haai die, gek geworden van de geur van zijn eigen bloed, in zijn eigen staart hapt.

En zo zal de wereld niet eindigen with a bang, en ook niet with a whimper,  maar met zo’n treurig gorgelend geluid van een laatste restje badwater dat door een  afvoerput verdwijnt.

Lees meer